Foto Merlijn Doomernik

Interview

De ontdekker van het rietsplijtmondje

Anneke van der Putte | paddenstoelenkenner De stuifzwam heette ooit boveest, ‘wind van een rund’. Anneke van der Putte promoveerde op naamgeving van paddenstoelen.

Halverwege een grashelling in het Nijmeegse Kronenburgerpark ligt een grote, witte bal. „Gisteravond was-ie veel kleiner!” roepen twee mannen boven aan de helling met lege bierblikjes tussen zich in.

Anneke van der Putte (70) knikt. „Reuzenbovisten staan erom bekend dat ze in korte tijd heel groot kunnen worden, tot bijna een halve meter in doorsnede. En sowieso groeien veel paddenstoelen razendsnel, na een regenbui schieten ze soms in één nacht uit de grond. Dat heeft ook bijgedragen aan het mysterieuze imago dat ze vroeger hadden. Niemand wist waar ze vandaan kwamen.”

Tot een jaar of vijftien geleden was ze nooit zo geïnteresseerd in paddenstoelen, zegt Van der Putte. „Ik hield wel van de natuur, maar paddenstoelen vond ik toch een beetje eng.” Liever keek ze vogels. „Maar mijn ogen gingen achteruit. En dan is het handig dat paddenstoelen niet wegvliegen, zodat je ze rustig kunt bestuderen.”

Haar liefde voor paddenstoelen groeide zelfs zodanig dat ze eind september op het onderwerp promoveerde, aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Met een achtergrond in Latijnse en Griekse taal- en letterkunde schreef ze een proefschrift met een etymologische insteek: over de paddenstoelennaamgeving in Nederland tussen 1200 en 1900. Daarover was weinig bekend: „De meeste paddenstoelennamen die we nu kennen zijn pas na die tijd ontstaan. In 1913 kwam Het Paddenstoelenboekje uit. Daarin riepen de auteurs, Cool & Van der Lek, hun lezers op om „een geschikten naam” voor elke paddenstoel te bedenken. Daaraan hebben we nu bijvoorbeeld de naam eekhoorntjesbrood te danken, voor de eetbare paddenstoel Boletus edulis.”

Waarom heten paddenstoelen eigenlijk paddenstoelen?

„In het verleden waren er diverse namen in omloop, zoals het Zuid-Nederlandse campernoelie. Andere benamingen waren minder neutraal: paddenbrood, paddenhoed, duivelsbrood. Daarin hoor je het wijdverspreide bijgeloof van destijds terug. Uiteindelijk is paddenstoel de meest gangbare term geworden, al is die enigszins misleidend. Paddenstoelen zijn strikt genomen alleen de vruchtlichamen van een ondergrondse zwamvlok, het mycelium. In goede – natte – jaren vormt die zwam paddenstoelen, in andere jaren niet. Maar dan zijn onder de grond dus nog wel de schimmeldraden aanwezig.”

En de reuzenbovist, hoe kwam die aan zijn naam?

„Bovist is de Latijnse naam die voor veel soorten met een bolle vorm gebruikt wordt. In de achttiende eeuw raakte de Nederlandse vertaling daarvan, boveest, in onbruik, omdat in die tijd de botanicus Martinus Houttuyn het een onbetamelijke naam vond – boveest betekent letterlijk uit het Grieks vertaald ‘wind van een rund’. En dus kwam hij met een alternatieve naam: stuifzwammen. Van die paddenstoelen waar je, als ze rijp zijn, op kunt springen waardoor er een hele sporenwolk uit tevoorschijn komt.”

We lopen verder, naar een bruine zwam met witte rand aan de voet van een beuk. Van der Putte, enthousiast: „Kijk wat een mooie tonderzwam! ‘Banet’ noemden ze die in de dertiende eeuw ook wel, met een Vlaams woord voor tondel. Want in gedroogde vorm werden tonderzwammen wel gebruikt voor het aanmaken van vuur.” Paddenstoelen zijn door de eeuwen heen voor van alles gebruikt, vertelt ze. „Zo was al sinds de Griekse en Romeinse oudheid de paddenstoel Agaricus populair – een boomzwam, vermoedelijk de larikszwam. Agaricus zou een geneeskrachtige werking hebben en zou zuiverend werken, en werd tot in de twintigste eeuw nog in apotheken gebruikt. Maar de werking bestond waarschijnlijk vooral uit overgeven en diarree.”

