Recensie

Recensie Boeken

Waarom de Britten stevig vasthouden aan een mythe

Bondgenootschappen De Britten geloven graag een gelijkwaardige partner te zijn van de Amerikanen. Tegen beter weten in, toont Ian Buruma in zijn nieuwe boek. (●●●●)

De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en de Britse premier Winston Churchill na afloop van de Conferentie van Casablanca, 1943.
De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en de Britse premier Winston Churchill na afloop van de Conferentie van Casablanca, 1943. Bettmann

Alweer een boek van Ian Buruma en alweer is het a good read. De afgelopen veertig jaar was deze auteur, in 1951 geboren als zoon van een Nederlandse vader en een Brits-Joodse moeder, goed voor zo’n twintig titels, in het Engels geschreven en menigmaal internationaal bekroond. Hij is een man van de grote greep, een generalist die in de Aziatische wereld even goed thuis is als in de westerse. Met speelse hand legt hij verbanden tussen geschiedenis en actualiteit, tussen politiek en cultuur.

Zijn nieuwe boek, Het Churchillcomplex, is een geschiedenis van de Engels-Amerikaanse relatie sinds de Tweede Wereldoorlog. Over dit onderwerp is al heel wat geschreven. Nieuw is de wijze waarop Buruma het verhaal vertelt: met een scherp oog voor machtsverhoudingen, een fijne neus voor politieke finesses en vooral een intense aandacht voor de menselijke factor.

Raak geestig portret

Alle hoofdrolspelers, van Franklin Roosevelt en Winston Churchill tot Donald Trump en Boris Johnson, krijgen een raak en vaak geestig portret. Ook de typeringen van bepaalde episodes in de Engels-Amerikaanse verhouding mogen er zijn, zoals deze over de jaren zestig: ‘De Britten exporteerden muziek, haardracht en mode naar de Verenigde Staten en importeerden de Amerikaanse protestcultuur: het gegiechel ging de ene kant op, de woede de andere’.

Buruma heeft een zeer persoonlijke toon, prettig laconiek, soms op de rand van frivool. Dan wekt hij, mogelijk onbedoeld, de indruk dat de politieke elite in Engeland en Amerika voor een flink deel bestond (en bestaat) uit ijdeltuiten, dwaallichten en brekebenen. Maar het is zeker niet zo dat deze auteur zijn onderwerp niet serieus neemt.

Hij wil in dit nieuwe boek ‘de ontwikkeling en erosie van een idee, de Anglo-Amerikaanse mythe’ beschrijven. Winston Churchill bracht dit denkbeeld in de wereld toen hij tijdens de Tweede Wereldoorlog de term Special Relationship introduceerde.

Amerika en Groot-Brittannië waren als Engels-sprekende naties voorbestemd, aldus de grote staatsman, om zij aan zij de idealen van vrijheid en democratie te verdedigen en te verspreiden. Deze zogenaamde Bijzondere Relatie berustte volgens Buruma op een illusie, in de wereld gebracht en daarna tegen beter weten in gekoesterd door de Britten. Volgens dit ‘Churchillcomplex’ geloofden zij, en geloven zij vaak nog steeds, als gelijkwaardige partner met de Amerikanen te kunnen optrekken.

Ja-knikkende satelliet

De werkelijkheid van de machtsverhoudingen, aldus Buruma, laat een Britse afhankelijkheid zien die tijdens de Tweede Wereldoorlog al pijnlijk duidelijk was en sindsdien telkens weer werd onderstreept. Groot-Brittannië maakte zichzelf na 1945 wijs dat het dankzij de Special Relationship een belangrijke speler bleef in de mondiale verhoudingen, die echter werden bepaald door de tegenstelling tussen de twee supermogendheden Amerika en de Sovjet-Unie. Voor de Britten was, in de ogen van de Amerikanen, een rol weggelegd als ja-knikkende satelliet. Toen president Clinton (1993-2001) werd gevraagd hoe groot de betekenis was van de Special Relationship, viel hij bijna van zijn stoel van het lachen.

In 1941 hadden Roosevelt en Churchill het initiatief genomen tot het Atlantisch Handvest, een document dat pleitte voor vrijheid, democratische zelfbeschikking en internationale samenwerking. Stond ook deze belijdenis aan gemeenschappelijke waarden op te gespannen voet met de realiteit? Buruma lijkt die vraag bevestigend te beantwoorden. In de naoorlogse periode, aldus de auteur, werden militaire interventies uitgevoerd, van Suez (1956) tot Irak (1991 en 2003) die weinig tot niets met de verspreiding van democratie te maken hadden.

Twee zielen

Waren alle steunbetuigingen aan de mooie idealen dan niet meer dan lippendiensten? Of lag het toch ingewikkelder? Twee zielen, zo blijkt, schuilen in de borst van Buruma. Aan de ene kant wil hij laten zien dat de democratische missiedrang van Britten en Amerikanen op een mythe berustte, net als het Britse idee over de gelijkwaardigheid tussen deze twee naties. Maar aan het eind van zijn boek schrijft hij dat met Donald Trump en Boris Johnson ‘een radicale breuk wordt voltrokken met de naoorlogse periode die door Churchill en Roosevelt is vormgegeven’. Dat oordeel roept dan wel de vraag op hoe schadelijk het kan zijn om iets af te breken dat toch al niet veel voorstelde. Buruma komt er niet helemaal uit, wat niet wegneemt dat Het Churchillcomplex een mooi boek is.