Terug naar de krant

Tijd voor een liberalisme dat de aanval kiest

opinie
opinie
Neemt stelling en bekleedt standpunten op basis van een interpretatie van beschikbare feiten en gegevens

Liberalisme Liberalen keerden zich tegen het ‘schreeuwerige’ populisme, maar kwamen niet verder dan symptoombestrijding. Een nieuw liberalisme moet de oorzaken ervan bestrijden, schrijft .
Leeslijst

Rotterdam, september 2020. ‘We hebben een andere politieke houding en meer oog voor de belevingswereld van mensen nodig.’

Foto Walter Herfst

Amper drie jaar geleden feliciteerden Europese regeringsleiders premier Mark Rutte met zijn ‘overwinning op het populisme’. Tegen de verwachtingen in was hij er bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 in geslaagd Geert Wilders en zijn PVV voor te blijven. Op de verkiezingsavond van D66, waar ook zetelwinst werd gevierd, sprak Alexander Pechtold dat Nederland een duidelijk signaal had afgegeven. „Hier is het geluid van het populisme gestopt.”

Niets bleek minder waar. Rechts-populistische partijen zijn onverminderd populair. In Nederland, waar PVV en Forum voor Democratie kunnen rekenen op 18 procent van de stemmen volgens de laatste peilingwijzer en waar de PVV virtueel weer de tweede partij van het land is. Maar ook in de rest van Europa. Een half jaar na onze Kamerverkiezingen in 2017 behaalde AfD 13 procent van de stemmen voor de Duitse Bondsdag, een grote schok.

En ook van Spanje tot Noorwegen en van Italië tot Finland is het niet ongebruikelijk dat rechts-populisten 15 tot 30 procent van de stemmen halen. In Polen (44 procent) en Hongarije (67 procent) vormen ze het hart van regeringen die hun landen gestaag transformeren in autoritaire staten. Zowel in Nederland als in andere landen zijn populisten gedaald in de peilingen sinds de coronapandemie, maar politiek-historisch onderzoek wijst juist uit dat populistische partijen kort na crises aanzienlijk kunnen winnen.

Deze opmars van deze uiteenlopende verzameling figuren en partijen die we voor het gemak ‘populisten’ noemen, is niet los te zien van een andere ontwikkeling: de gedaanteverwisseling die het liberalisme heeft ondergaan in de afgelopen decennia. In de negentiende eeuw was het liberalisme een radicale politieke agenda voor zoveel mogelijk vrijheid, sociale rechtvaardigheid en zeggenschap voor zoveel mogelijk mensen.

Die traditie beleefde haar gloriejaren rond 1900. Ze droogde grotendeels op in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, toen ‘liberalisme’ meer en meer een etiket werd voor rechts-conservatieve partijen als de VVD. Uiteindelijk stolde het in de gevleugelde woordcombinatie ‘liberale democratie’, die na de val van de Muur in 1989 in heel Europa een verwijzing werd naar het bestaande politieke systeem.

Gevestigde partijen

Liberalisme ging zo staan voor de vrijheden en rechten die zijn vastgelegd in instituties in westerse landen en waaraan sociaal-democraten en christen-democraten even goed een bijdrage hadden geleverd. Liberalisme verwerd zo tot de communis opinio van een politieke klasse die zich ophoudt in die instituties en in gevestigde partijen, van VVD en D66 tot PvdA, CDA en zelfs GroenLinks. Het werd het gemarkeerde speelveld van de politiek: binnen de lijnen konden verschillende posities ingenomen worden, maar nooit ver daarbuiten.

De ideeënstrijd doofde uit en er kwam in de jaren tachtig een hang naar technocratische en gedepolitiseerde besluitvorming. De Ierse politicoloog Peter Mair bracht in Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy (2006) in kaart hoe het politieke domein onder invloed van dit sentiment steeds verder werd ingekaderd en uitgekleed door politieke vraagstukken in handen te leggen van experts, die beter in staat zouden zijn langetermijnbelangen te bewaken, of markten, die efficiënter zouden zijn.

