Recensie

Recensie Boeken

Wat gist er precies in het hoofd van Edgar Degas?

Arthur Japin Overdaad schaadt: de research die Arthur Japin deed voor zijn op waarheid gebaseerde verhaal over schilder Edgar Degas neemt nogal eens de boel over. Smeuïg vakmanschap met een randje kitsch, dat niet zelden te dik wordt.

Een zelfportret van Edgar Degas uit 1863.
Een zelfportret van Edgar Degas uit 1863.

Striae! Puisten! Okselhaar! Echte vrouwen wilde Edgar Degas (1834-1917) afbeelden, geen godinnen. In Mrs. Degas, de nieuwe roman van Arthur Japin (1956), verwoordt de schrijver dat zo: ‘Dat zogenaamde ontzag van mannen voor de andere sekse is niet bedoeld om vrouwen te verheffen, maar om ze te laten weten waaraan zij dienen te voldoen, om ze te laten weten hoezeer ze daarin altijd en onvermijdelijk tekortschieten. Het maakt ze onzeker.’

Deze uiteenzetting gaat nog een hele tijd door – op een woord meer of minder kijkt Japin niet. En keer op keer zegt Degas hetzelfde. Zijn opvatting over ‘geïdealiseerd naakt’ berust, volgens het nawoord bij de roman, op waarheid. Toch geloof je de dialoog waarin hij dit aldoor zegt, geen moment. Zijn antwoorden op de vragen en meningen van zijn vlotte broer René – ‘dan geef je de mensen toch een keertje wat ze willen, Eddy!’ – zijn oeverloos lang. Dat wordt houterig. En saai.

Het kan niet op, bij Arthur Japin, niet in de dialogen, maar ook niet in de vergelijkingen. In het atelier van Degas slingeren ‘bontbevlekte doeken’ rond en staan kwasten ‘als boeketten in vazen bijeen’. Dat is beeldend, maar Japin gaat dóór: ‘hun schoongewassen glanzend marterhaar op stijfhouten stengels als donzige bloemen uitgespreid’. Alsof je het niet al voor je zag. Zo’n potsierlijk uitgebouwd beeld schiet alsnog zijn doel voorbij.

De verhaallijn in Mrs. Degas, over een gefnuikte liefde en de offers die de kunst vraagt, mag er best wezen. De gekozen vorm – een onbekende dient zich als hulp aan bij de oude, blinde schilder en blijkt van alles te weten, hoe kan dat en waar is ze op uit – is wel spannend.

Smeuïg

Japin schreef, een voor hem gebruikelijk procedé, een vertelling rondom een historische werkelijkheid, rondom feiten. Hij haakt aan bij wat bekend is over de schilder en zijn opvattingen, maar verwerkt ook (de schepping van) bekende schilderijen in zijn vertelling. Dat is goed gelukt. De invulling die bijvoorbeeld het bekende ‘Zelfportret, groetend’ uit 1865 krijgt is een vondst. Wie zwaait Degas daar zo minzaam uit?

Edgar Degas heeft een kop waarin het ‘gist’, aldus Japin. Toch laat hij van dat interessante gegist uiteindelijk maar weinig zien; hij benoemt het eerder dan dat hij het in het personage vervat. Delen van de roman komen over als het etaleren van kennis, opgedaan tijdens de research. Er is zelfs een uitweiding over wat Degas naliet: deelnemen aan Manets Salon der Geweigerden. ‘Vanzelfsprekend steunde Edgar hem en al zijn vrienden in hun opstand tegen de Academie, maar au fond stond hij erbuiten.’ Dan had het au fond hier ook onvermeld kunnen blijven. Het personage Degas doet ongetwijfeld wel meer niet.

Het verhoudt zich vreemd tot de smeuïge passages die er heus ook zijn. Dat is vakmanschap met een lekker randje kitsch, vergelijkbaar met het werk van Thea Beckman. Maar telkens weer wordt die rand kitsch toch te dik: ‘[H]aar hart [wist] de waarheid, voordat haar oren het hoorden.’ Of, bij een museumbezoek van Degas en een jonge nicht: ‘Zij hadden tijd nodig; zij om tot zich door te laten dringen hoe onvergankelijk de eenvoud van eeuwen is, hij om moed te vinden voor het plaatsen van een eerste lijn op een zo onbeschreven blad’ – pff, kom op hé!