Sandra Meeuwsen promoveerde in september op het proefschrift ‘Kritiek van de Sportieve Rede, een filosofische archeologie van de moderne sport’.

Foto Ilvy Njiokiktjien

Interview

‘Bij geweld, doping of seksueel misbruik kijken we liever weg. Maar die keerzijde hoort bij sport’

Sandra Meeuwsen Filosoof en oud-atleet Sandra Meeuwsen deed onderzoek naar de rafelranden van de sport. „In essentie heeft sport iets animaals, iets bruuts, maar dat wordt niet erkend.”

Het mes snijdt aan twee kanten in de sport. Successen worden gevierd en bejubeld, misstanden doorgaans verketterd. Sandra Meeuwsen dacht lange tijd ook in termen van goed en kwaad. Tot de filosoof in haar écht ontwaakte, ze een proefschrift schreef, dat laat zien dat de sport ook een beerput in zich herbergt waarin veel misgaat. En die zwarte kant moeten we accepteren, is haar stelling.

Meeuwsen (54) is na tien jaar broeden en haar promotie aan de Vrije Universiteit Brussel op basis van het proefschrift Kritiek Van de Sportieve Rede, een filosofische archeologie van de moderne sport aanzienlijk genuanceerder naar sport gaan kijken. „We moeten erkennen dat we een deel van deze praktijk niet kunnen managen. Daarom pleit ik voor overgave, net zoals Tourwinnaar Tadej Pogacar dat deed in die beslissende tijdrit van deze Tour. Hij liet alles los en bleek in staat extra krachten aan te boren, een verborgen potentieel.”

Als voormalig beleidsmedewerker van sportkoepel NOC-NSF, zelfstandig sportconsulent en oud-atleet beoordeelde Meeuwsen de sport decennialang als een gouden prestatiefabriek. Als afgestudeerd filosoof ontstond op den duur de behoefte te reflecteren op de rafelranden van dit bijzondere domein. Weg van de waan van de dag. Ze had een boekje kunnen schrijven, maar Meeuwsen prefereerde een wetenschappelijk verantwoorde aanpak. Ze draagt in haar proefschrift geen toolkit of oplossingen aan, maar geeft inzichten. Zelf noemt ze haar aanpak zoeken naar een gezonde evolutie van de sport. „Ik hoop iets te hebben blootgelegd waar de sport verder mee kan”, zegt ze.

Sport betekent veel voor Meeuwsen. Ze verdient er haar brood mee, maar sport heeft ook een diepe, persoonlijke betekenis. Het heeft haar leven gered, beweert ze. „In de jaren tachtig groeide ik op in Nijmegen, het Havana aan de Waal, een cynische periode met krakers en dergelijke, een wereld die mij niet aanstond. Tot ik op mijn achttiende atletiek ontdekte en tot leven kwam. Ik ben letterlijk het huis uitgelopen, heb de deur gesloten en een andere geopend. Door de sport leerde ik bescheiden te zijn, naar mijn lichaam te luisteren, mezelf te verzorgen en mijn verlies te nemen. Ik stopte als dertiger met het gevoel: ik heb alles geleerd, nu kan ik verder.”

Als metafoor voor misstanden in de sport gebruikt u de term beerput. Is het zo slecht gesteld met de sport?

„Ja, dat was een schokkend inzicht. Bij geweld, doping of seksueel misbruik kijken we liever weg, zeker in de sport. Er is te weinig oog voor de lelijke kant. Maar die keerzijde hoort ook bij sport. Het is geen kwestie van shit happens. In essentie heeft sport iets animaals, iets bruuts, maar dat wordt niet erkend. De lelijke kant wordt geneutraliseerd via spelregels, codes en tuchtrecht. Daarvan zeg ik: als je dat doet, weet je één ding zeker: dan escaleren de verdrongen krachten op een andere manier.”

Heeft de sport dan geen zelfreinigend vermogen?

„Te weinig. Sport is doorgeschoten tot een spektakelmachine. We codificeren met rapporten, akkoorden, campagnes of Verklaringen Omtrent Gedrag [VOG]. Ik noem dit de rituele sfeer, die is geëxplodeerd in de sport. Maar dat is symptoombestrijding, we kijken niet naar de wortels en wat er verloren is gegaan. Soms moet de stoom eruit en ontstaat wat men een misstand noemt, maar ontbreekt het vervolgens aan nivellerende krachten. De sacrale context ontbreekt, waardoor sport – en vooral winnen – tegenwoordig doel op zich is. Voetbalbond KNVB probeert het racisme nu te beteugelen met een Aanvalsplan. Nou succes. Ik denk dat het in de verste verte ontoereikend is. In het dna van sport zit om mensen in én uit te sluiten. Racisme kun je niet met een mooi verhaal keren. Van het modelleren van mensen gaat meer kracht uit. Zoals Feyenoord hooligans bestrijdt door oud-hooligans steward te maken. Dat sorteert effect bij het tot de orde roepen van mensen.”

Maar mensen kunnen zich toch ook normaal gedragen?