De Britse historica en politicologe Katrina Forrester observeerde dat in de hedendaagse ‘liberale visie’ politiek zodanig is uitgekleed, dat de alledaagse vraagstukken waar mensen mee worstelen nota bene steeds vaker door politici zelf niet als ‘onderdeel’ van de politieke besluitvorming worden beschouwd. De verantwoordelijkheid daarvoor is immers gedecentraliseerd, geprivatiseerd of op afstand geplaatst. Wie geen huis kan vinden, krijgt van een politicus eerder een uitleg over hoe de woningmarkt werkt dan een oplossing voor zijn probleem.

Aanzwellende kritiek

Kortom: liberalisme is synoniem geworden voor de status-quo van het westerse politieke systeem, inclusief zijn tekortkomingen. En dat is precies waar de kritiek nu aanzwelt: het huidige liberalisme staat met lege handen, of het nu gaat om de groeiende sociale, economische en regionale ongelijkheid en achterblijvende lonen, om vervreemding door globalisering, of om een onmachtige overheid die niet langer in staat lijkt de grote vragen van onze tijd te beantwoorden. Of dat nou is omdat ze de ordeningsmacht is verloren, of omdat politici deze grote vragen buiten de politieke orde hebben geplaatst.

De meest zichtbare vertolkers van het ongemak hierover zijn populistische partijen. Hun luidkeelse kritiek op elites, migratie en de Europese Unie is een aanval op de instituties en waarden van de liberale democratie, zoals rechtsstatelijkheid en het gelijkheidsbeginsel. Maar als we alleen oog hebben voor deze uitingen, miskennen we dat de opkomst van het populisme een gevolg is van iets anders: het tekortschieten van de gevestigde liberale politieke orde; iets dat ook geïllustreerd wordt door het feit dat een politicus als Pieter Omtzigt op een haar na leider werd van een klassieke bestuurderspartij als het CDA.

Gevestigde partijen slagen er niet in een eigenstandig antwoord te formuleren op deze uitdagingen. Er is een stroom aan literatuur ontstaan die omschrijft hoe ‘liberalen’, als synoniem voor gevestigde middenpartijen, ideologisch blind blijven voor wat er zich voltrekt in westerse democratieën. Zo stelden politicologen Ivan Krastev en Stephen Holmes in hun vorig jaar verschenen The Light that Failed dat liberalen „zo overtuigd [zijn] geraakt van hun wereldbeeld dat ze zich niet afvragen of het werkt voor iedereen”.

De befaamde Britse denker John Gray schreef in het essay ‘Liberalism: the other God that faileddat de strijd tegen het populisme vooral een teken is van het gebrek aan eigen richting dat het liberale project tegenwoordig kenmerkt. En de al aangehaalde Katrina Forrester betoogde dat het liberalisme niet langer een ideologie is die de politieke realiteit van vandaag kan begrijpen en omschrijven, „anders dan als een aanval op zichzelf”.

Lees ook
De samenleving waar populisten naar verlangen is onhaalbaar
De nationaal-populistische politicus Marine Le Pen.

De vlag van ‘fatsoen’

Inderdaad zien gevestigde partijen rechts-populisten als politieke tegenstanders die bestreden moeten worden. Ze proberen populistische politici buiten de politieke orde te plaatsen, door middel van een cordon sanitaire of door een tweestrijd aan te gaan onder de vlag van ‘fatsoen’, ‘redelijkheid’ en ‘verstandige politiek’. D66 en andere progressieve partijen positioneren zich graag tegenover Geert Wilders of Forum. Centrum-rechtse partijen nemen stukjes en beetjes over van de agenda van populisten. Een recent voorbeeld is de controversiële deal over de vluchtelingen uit Moria. Voor zowel links als rechts geldt dat ze populisme blijven zien als storing op de zender, iets wat ze niet helemaal begrijpen en wat er eigenlijk niet zou moeten zijn.

