Hoe Grieks mijn leven redde

Klassieken Niet alleen in de pandemie is de Griekse literatuur een anker, vindt schrijver Herman Stevens.

Foto Serdar Yagci/ Getty Images

Op de basisschool kon ik mijn naam in Griekse letters schrijven. Wanneer ik als tienjarige buiten speelde, waren in mijn verbeelding de Griekse goden nooit ver, net als in de mooi geïllustreerde kinder-Homerus die ik had, een Gouden Reuzeboek waarvan ik na al die jaren het enige overlevende exemplaar lijk te hebben.

Toch ging ik na de basisschool niet naar het gymnasium. In een zomervakantie gingen mijn ouders uit elkaar en het hoofd van de school vond dat een kind uit een gebroken gezin niet te hoog moest mikken. Mijn ouders hadden het te druk met zichzelf om zich tegen dit advies te verzetten. Het waren de jaren zestig. De jaren van het touwtje uit de brievenbus, maar ook een tijd van een verstikkend wederopbouw-conformisme, zeker buiten de grote stad.

Tot mijn achttiende bezocht ik een groot aantal scholen, maar ik hoefde zelden huiswerk te maken. Zonder inspanning ging ik ook over. Begerig keek ik naar de boeken Grieks en Latijn die een vriendinnetje op haar kamer had liggen. Voor haar eindexamen gymnasium las ze stukken uit Plato’s Politeia, ook wel bekend als De staat, een titel die voor mij altijd grote aantrekkingskracht heeft gehouden omdat die toen onbereikbaar was.

Na ontvangst van een havo-diploma waarmee ik nooit iets heb gedaan, zonderde ik me in de jaren zeventig af in een afbraakhuisje in Delfshaven in Rotterdam. Ik had wat uitzendbaantjes en ik kocht oude schoolboeken om mezelf Grieks en Latijn te leren. Rijtjes stampen, oefeningen maken en dromen hoe het zou zijn wanneer ik me die geheimtaal had eigengemaakt. De woningen om me heen werden deur na deur dichtgetimmerd, sommige dagen zag ik alleen het kassameisje van een supermarkt, en ik was twee talen aan het leren die niemand meer sprak.

Jaren later zei een psycholoog dat ik mogelijk had gekampt met een depressie, maar zij had niet door dat afzondering net zo’n belangrijke behoefte is als gezelschap. Die jaren behoren tot de mooiste van mijn leven, een goudmijn die ik nog vaak bezoek, want de wenkende verten van het Grieks redden mijn leven.

Geheimtaal

Na een paar jaar schreef ik me in op een avondgymnasium, want ik wilde geen onbeholpen autodidact worden. De klas was klein, vijf leerlingen, de leraar Grieks was op het randje van zijn pensioen. Zijn vader en grootvader waren ook classici geweest. Hij draaide zelf zijn sigaretten, hij rookte in de klas en zijn ogen werden vochtig als hij Vergilius citeerde. Ik had les in een statig gebouw waar ik tien jaar eerder in de eerste klas had gezeten, aan het begin van mijn reis door het onderwijs.

Aan krabbels in oude schoolboekjes kon ik zien hoe ver gymnasiasten in de jaren zestig kwamen. Die hadden na zes jaar hele lappen Homerus en Vergilius in hun hoofd. Als ik zo ver wilde komen, en verder, moest ik naar de universiteit.

Leiden was een vreemde keuze voor iemand die schrijver wilde worden.

Lees ook: Pak eens níét dat gemakzuchtige boek, schreef Herman Stevens eerder dit jaar.

Studenten met literaire aspiraties gingen naar Amsterdam, waar je de straat maar hoefde over te steken en je kon aanbellen bij een uitgeverij. Maar Leiden had een lange lijn van classici die de literatuur ingingen. Piet Gerbrandy zat een paar jaar vóór mij, Ilja Pfeijffer kwam aan in de maand dat ik afstudeerde.