„Kennelijk niet en hebben wij ontlading nodig. Sport heeft zich gemanifesteerd als een domein waarin dat gelegitimeerd wordt. Daar legt mijn proefschrift de vinger op. Als voetbal tot oorlog wordt verklaard, rechtvaardigen we dat Luis Suárez in iemands oor bijt. In sommige kringen wordt zo’n speler op handen gedragen, omdat hij bereid is tot het gaatje te gaan. Voor anderen gaat dat te ver, maar hij zet veel jongens wel aan tot agressief voetballen. We moeten hem dan niet veroordelen tot een halve crimineel. Nee, Suárez is een product van het gecultiveerde verhaal van sport als strijd. Ik heb er geen oordeel over, maar wil blootleggen hoe zoiets werkt. We moeten niet verrast zijn als een sporter soms gierend uit de bocht vliegt. Er zullen altijd Suárezzen blijven. We moeten er alleen effectiever mee omgaan.”

Is turnen bij uitstek een sport met een grote beerput?

„Zeker, en die staat momenteel flink open. Er is aan beide kanten sprake van blaming en shaming. Daarom is het goed dat er binnenkort een hoorzitting wordt gehouden waarin zowel de turnsters als onderzoekers en de huidige bestuurders elkaar treffen. De slachtoffers voelen zich gekwetst en gaan tekeer. De bestuurders zeggen: don’t blame us, wij hebben het stokje ook maar overgenomen. Er is meer wederzijdse erkenning nodig. Je kunt van de bekentenis van coach Gerrit Beltman zeggen wat je wilt, maar ik vind het ook moedig. Er wordt tegengeworpen: die man probeert zijn straatje schoon te vegen, zodat-ie door kan als trainer. Maar bij zo’n opstelling wordt hij opnieuw uitgesloten en weet je dat hij zich op een andere manier zal gaan manifesteren.”

Welke invloed heeft volgens u de corona-pandemie op de sport?

„Ik zie het als een stresstest voor de sport. Alles aan instituties, federaties en reglementen is over het probleem heen gelegd. Is dat genoeg voor de sport om corona te doorstaan? In dat verband beschouw ik uitstel van de Olympische Spelen als een interessant experiment. Voor sporters betekent het een ernstige verstoring van hun ritme. Je ziet dat een enkeling stopt, zoals marathonloper Michel Butter, maar ook de recente suïcide van een judoka kan hieraan gerelateerd worden. De magie is verbroken. En wat te denken van sportmarketeers, die hangen niet meer aan het infuus van de sport en liggen op apegapen. Die beweren dat zij de ‘kracht van sport’ vermenigvuldigen. Nee, zij melken de sport uit. En nu dreigt ook die industrie in elkaar te zakken.”

Zou corona kunnen leiden tot opheffing van Olympische Spelen?

„Ik zie het meer als een recept voor radicale veranderingen. Corona helpt wel om veel zaken tegen het licht te houden, dus ook de Olympische Spelen. Pierre de Coubertin had gedacht dat de Spelen tot mondiale vrede zouden leiden, maar juist het tegenovergestelde is gebeurd. Zo lang de pot met goud iedereen aantrekt, ook mensen met andere, moreel minder zuivere intenties, kun je er vergif op innemen dat er rampen gebeuren. Misschien moeten we afscheid nemen van dit soort megalomane festijnen. Het gevolg is hier in Nederland de top-10-ambitie. Ik vind dat de dood in de pot voor een gezonde ontwikkeling van de Nederlandse sport. Er wordt alleen geïnvesteerd in sporten waarin we goed zijn, waarin we medailles kunnen winnen. Je kunt je afvragen of dat bijdraagt aan de continuïteit van sport.”

In uw proefschrift gaat een hoofdstuk over sport als seks. Met welke reden?

„In sport is het verlangen naar spel, strijd en seks ingebed in onze verhalen over wat sport betekent. Ik noem dat de libidineuze krachten van sport, wat sommigen bestempelen als sublimatie van oedipale driften die we niet op een andere manier kunnen botvieren. Deze functie van sport moeten we koesteren en dan ook niet verbaasd zijn als er bijvoorbeeld een kalender verschijnt met (half)naakte hockeyspeelsters, met alle risico’s van dien. Die kant van de sport moeten we niet verbieden, maar er op een gezonde manier van genieten.”

Waarom heeft u dat benoemd?

„Je hebt een veilig verhaal over sport als spel, zeg maar badminton op de camping, maar er is ook een provocatief verhaal over sport als seks en sport als strijd. Neem schaatser Jutta Leerdam, die haar lichaam openlijk exploiteert. Schaatsen lijkt een vehikel om dit mogelijk te maken. Hoort dat ook bij sport? Ik ben geen moraalridder, ze mag doen wat ze wil, maar ik vraag me af hoe ze gezien wil worden: als schaatser of als dame. We hebben ook een wereld gecreëerd waarin sportlichamen extreem geërotiseerd worden. Dan ligt transgressie op de loer.”

Waarom heeft uw proefschrift de titel Kritiek van de Sportieve Rede?

„Dat is een knipoog naar de filosoof Immanuel Kant. Hij schreef drie kritieken: Kritik der reinen Vernunft, Kritik der praktischen Vernunft en Kritik der Urteilskracht. Ik dacht: dan is het nu tijd voor een Kritiek van de Sportieve Rede. Om te laten zien hoe wij sport definiëren en wat sport in onze levens betekent.”