Den Haag en de nakende tweede golf: wie was alert, wie slordig, wie slonzig?

Deze week: hoe gingen ministers en Kamerleden sinds maart om met de dreigende tweede coronagolf?

Ofwel: een overzicht van alerte, slordige en slonzige politici in crisistijd.

Het ongemakkelijke van een groot thema als corona is: je raakt de draad kwijt. In Den Haag zijn er sinds maart zoveel briefings en debatten geweest, en zoveel stukken vrijgegeven, dat het menselijkerwijs onmogelijk was die eindeloze woordenstroom bij te houden.

Je kunt ook zeggen: de werkelijkheid is zo uitvoerig naar buiten gebracht dat ze in feite onvindbaar is geworden.

Maar nadat premier Rutte en vicepremier De Jonge begin deze week nieuwe maatregelen aankondigden om de tweede golf tegen te gaan, een soort lockdown light, vroeg ik me toch af: zijn er politici geweest die hierop tijdig hebben geanticipeerd?

Niet omdat ze uitblonken in quotejes of filmpjes, maar omdat ze iets deden toen het nog zin had, of om iets nuttigs vroegen?

In de politieke databank waarmee de NRC-redactie werkt, de parlementaire monitor, haalde ik alle documenten met ‘tweede golf’ op het scherm. Een kleine driehonderd. En nadat ik ze had doorgeploegd, moest ik mijn beeld wel bijstellen - soms een beetje, soms fors.

Je had politici die tot en met midden vorige week volhielden dat er geen tweede golf was. Je had politici die het kabinet al in mei dwongen voorbereidingen op een tweede golf te treffen.

En zaken die sinds maart amper media-aandacht kregen waren achteraf vaak nuttig. Maar zaken die veel media-aandacht kregen (ook van mijzelf) misten geregeld de kern.

Je kunt deze kleine geschiedenis het beste in twee fases opdelen – de periode voor juli, en de periode daarna.

Voor juli was de ‘tweede golf’ een angstbeeld waarvan niemand de betekenis precies kende. Het Kamerlid dat er in een debat als eerste over begon was 20 mei PvdD-leider Esther Ouwehand: „De zorg is bang voor een tweede golf’”.

Ook CU-voorman Gert-Jan Segers had het er die dag over: „Hoe weten we zeker dat we het redden als er een tweede golf komt?”

Het bleef vrijwel onopgemerkt, want het debat draaide 20 mei om de vergaande versoepeling van maatregelen die het kabinet voorstelde.

Zoals bekend waren de Kamerleden die in maart nog een (korte) lockdown eisten, Thierry Baudet en Geert Wilders, daarna degenen die het snelst van de maatregelen af wilden. De PVV-leider, 20 mei: „Laat die 1,5 meter los. (-) Beperk onze vrijheid niet.” FVD-voorman zei al op 15 maart: ,,We weten dat het virus vanzelf verdwijnt omdat het sterft door de zon.”

Los van de kritiek op De Jonge inzake testen en bron- en contactonderzoek (die nooit echt is verdwenen), waren er 20 mei ook Kamerleden die aanstuurden op praktische voorbereidingen. De fractievoorzitters Rob Jetten (D66) en Pieter Heerma (CDA) vroegen het kabinet in een motie om „een plan” voor „de continuïteit van de reguliere zorg” met het oog op „een eventuele tweede coronagolf”.

Geen detail: achteraf bleven in de periode maart-juni 800.000 patiënten door de coronacrisis verstoken van medisch-specialistische zorg, ook kanker- en hartpatiënten, en zorgautoriteiten spraken de vrees uit dat een tweede golf voor een deel van deze groep fataal kan zijn.

De motie leidde ook tot actie: onder leiding van Ernst Kuipers (Erasmus UMC) kwam er 30 juni een rapport met mogelijke oplossingen.

Het was een periode van opluchting en optimisme. De oppositie, vooral Lodewijk Asscher (PvdA) en Lilian Marijnissen (SP), drong erop aan lessen uit de eerste fase te trekken.

De Jonge ging er gretig in mee. 10 juni, in een brief aan de Kamer: „We zullen voorbereid moeten zijn op de komst van een tweede golf.” 24 juni, in een nieuwe Kamerbrief: „Zo staan wij klaar om in het najaar een mogelijk tweede golf te voorkomen (-).”

