Opinie

Ongelijkheid in de stad ligt niet alleen aan de huizenmarkt

Leefomgeving

Commentaar

Elektrische bakfietsen, slim aangeprezen als ‘het beste alternatief voor je tweede auto’; je struikelt erover in de centra van veel grote steden. Lokale middenstand op diezelfde plekken maakte vaak al ruimte voor eenvormige koffietentjes en waar goedkope buurtsupers verdwenen, keerden dure Jumbo’s en Albert Heijnen terug.

Leven in de stad is in toenemende mate weggelegd voor de rijkeren – en dat is zichtbaar. De huizenprijzen gaan al jaren door het dak, huurprijzen idem dito. Openbaar vervoer wordt duurder en op publieke voorzieningen als bibliotheken, zorg en sport is de laatste jaren fors bezuinigd.

Het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur dat deze tendens vorige week aan de orde stelde, is niet mals. De stad, concludeert de Raad, is voor steeds minder mensen toegankelijk. Vooral ‘kwetsbare’ mensen, met lage inkomens of een geestelijke of lichamelijke beperking voelen zich genoodzaakt steden te verlaten, omdat ze het niet kunnen betalen of omdat ze er, vanwege hun beperkte mogelijkheden, niet tussen komen.

Ook wijst de Raad op ‘nieuwe kwetsbaren’: mensen met een middeninkomen, die wel zelfredzaam zijn, maar toch geen voet aan de grond krijgen in de stad. Dat zijn bijvoorbeeld flexwerkers, die geen hypotheek kunnen krijgen en daarom zijn veroordeeld tot het betalen van torenhoge huurprijzen. Maar ook mensen met beroepen die simpelweg niet voldoende verdienen om te kunnen deelnemen aan het dure stadsleven, zoals zorgmedewerkers, taxichauffeurs, onderwijzers of journalisten.

De ongelijkheid in Nederland neemt al langer toe. In pandemiejaar 2020 verdiepten de kloven tussen arm en rijk, vast en flex, laag- en hoogopgeleiden, signaleerde ook het Centraal Planbureau (CPB) dit jaar. Het leidt tot de onwenselijke situatie dat mensen steeds meer in sociaal-economische bubbels leven. In goede wijken wonen rijke mensen, die hun kinderen naar goede scholen kunnen sturen en mondig genoeg zijn de overheid ertoe te bewegen voor hun directe leefomgeving te zorgen. Slechtere wijken raken extra in verval.

En waar ontmoeten die bubbels elkaar nog? Steeds minder op het schoolplein of in de speeltuin, in de wachtkamer van de huisarts en zelfs niet meer op het voetbalveld. Sociaal-economische klassen ontmoeten vooral zichzelf – misschien wel meer dan tijdens de verzuiling. En komen daardoor ook steeds minder in contact met elkaars denk- en leefwerelden. Filterbubbels op sociale media dragen daar extra aan bij.

Toch wint links electoraal nauwelijks van deze groeiende ongelijkheid, die zich al jaren verdiept, hoewel het bij uitstek het thema is waarop links zich al decennia profileert. Volgens de Amerikaanse filosoof Michael Sandel komt dat doordat arbeid niet meer gewaardeerd wordt. Elites – ook de linkse – kijken erop neer. Een belangrijke reden, schrijft hij in zijn boek ‘De tirannie van verdienste: over de toekomst van de democratie’, dat steeds meer arbeiders zich van links zijn gaan afwenden. Het is een voedingsbodem voor populisme.

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, het belangrijkste politieke debat van het jaar, adresseerden vrijwel alle partijen wonen als belangrijk onderwerp voor de verkiezingen. Maar het idee dat met het inwisselen van het woord ‘woningmarkt’ voor ‘volkshuisvesting’ (lees: overheidsingrijpen) de stad weer toegankelijk wordt, is naïef. Daarvoor is veel meer inspanning nodig. Van links én rechts.

Lees ook: De stad is nu alleen voor de rijken