Corona, dan moet de kok weg

Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal arbeidsrecht, over een ontslag door corona.

De kok in kwestie meende recht te hebben op vergoedingen wegens het niet in acht nemen van de contractuele opzegtermijn.
De kok in kwestie meende recht te hebben op vergoedingen wegens het niet in acht nemen van de contractuele opzegtermijn. Foto Ilvy Njiokiktjien

Hij werkt sinds eind februari als kok in het restaurant, als zijn werkgever hem eind april een ontslagbrief stuurt: door de corona-uitbraak kan het salaris niet meer betaald worden, ontslag met terugwerkende kracht per 1 april. Hoewel de kok berust in het ontslag, stapt hij wel naar de rechter wegens het in zijn ogen onrechtmatige ontslag: hij meent recht te hebben op vergoedingen wegens het niet in acht nemen van de contractuele opzegtermijn. Zijn baas zegt dat sprake is van een „noodsituatie”; de overheidssteun was onvoldoende. Dankzij coulance van onder meer de verhuurder hoeft hij nog geen faillissement aan te vragen. En aangezien de kok het ontslag accepteert, ziet die volgens de baas ook wel in dat hij niet anders kan dan hem ontslaan.

De rechter is echter onverbiddelijk. Overmacht vanwege gedwongen sluiting als gevolg van de uitgebroken corona-epidemie kwalificeert niet als dringende reden voor ontslag. Dan had de werkgever een ontslagvergunning moeten aanvragen of moeten aansturen op beëindiging met wederzijds goedvinden. De kok krijgt twee maanden loon als schadevergoeding en bijna 300 euro aan transitievergoeding wegens het onrechtmatige ontslag. De billijke vergoeding, die in beginsel toewijsbaar is, bedraagt gezien de penibele financiële situatie en het korte dienstverband 0 euro.