De bovisten waren populair onder imkers, omdat ze bij verbranding een sterke rook verspreidden die honingbijen bedwelmde: zo kon de honing makkelijk uit de raten worden verwijderd. „En de botanist Clusius schreef in 1601 al dat ze in zijn jeugd op school al voetbalden met reuzenbovisten. Dan deden ze wedstrijdjes wie ze het verst kon wegschoppen.”

En op culinair gebied? Aten mensen vroeger paddenstoelen?

„Zeker, maar niet heel veel. Ik heb voor mijn proefschrift botanische, geneeskundige én culinaire naslagwerken geraadpleegd, en al in 1612 is er bijvoorbeeld een paddenstoelenkookboekje gepubliceerd. De zeventiende-eeuwse botanist Franciscus van Sterbeeck was de eerste die uitgebreid in het Nederlands over het eten van paddenstoelen schreef. Volgens hem werd het een gewoonte rond 1620, toen Italiaanse handelaars onder andere gedroogde morieljes aanvoerden.

„De uitvinding van de microscoop in de zeventiende eeuw zorgde er voor dat mensen veel meer kennis kregen over paddenstoelen en de voortplanting ervan. Toen eenmaal bekend was dat de voortplanting via sporen verliep, werd dat de sleutel tot de champignonteelt.”

Was het volksvoedsel of een exquise gerecht?

„Het eten van paddenstoelen – hoofdzakelijk morieljes en champignons – was voor zover we weten iets dat vooral de rijken deden. Niet iedereen was trouwens te spreken over de smaak: de zestiende-eeuwse dichter Petrus Hondius noemde het ‘slymich duyvelsbroot’.”

Soms kregen paddenstoelen een naam op basis van hun eetbaarheid, vertelt ze tijdens het eten van een boterham („Tegenwoordig was ik niet meer direct mijn handen na het aanraken van een paddenstoel. Gevaarlijk zijn giftige soorten meestal pas als je ze echt opeet...”). Zo waren er diverse soorten die woorden als ‘kruidig’ of ‘soetachtigh’ in hun naam hadden, of juist ‘doodelijcken’ of ‘fenijnighe’. „Maar het kon bijvoorbeeld ook zo zijn dat een paddenstoel werd beschreven op basis van zijn uiterlijk – ‘bolvormig’, ‘melkkleurig’ – of van zijn functie.”

Ook in de wetenschappelijke naam zijn er verwijzingen naar bijvoorbeeld eetbaarheid. Boletus edulis betekent ‘eetbare boleet’. En de stinkzwam Phallus impudicus – onbeschaamde fallus – zegt iets over zijn vorm. „In Nederland werd vroeger ook wel gesproken van de stinkschacht, maar rond 1900 raakte die naam in onbruik omdat hij te aanstootgevend zou zijn …”

Je zit in een commissie voor de naamgeving van nieuwe soorten. Hoe gaat dat in zijn werk?

„Meestal zal de ontdekker een voorstel voor een Nederlandse naam indienen. Die naam verwijst zoveel mogelijk naar onderscheidende kenmerken. Vaak ontstaan er prachtige, poëtische namen, zoals het priemharig sparrenborstelbekertje en het korrelsporig spikkelschijfje. In 2016 heeft onze commissie de Lofprijs der Nederlandse Taal gekregen, vanwege de bijdrage aan de taalverrijking.”

Heb je zelf nieuwe soorten ontdekt?

„Ja, een paar heel kleine soorten, onder andere het ongesnaveld schaafstrovulkaantje, het rietsplijtmondje, en de meidoornbladkringenzwam.”