Opinie

De ambivalentie van de Duitse macht in Europa

Luuk van Middelaar

Binnen een jaar na de feestelijke val van de Berlijnse Muur kwam de hereniging van West- en Oost-Duitsland tot stand, op 3 oktober 1990. Bij alle officieel betuigde blijdschap vreesde men toen in Parijs, Londen, Den Haag en Rome voor terugkeer van ‘de Duitse kwestie’. Hoe zou dit rijke, grote land middenin Europa omgaan met zijn nieuwe macht?

Vanwege deze zorgen stemde bondskanselier Helmut Kohl eind 1989 in met het beginsel van een gezamenlijke munt, waar de Franse president Mitterrand op aandrong. Een krachtig signaal. Duitse eenwording en Europese integratie waren voor Kohl de keerzijden van één medaille. Een spel vol ambivalentie. Ja, de fiere D-mark ging met gulden, frank en lire op in de euro, maar de Europese Centrale Bank staat wel in Frankfurt.

Deze wisselwerking is nu de nieuwe Bondsrepubliek haar 30ste verjaardag viert nog in volle gang. In de pandemie van 2020 zette Kohls opvolger Angela Merkel ongekende stappen: om Zuid-Europa te helpen mag de Commissie voor 750 miljard euro aan schuld op de markten ophalen – en, wie weet, in de toekomst belasting innen. Volgens velen betekent het de grootste sprong in Europese integratie sinds de euro. Toch is het geen toeval dat de uitwerking werd belegd bij Merkels oud-minister Ursula von der Leyen, in 2019 van Berlijn naar Brussel gestuurd. Onder de Portugese Commissievoorzitter José-Manuel Barroso vertrouwde Merkel in 2010 de instelling een vergelijkbare rol niet toe.

Enter Jürgen Habermas. Duitslands beroemdste levende filosoof, 91 inmiddels, heeft bondskanselier Merkel steeds fel gekritiseerd om haar prudente euro-politiek maar herziet zijn oordeel. In een markant, nu al veelbesproken essay in Blätter ontwaart hij in de pandemie een „tweede kans” voor de Duitse en Europese eenheid.

De eerste kans kwam in ’89/’90 en is in Habermas’ vertelling gemist. Oost-Duitsland werd in 1990 simpelweg opgeslokt door de West-Duitse Bondsrepubliek – economisch, politiek en qua media – en kon zich niet zelfstandig rekenschap geven van de nazitijd. In de DDR-tijd was „antifascisme” onderdeel van de communistische staatsideologie; geen stimulans om diep in de spiegel te kijken.

Evenmin volvoerde Duitsland in het Verdrag van Maastricht (1991) de stap naar een Europese schuldenunie. Dertig jaar later ziet de denker kansen om dit dubbele verzuim goed te maken.

Natuurlijk dwongen internationale politieke verschuivingen Merkel dit voorjaar tot handelen, de noodroep uit Italië en Spanje voorop. Maar, schrijft Habermas, vergeet de binnenlandse constellatie niet: de opkomst van de radicaal-rechtse AfD in, vooral, de ex-DDR. Pas sinds kort erkennen Merkels CDU en de Beierse CSU het bestaan van een rechtsere partij. Terwijl de christen-democraten lang ambigu bleven, begrip voor kiezers op extreem-rechts toonden, trekken ze sinds 2018 een duidelijke grens en sluiten ze samenwerking uit. Deze afbakening door Duits burgerlijk rechts van ‘Europa-vijandige’ en etnische politiek opende ruimte voor franke Europese initiatieven in het centrum.

Toch juicht Habermas wat vroeg. Niet alleen projecteert hij met Duitse vanzelfsprekendheid de federale ordening van zijn land op de Europese, hij miskent ook de verwevenheid van Duits belang en Europees ideaal.

Je kunt een analogie zien tussen het driemanschap Mitterrand, Kohl en Commissievoorman Jacques Delors, dat na de schok van 1989 Europa in nieuwe banen leidde, en de samenwerking tussen president Macron, Merkel en Von der Leyen in de coronacrisis. De driehoek Parijs–Berlijn (Bonn)–Brussel hersteld, zo meent de jonge Franse staatssecretaris Clément Beaune (in Politique Etrangère). Maar de onderliggende machtsverschuiving van Frankrijk (Delors) naar Duitsland (Von der Leyen) is er niet minder om.

De Bondsrepubliek betaalt meer aan de coronapotten dan het eruit zal ontvangen – een nobel gebaar. Tegelijk houdt het land met onvergelijkbaar forse financiële armslag eigen bedrijven overeind. Op veler verzoek zette de Europese Commissie in maart alle staatssteunregels overboord. Wat blijkt? In zes maanden heeft de instelling voor 2.900 miljard euro aan staatssteun goedgekeurd, waarvan – aldus onderzoekers van de Banque de France – maar liefst 58 procent door Duitsland alleen (en dus 42 procent door alle andere lidstaten). Concurrentievervalsing ligt op de loer, maar eurocommissaris Margrete Vestager legt in Handelsblatt doodleuk uit dat heel Europa profiteert.

Thomas Mann formuleerde het in 1952 zo: wij willen geen Duits Europa (machtspolitiek) maar een Europees Duitsland (cultuur en beschaving). Dertig jaar na de Duitse eenheid ontdekken we dat ook dit twee keerzijden van één medaille zijn.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof, historicus en hoogleraar EU-recht (Leiden).

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.