Na twee decennia symptoombestrijding moeten gevestigde partijen zich gaan afvragen waarom de aantrekkingskracht van het populisme onverminderd sterk blijft en politiek gaan bedrijven op een manier die de grondoorzaken hiervan adresseert. Dat betekent niet het overnemen van de halve agenda van rechts-populisten, maar wel radicale zelfvernieuwing.

Dat gaat in de eerste plaats om een afrekening met het stilstaande liberalisme van de afgelopen decennia. Inspiratie daarvoor is te vinden bij de oude traditie van het liberalisme, die radicale politieke filosofie van vrijheid en gelijkheid van eind negentiende eeuw. Ook toen maakte het liberalisme een periode van zelfvernieuwing door.

Jonge liberalen braken met hun tevreden voorgangers. Ze wezen naar maatschappelijke misstanden zoals woningnood, gevaarlijke werkomstandigheden en een gebrek aan sociale emancipatie, die volgens hun niet meer konden worden verholpen met een verwijzing naar individuele vrijheid alleen. Het liberale streven naar vrijheid en zelfbeschikkingsrecht werd zo een ideaal gericht op emancipatie en bescherming, met een belangrijke rol voor de overheid. Het draaide niet meer slechts om bezit van de enkelen, maar om het beschermen van de rechten van allen.

Lees ook
Jan-Werner Müller pleit voor een nieuw liberalisme, dat niet is voorbehouden aan ‘winnaars’
Jan-Werner Müller: „Het liberalisme heeft zich te veel op sleeptouw laten nemen door krachten die we ‘neoliberaal’ noemen.”

Stevige politieke ambities

Dat lijkt verdacht veel op wat nu nodig is: een liberalisme dat de aanval inzet. Niet op de populisten, maar op bestaande onrechtvaardigheden in de samenleving. „Liberalisme”, zei politiek wetenschapper Jan Werner Müller recent in NRC, zou „iets waardevols moeten zijn voor mensen die het moeilijk hebben, die het meeste risico lopen slachtoffer te worden van willekeur en machtsmisbruik”. Nu de gevolgen van de coronapandemie ongelijkheid in de kaart spelen, is het moment daar om stevige politieke ambities te formuleren. Bijvoorbeeld door te streven naar een nieuwe basis voor vrijheid, gericht op het bestrijden van de groeiende bestaansonzekerheid van steeds meer mensen.

Zelfvernieuwing moet ook gaan over de wijze van politiek bedrijven. Politiek heeft behoefte aan ideeënstrijd, en die moet niet langer worden gesmoord door te spreken van ‘verstandig beleid’ of ‘effectiviteit’, of worden platgeslagen tot een tweestrijd tussen ‘redelijkheid’ en ‘schreeuwers’. Dat vraagt om een andere politieke houding en meer oog voor de belevingswereld van mensen.

Ook een fundamentele hervorming van de democratie is nodig. Directe inspraak en tegenmacht moeten voorkomen dat politiek het terrein is van een relatief klein gezelschap hoger opgeleiden dat graag kiest voor depolitisering als antwoord op politieke vragen. Een van de grote uitdagingen van de komende tien jaar is hoe politieke partijen zélf deze transformatie kunnen doormaken, door mensen aan zich te binden die niet vanzelfsprekend worden gerekruteerd uit een groep usual suspects.

De populariteit van rechts-populisten hoeft niet te betekenen dat hun ideeën de nieuwe maat der dingen zijn. Gevestigde middenpartijen die liberale waarden hoog in het vaandel hebben, kunnen nog altijd de toekomst naar hun hand zetten. Maar om dat te doen moeten ze eerst afrekenen met de oude vormen en gedachten. Het is tijd om niet het populisme, maar de oorzaken van het populisme te verslaan.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in

Artikel delen

Deel artikel-link via je favoriete social media platform.