Overgrote deel kinderporno staat op servers van vier bedrijven

Kinderporno Het ministerie van Justitie en Veiligheid publiceert namen van internetbedrijven met veel kinderporno op hun servers. Minister Grapperhaus overweegt verdere maatregelen.

Veel, maar niet alle hostingbedrijven werken goed mee aan het verwijderen van kinderporno.
Veel, maar niet alle hostingbedrijven werken goed mee aan het verwijderen van kinderporno. Foto Roos Koole/ANP

Op servers van vier Nederlandse hostingbedrijven staat bijna alle in Nederland gemelde kinderporno. Dat blijkt uit de donderdag gepubliceerde kinderpornomonitor van de Technische Universiteit Delft, die op verzoek van het ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek doet naar de digitale opslag van kinderpornografisch materiaal.

Onderzoekers van de universiteit volgden sinds januari alle meldingen van kinderpornografische materiaal die binnenkwamen bij het Expertisebureau Online Kindermisbruik (EOKM). Van de ruim 185.000 geverifieerde meldingen werden bijna 175.000 teruggevonden op websites die op servers van het Nederlandse hostingbedrijf NForce stonden. Ongeveer 4.500 meldingen werden herleid tot servers van de hostingbedrijven KnownSRV en IP Volume - de nummers twee en drie op de ranglijst.

Naming-and-shaming

De publicatie van de ranglijst door minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) is onderdeel van de naming-and- shaming-aanpak van het kabinet. Ict-bedrijven zijn volgens Grapperhaus aan zet in de strijd tegen online kinderporno. Politie en Openbaar Ministerie moeten de handen vrij hebben voor preventie en de bestrijding van het daadwerkelijke kindermisbruik.

Lees ook: Hostingbranche gevraagd mee te werken aan bestrijding kinderporno

Grapperhaus sprak in 2018 met de ict-sector af dat het materiaal 24 uur na de melding bij het EOKM verwijderd moet worden. Zeventien hostingbedrijven ontvingen deze zomer een waarschuwing van de minister. De „lakse en foute ict-bedrijven” kregen nog twee maanden om de norm te halen. Slaagden zij er niet of onvoldoende om te verbeteren dan zou Grapperhaus, daartoe aangespoord door een motie van Kamerleden van VVD en GroenLinks, de ranglijst publiceren.

Nederland kent vanwege de goede digitale infrastructuur relatief veel hostingbedrijven. Zij verhuren hun servers door aan anderen in binnen- of buitenland, die soms ook wéér onderverhuren. Veel van de kinderporno wordt uiteindelijk aangetroffen op websites waar mensen plaatjes met elkaar kunnen delen, zogenaamde image hosts. Het is daarmee niet gezegd dat de website-eigenaren, of de eigenaren van de servers waar de websites op staan, bewust het delen van kinderporno faciliteren.

84 procent is niet genoeg

Het grote deel van de sector werkt mee, schrijft Grapperhaus. Uit het onderzoek van de TU Delft bleek dat 84 procent van het gemelde materiaal binnen 24 uur verwijderd werd. „Dat is een begin, maar nog niet genoeg”, stelt Grapperhaus in een persbericht. „Het doel is een schoon internet zonder kinderpornografisch beeldmateriaal, niet een grijstint daarbij in de buurt.”

Ook Nforce probeert mee te werken, maar omdat het om „extreem veel” kinderpornografisch materiaal gaat, blijft veel materiaal toch online staan, schrijft Grapperhaus in een Kamerbrief. „Uiteindelijk telt de hoeveelheid beeldmateriaal dat op internet beschikbaar blijft, want dat bepaalt de impact in onze maatschappij.”

Anders ligt het voor het hostingbedrijf IP Volume. Dat bedrijf weigerde in te gaan op de meldingen vanuit het EOKM en reageerde alleen op berichten van de politie, vertelt EOKM-directeur Arda Gerkens, die het bedrijf „een schoolvoorbeeld van een bad hoster” noemt. „IP Volume heeft onze e-mailadressen geblokkeerd. Dan zeggen ze dat we via de website zaken kunnen melden, maar dan kunnen we vanwege allerlei technische belemmeringen maar vijf ip-adressen per uur melden.” Het ministerie van Justitie en Veiligheid waarschuwt dat „bij toekomstige metingen expliciet naar deze hoster wordt gekeken om de prestaties beter in de gaten te kunnen houden.”

Grapperhaus overweegt „een wettelijke zorgplicht” in te voeren, zodat hosters ook aan de voorkant optreden tegen online kindermisbruik. Ook overweegt hij een aparte toezichthouder aan te stellen. „Hosters moeten ervan doordrongen zijn dat ze een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben om kinderen online te beschermen tegen misbruik.”