In Leiden liepen toen nog twaalfdejaars rond, studenten die makkelijk een jaar voor een tentamen uittrokken en pas durfden te verschijnen als ze elke uithoek van het onderwerp hadden afgestoft. Er waren studenten die er nog een paar andere historische talen bij leerden. Er was het bekende gevoel van superioriteit dat elke groep nerds aankleeft. Zij kenden een oude, epische geheimtaal die ons iets vertelt over hoe het leven in elkaar zit.

De studie werd afgerond met twee mondelinge examens op de kamer van de hoogleraar. Eerst Latijn, dan Grieks. Zo’n eindexamen duurde uren en er waren studenten die jaren fulltime zaten te blokken, zonder nog college te lopen. Er waren studenten die afhaakten omdat ze de druk van zo lang alleen studeren niet aankonden.

Het vooruitzicht van drie uur alleen met de hoogleraar werd een schrikbeeld. In mijn huis zat een ouderejaars elke dag verkrampt achter haar bureau, rug naar de deuropening, haar rechterbeen om haar linkerbeen geslingerd. Ze nam later een baan waarvoor je helemaal geen klassieken nodig had.

Eindeloze leeslijst

Na vijf jaar studie begon ik zelf aan die eindeloze leeslijst. Ik had een kamer net buiten de Morspoort, een vriendin kwam elke avond kijken hoe het ging. Mijn tafel lag vol met boeken, want een tekst uit de Oudheid heeft altijd een paar hulpboeken nodig om de sluiers van de tijd weg te trekken. Elke tekst die de eeuwen heeft overleefd, heeft lange omzwervingen achter de rug, een reis van tweeduizend jaar, via de bibliotheek van Alexandrië en middeleeuwse kloosters, waarbij wel wat deuken en gaten zijn gevallen. De studie van die tekstgeschiedenis is een van de spannendste takken van de klassieke wetenschap.

Traditioneel komt een classicus na zijn studie voor de klas te staan, maar in mijn jaren waren maar weinig studenten leraar geworden. In de politiek werd gepraat over het opheffen van het gymnasium, een elitair instituut dat zijn langste tijd had gehad. Leraar worden leek geen veilige keuze. Ironisch genoeg dacht het publiek daar anders over, want sedertdien is het aantal gymnasiasten verdubbeld, er zijn gymnasia bij gekomen – en dan nog moet er in Amsterdam worden geloot. Gymnasiaal onderwijs is het favoriete schooltype geworden van hoogopgeleide ouders en hun kinderen. Wie nu klassieke talen studeert, is verzekerd van een baan in het onderwijs.

In precies zeven jaar studeerde ik af. Dat was toen vrij snel, ook al had ik hetzelfde onzekere perfectionisme als de eeuwige student. Ik was nog lang niet klaar!

In de Nederlandse literatuur tellen alleen nieuwe boeken. Naarmate mijn schrijverscarrière vorderde, schoven Grieks en Latijn verder naar achteren op de boekenplank. Ik las wat bij mijn werk paste. In mijn romans doorlopen personages vaak een zorgeloze schoolcarrière, want verder krijgen ze nog genoeg problemen op hun weg. Zoals het mij was vergaan, wilde ik niet nog eens op papier meemaken.

Onder handbereik

Op een dag in 2018 stuurde ik een nieuw boek naar mijn uitgever – en ik kreeg prompt een hartaanval, die mij na wat complicaties maanden in het ziekenhuis hield. Daar keerden mijn gedachten terug naar de geïllustreerde Homerus uit mijn kinderjaren. Die heldere wereld.

Mijn hart kon het nog niet opgeven, want ik had een jonge dochter en ik moest nog een paar boeken schrijven. En er was zo veel dat ik nog niet had gelezen! Er moesten ook mensen overblijven die de Griekse teksten lazen in hun pure staat.

Dat was het programma voor de rest van mijn leven. Toen ik weer thuis was richtte ik mijn boekenkast opnieuw in, met het Grieks en Latijn onder handbereik.

We denken vaak dat we na een zekere leeftijd niet meer zo goed kunnen leren. Het elastiek is uit onze hersens. We praten liever over vroeger dan dat we nieuw terrein opzoeken. Die luiheid had ik nog lang niet bereikt en ik had ook geen vroeger om naar terug te verlangen. Het leven werd nog steeds beter.

