Passend onderwijs werkt niet, zeggen leraren basisschool

Zorgleerlingen Leraren missen tijd én expertise voor passend onderwijs, zeggen ze. In de praktijk ervaren ze hoe moeilijk het is.

Foto Siese Veenstra/ANP
Foto Siese Veenstra/ANP Bijna 80 procent van de ondervraagde leraren zegt dat hun werk is veranderd sinds de invoering van passend onderwijs, zes jaar geleden.

Driekwart van de leraren in het basisonderwijs heeft grote moeite om leerlingen met een handicap of gedragsproblemen goed te helpen. Ze hebben het gevoel dat ze niet de benodigde expertise of tijd hebben voor hun zorgleerlingen.

Dat is een van de uitkomsten van een enquête onder 2.500 leraren naar hun ervaringen met passend onderwijs. Het onderzoek, uitgevoerd door Lerarencollectief, de beroepsvereniging voor het primair onderwijs, wordt deze dinsdag gepresenteerd.

Bijna 80 procent van de ondervraagde leraren zegt dat hun werk is veranderd sinds de invoering van passend onderwijs, zes jaar geleden. En meestal niet ten goede.

Sharon Martens, bestuurslid van Lerarencollectief: „De meeste leraren zijn negatief over passend onderwijs, omdat ze in de praktijk ervaren hoe moeilijk en soms onmogelijk het is om zorgleerlingen te helpen.” Dat komt vooral, zegt Martens, omdat de basis van het onderwijs niet op orde is. „Passend onderwijs is een heel mooie gedachte, maar de klassen zijn te groot en er is onvoldoende expertise binnen scholen om zorgleerlingen goed te kunnen helpen. Leraren hebben vaak vier à vijf zorgleerlingen in hun klas, naast twintig tot dertig kinderen zonder problemen die óók aandacht nodig hebben. Dat is niet te doen.”

Sinds de Wet passend onderwijs in augustus 2014 werd ingevoerd, gaan kinderen met leer- en gedragsproblemen of een lichamelijke handicap zoveel mogelijk naar een ‘gewone’ school. Alleen leerlingen die intensieve begeleiding nodig hebben, worden nog doorverwezen naar speciaal onderwijs.

Lees ook wat we in 2015 schreven, naar aanleiding van onderzoek van de Kinderombudsman: ‘Passend onderwijs niet van de grond gekomen’

Kinderen zaten soms thuis

De wet werd destijds ingevoerd om kosten te besparen en bureaucratie tegen te gaan. Tot die tijd belandden kinderen eerder in het speciaal onderwijs. Of ze zaten thuis, omdat ze niet pasten in het speciaal onderwijs, maar ook niet terecht konden in het reguliere onderwijs. Het aantal thuiszitters nam sinds de invoering van het passend onderwijs echter niet af, maar steeg van bijna vierduizend in 2013 tot circa vijfduizend in 2019.

Al in 2015 concludeerde de toenmalige kinderombudsman Marc Dullaert in het rapport Werkt passend onderwijs? dat veel kinderen in het nieuwe systeem buiten de boot vielen en noodgedwongen thuis kwamen te zitten.

In de Evaluatie Passend Onderwijs, die in mei van dit jaar werd aangeboden aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, klonk ook kritiek op de stelselwijziging: leraren en ouders weten bijvoorbeeld niet altijd voor welke leerlingen passend onderwijs bedoeld is.

Uit het onderzoek van het Lerarencollectief blijkt dat leraren moeite hebben met het doorverwijzen van leerlingen: 70 procent van de respondenten kan onvoldoende passende zorg voor zorgleerlingen regelen en bijna 90 procent geeft aan dat zij niet snel genoeg een passende plek geregeld krijgen voor zorgleerlingen die vastlopen. „Wie nu extra zorg aanvraagt, is al snel uren bezig met het invullen van formulieren”, zegt Martens. Dat komt ook omdat het geld voor passend onderwijs naar zogeheten regionale samenwerkingsverbanden gaat, die het vervolgens weer verdelen over de scholen.

Daarbij hanteren niet alle regio’s dezelfde maatstaven: een leerling in de ene regio heeft wél recht op bepaalde zorg, maar een leerling in een andere regio met dezelfde problematiek valt buiten de boot. Het zou beter zijn, zegt Martens, als scholen zelf over een deel van het budget voor passend onderwijs kunnen beschikken, omdat zij veel beter weten wat een leerling of leraar nodig heeft. „De ene leraar heeft genoeg aan een onderwijsassistent in de klas, de ander heeft liever specialistische hulp voor een specifieke leerling. Laat die keuze aan de scholen zelf, dat scheelt een hoop bureaucratie.”

Wat verder zou helpen? Kleinere klassen, zegt 90 procent van de ondervraagde leraren. De Tweede Kamer buigt zich in november over het passend onderwijs. Minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) komt voor die tijd nog met een reactie op de diverse onderzoeken en evaluaties.