25 juni was achteraf het meest optimistische moment in deze hele crisis tot nu toe.

RIVM-directeur Jaap van Dissel had het in de Kamer over „een tweede golf, als die al komt”. FvD-Kamerlid Theo Hiddema zei in het Kamer debat: ,,De coronacrisis is voorbij.’’

Maar vanaf de eerste week van juli volgde een periode van maanden wegkijken. De Jonge bleef optimistische brieven met evaluaties en ‘lessons learned’ naar de Kamer sturen. „We weten nu beter waar het virus zich bevindt en wat de bron van de besmetting is’’, ronkte de minister De Jonge bijvoorbeeld nog op 1 september.

Maar al twee maanden eerder, op 7 juli, constateerde het RIVM een stijging van het aantal besmettingen. En op 22 juli meldde dezelfde De Jonge de Kamer dat het reproductiegetal op 1,29 lag: „Dat betekent dat 100 mensen gemiddeld 129 mensen besmetten.’’

Coronagezant Feike Sijbesma bepleitte twee dagen later in NRC dan ook voor „stevig ingrijpen.” Hij sprak een vrees voor een nieuwe lockdown uit en zei: „Als je dit te lang laat voortduren gaat het mis.”

En 6 augustus schetste De Jonge zelf in een Kamerbrief opnieuw „een zorgelijke ontwikkeling”: „Het virus circuleert (-) in een hogere mate dan we voor de zomer hadden verwacht.”

Kamerleden roken onraad. Wilders zag dat „het kabinet slecht voorbereid is op een tweede golf”.

Asscher riep de Kamer 12 augustus terug van reces: „Begin juli hadden we tweehonderd nieuwe infecties per week, vorige week zaten we op 4.000’’, zei hij.

Maar opnieuw ging de media-aandacht niet naar de hoofdzaak: die was voor de wegloopactie van de coalitie na Wilders’ verzoek om hoofdelijke stemming over zorgsalarissen.

En toen de Kamer 2 september een volgende kans had de waarschijnlijke tweede golf te behandelen, was er wéér een incident dat de aandacht wegnam: de schending van coronaregels op het huwelijksfeest van minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA).

Wel verweet Asscher in dat debat De Jonge dat hij te veel bluft. Hij sprak van „beloftes, beloftes, beloftes en een werkelijkheid die daarbij achterblijft”.

Ook Wilders veegde de vloer aan met de vicepremier. Maar tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, 16 en 17 september, hield de PVV-voorman vol dat er „geen sprake is van een tweede golf’’.

En ex-VVD’er Wybren van Haga, nu FvD’er, zei het zo: „De enige tweede golf die ik zie, is een golf aan faillissementen.”

Zelfs De Jonge bleef dubbelzinnig. Op 18 september schreef hij de Kamer dat „we een tweede golf moeten voorkomen’’, terwijl hij diezelfde dag tegen de media zei dat „de gevreesde tweede golf” het land had bereikt. Maar de toenmalige maatregelen van het kabinet – een iets vroegere sluiting van de horeca – waren volgens Wilders zelfs vorige week nog „buitenproportioneel”.

Zo bleven ministers én sommige oppositiepolitici de feiten indrukwekkend lang wegredeneren.

Terwijl anderen – zoals Asscher, Marijnissen, Ouwehand en Segers – wel degelijk alert waren, en enkelen – Jetten en Heerma – het kabinet keurig op tijd dwongen voorbereidingen voor een tweede golf te treffen.

Maar zelfs het resultaat van dit laatste was uiteindelijk zeer beperkt: Marian Kaljouw van de zorgautoriteit NZA vertelde me dat ze eraan hebben gewerkt dat „de reguliere zorg niet opnieuw moet worden afgeschaald” maar voorziet ook „dat dit niet genoeg zal zijn als de groei van corona niet wordt gestopt’’. Ernst Kuipers beaamde het in vrijwel dezelfde woorden.

Dus je kon niet zeggen dat de democratie helemáál geen oog had gehad voor de dreiging van een tweede golf. Maar voor een politieke cultuur die nog steeds claimt dat zij zich baseert op feiten, was het resultaat daarvan, in alle redelijkheid, niet om over naar huis te schrijven.