In mijn tienertijd had ik graag Orestes willen lezen, de tragedie waar de zoon van de vermoorde Agamemnon als een depri puber rondhangt, tot hij op het idee komt ook iemand te vermoorden, liefst de schone Helena. Het lukt hem alleen niet. Met veel moeite zocht ik het Grieks in mijn hoofd weer op, na bijna 25 jaar winterslaap. Vijf maanden lang was ik elke avond zoet met Orestes, ingebouwd in een fort van boeken, net als vroeger, alleen met een grotere intensiteit, want ik kreeg niet nog een kans om zoiets te lezen.

In januari waren er al geruchten over een om zich heen grijpende epidemie in China. Toen die eenmaal in West-Europa was aangekomen, zag ik alleen mijn dochter en mijn vriendin nog. ’s Avonds las ik Grieks. Dat was mijn quarantaine.

Ik begon aan Sophocles’ Antigone, de meest indrukwekkende tragedie uit de Griekse canon, over een meisje dat de wet trotseert en ter dood wordt veroordeeld. In haar bruidskleedje loopt ze naar haar graf, woedend over wat haar is aangedaan. Die woede, omlijst door duizelingwekkend mooie koorlyriek, is 2.500 jaar later nog steeds verpletterend. Antigone is de tekst die we voor buitenaardse wezens moeten klaarleggen zodat ze later kunnen zien waartoe de mensheid in staat was, waaronder ook onze wonderlijke drang tot zelfdestructie.

Wreder en primitiever

De pandemie heeft veel mensen naar de Griekse literatuur gebracht op zoek naar een anker. Online trekt een Zoom-opvoering van Oedipus Rex veel aandacht, en ook de andere treurspelen worden druk bekeken en heftig becommentarieerd.

We willen uit deze tijd stappen en er van buiten tegenaan kijken. In Oedipus speelt een plaag een belangrijke rol. Sophocles maakte een verwoestende epidemie mee toen Athene werd belegerd en alle burgers binnen de stadsmuren opgepropt zaten. De helft van de bevolking bezweek.

Wat maakt de Grieken de spiegel waarin we telkens weer kijken? Klassiek Griekenland was maar een klein land. De stad Athene was toen ongeveer zo groot als Groningen, altijd verwikkeld in domme oorlogen, net zo lang tot zij definitief werd verslagen.

Ingeklemd tussen de bergen, maar in wezen een zeevarend volk, zagen de Grieken de dingen groot. De figuren in de Ilias en in de grote treurspelen zijn altijd een maatje groter want hun gevoelens worden niet begrensd door schaamte. Zo is Antigone niet echt een figuur met wie je je kunt identificeren, want ze is spijkerhard: ze is een held. Niet in de moderne betekenis van ‘voorbeeld’, ze is iemand die geheel op zichzelf staat. Niets kan haar van haar lot afhouden. Dat is de ontroering.

Lang zijn de Grieken gezien als onze één-op-één voorvaders, omdat we vroeger zo weinig van hen wisten. Zo langzamerhand kunnen we zien hoe anders zij waren. Wreder en primitiever dan de serene marmeren beelden laten zien. Die tegenstelling zit al in de Ilias en dat maakte dat ik als kind werd aangetrokken door het Grieks. Ik wilde horen bij de vreemdelingen. De figuren die zich niet meteen laten kennen. Je moet eerst goed kijken.

Nu maakt corona van al onze vrienden vreemden, want we moeten afstand houden en maskers dragen. Intimiteit wordt een schaars goed. Er heerst een sfeer van het einde der tijden, waarbij de barbaren niet voor de poorten staan, maar overal op het internet: ze zijn al binnen.

Zo komen de Grieken vanzelf weer dichterbij, wanneer ik de avonden doorbreng in een vesting van boeken. Want ik moet nog zoveel lezen.

Herman Stevens (1955) is romanschrijver en essayist. Onlangs verscheen zijn nieuwe roman Chateau Désir.