Recensie

Recensie

Geminacht door de hoger opgeleiden, de culturele elite en de veelverdieners

Ongelijkheid Niet door meer kennis en scholing, maar door erkenning van het werk van minder goed opgeleiden kan volgens Michael Sandel ongelijkheid worden bestreden.

Een dakloze man in Los Angeles met zijn bezittingen in een boodschappenkar.
Een dakloze man in Los Angeles met zijn bezittingen in een boodschappenkar. Foto Jae C. Hong, File/AP

Michael Sandel is een van de bekendste publieke filosofen ter wereld, beroemd door een in een miljoenenoplage verkocht boek als What Money can’t buy (uit 2012) en door zijn uiterst levendige, gratis op internet te bekijken Harvard-colleges over moraalfilosofie. In zijn nieuwste boek buigt hij zich over de meritocratie. Ook dat boek kan weer op grote belangstelling rekenen – interviews in alle grote kranten. Terecht?

Eerst even wat meritocratie ook weer was. In een meritocratische samenleving wordt iedereen beloond naar inzet van talent. Wie slim is en hard werkt komt ver. Dat klinkt eerlijk: onderwijs, onderwijs, onderwijs als oplossing voor alle ongelijkheid! Maar het gevolg is dat mensen die minder makkelijk leren, te horen krijgen dat hun achterstand hun eigen schuld is. In een aristocratie kun je er niks aan doen wanneer je een knecht bent, je bent immers zo geboren. In een meritocratie ben je dan lui of dom.

Dit werd zestig jaar geleden voor het eerst scherp verwoord door de Engelse socioloog Michael Young in diens The Rise of the Meritocracy (1958). Sindsdien zijn er tientallen stevig onderbouwde boeken over verschenen. De kern is telkens dat als je verdienste te belangrijk maakt, de winnaars zelfvoldaan neerkijken op de achterblijvers.

Culturele elite

Sandel (1953) breekt nu de staf over de manier waarop Barack Obama, Bill Clinton en Tony Blair in de afgelopen twintig jaar hamerden op kennis en scholing als de manier om ongelijkheid te verkleinen. Door de ‘kenniseconomie’ als oplossing voor alle sociale problemen te noemen, hebben ze dat deel van de bevolking wrokkig laten worden dat niet doordringt tot de mooie universiteiten en daarmee ook niet tot de mooie banen.

Mensen met eenvoudig werk of zonder werk voelen zich geminacht door de hoger opgeleiden, de culturele elite en de veelverdieners. Ze kregen de laatste jaren steeds meer het gevoel dat het niet alleen hun eigen schuld is dat ze niet in een leaseauto rijden, maar ook dat de mensen die dat wel doen op hen neer kijken. En ook voor hun kinderen is er weinig uitzicht meer, want zonder stevig inkomen geen opleiding. Uit wraak stemmen ze dus Trump of Johnson – politici die bestaan bij de gratie van een harde tegenstelling tussen gewone mensen (‘verliezers’) en elite (‘winnaars’).

Respect

Er is veel te zeggen voor het argument dat Sandel probeert te ontwikkelen. Als we hechten aan sociale integratie, moet het minder gaan over geld verdienen en diploma’s en meer over het verlangen naar erkenning. Respect willen we immers allemaal. Sandel vertaalt dat door: meer erkenning voor werk als bijdrage aan de publieke zaak. Niet voor werk als een manier om geld te verdienen of werk als een middel om indruk te maken, maar erkenning voor de zorg voor kinderen of ouderen of voor het draaiend houden van fabrieken, omdat die allemaal ook bij de samenleving horen. Stoppen dus met mensen die het niet voor de wind gaat voorhouden dat ze moeten doorleren, bijleren of omscholen. Het is tijd om ze andere vormen van eer dan de doctorandustitel aan te reiken.

Sandel maakt daarbij natuurlijk ook de corona-shuffle, in elk non-fictie boek inmiddels onvermijdelijk. Hij zegt: we zijn door de pandemie weer gaan zien hoe belangrijk supermarktmedewerkers of verplegers zijn, laten we bespreken wat we voor hen over hebben. Als we dat publieke debat over de waarde van werk hebben, in plaats van alleen maar op economische groei te sturen, dan neemt de afstand tussen de winnaars en de verliezers af en wint de maatschappij.

Alleen wordt het uit het boek niet echt duidelijk waar de erkenning van werk precies een antwoord op is. Sandel stelt voor werk meer te laten lonen door de loonbelasting te laten dalen en meer belasting op consumptie en aandelen-speculatie te heffen. Dat past goed bij zijn grondtoon dat we eerst burgers zijn en dan pas consumenten, waarbij burgers overigens vooral kostwinners lijken te zijn. Maar je zou de nadelige kanten van de meritocratie ook kunnen ondervangen door een forse erfbelasting. Dan begint iedereen altijd op Start, en nemen drastische contrasten als gevolg van overgeërfde intelligentie of inboedel danig af.

Belachelijk idee

Maar dat vinden boze of ontevreden mensen misschien wel een belachelijk idee. Voelen ze zich inderdaad enkel gemarginaliseerd, zoals Sandel veronderstelt? Of stemmen ze vooral ongeveer zoals hun ouders ook al stemden, of omdat men niet zoveel van nieuwkomers moet hebben? Mogelijk maakt wat extra erkenning hen dan niet zoveel uit. Zijn al die boze mensen eigenlijk wel onder één noemer te scharen? En bereik je meer erkenning van werk niet ook door de grenzen flink dicht te houden tegen goedkope Chinese import, precies wat Trump ook wil?

Sandel gaat er allemaal niet echt op in en maakt daardoor weinig werk van het verband tussen een overwegend al bekende kritiek op de meritocratie en de opkomst van het populisme. Hij speelt vooral een thuiswedstrijd, door de neoliberale neigingen van inmiddels al wat oudere progressieve politici aan de orde te stellen, tekeer te gaan tegen de al veelbesproken excessieve welvaart onder hedendaagse miljardairs en daarna te pleiten voor meer publiek debat. Allemaal volkomen terecht, maar voor een toonaangevende meritocraat toch wat belegen.