Van Rutte moeten mensen het zélf doen

Samenleving Premier Mark Rutte wilde Nederland veranderen: mensen moesten het zélf gaan doen. Zelfredzamer worden, zélf hun geluk nastreven. Dat pakte bij gehandicapten en ouderen niet goed uit. ‘Hoeveel verantwoordelijkheid mensen konden dragen is overschat.’

11 I 09 I 2020. Rond het Binnenhof, het Catshuis of het paleis, op werkbezoek in India of Afghanistan: premier Mark Rutte verplaatst zich het liefst per fiets.
11 I 09 I 2020. Rond het Binnenhof, het Catshuis of het paleis, op werkbezoek in India of Afghanistan: premier Mark Rutte verplaatst zich het liefst per fiets. Foto’s ANP

Runde eerst een welzijnsorganisatie buurthuis de Bovenkruier, in 2012 lag het op apegapen. Toen Marieke Rijk (53) dat zag, schoot ze meteen in de actiemodus. Met een vriend besloot ze het beheer over te nemen. „Het was midden in de crisis, maar voor ons was het hartstikke leuk.” De organisatie die het buurthuis voorheen bestierde had zich teruggetrokken en van de gemeente kregen ze niet veel geld. Alles moest gebeuren met vrijwilligers, en die zijn niet altijd ruim voorradig. „Het is keihard werken.”

In dezelfde tijd reed Heleen Gerwig (57) voortdurend zestig kilometer heen en weer tussen Reeuwijk en Leersum, de plek waar haar bejaarde ouders woonden. Vijftien jaar lang was ze hun mantelzorger. Haar moeder was aan één zijde verlamd, haar vader ging snel achteruit. Wat Gerwig voor ze deed? Ze moet lachen. „Wat niet? Ik deed hun financiën, ik deed de boodschappen, vaak ook nog de was, ik ging met ze naar het ziekenhuis.”

Marieke Rijk en Heleen Gerwig zijn ‘Actieve Burgers’, het menstype dat onder de kabinetten-Rutte ten voorbeeld werd gesteld aan de bevolking. Burgers moesten meer zelf doen, vond Rutte. Dat hield bijvoorbeeld in: langer thuis blijven wonen, zoals de ouders van Gerwig. Of zelf de diners bereiden in het buurtcentrum.

Mark Rutte wordt wel een man zonder visie genoemd. Vergelijk wat cijfers van tien jaar terug met nu, en je zou bijna denken dat het klopt. Rond zijn aantreden waren Nederlanders het meest bezorgd over ‘samenleven en normen en waarden’. Tien jaar ná zijn aantreden zijn ze dat nog steeds. Grote economische trends, zoals de verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt, zijn niet gekeerd. De inkomens- en vermogensongelijkheid zijn vrijwel gelijk gebleven. Het vertrouwen van burgers in instituties is onverminderd hoog – ook de coronacrisis veranderde daar tot nog toe weinig aan.

13 I 07 I 2020
03 I 04 I 2020
20 I 03 I 2019
11 I 12 I 2018
Foto’s ANP

Maar alleen naar die cijfers kijken, zou miskennen hoe Nederland in die tien jaar veranderd is. Dóór het beleid van de premier. Want wie kijkt naar wat Mark Rutte zei en wat zijn kabinetten deden, ziet een heldere opvatting van hoe hij Nederland wilde veranderen: mensen moesten het vooral zélf gaan doen. Zelfredzamer worden, zélf geluk nastreven.

Dat denken was duidelijk te horen in de Troonrede van 2013. „Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving”, zei koning Willem-Alexander. En: „Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.”

Door bezuinigingen verdwenen buurthuizen. ‘Er is een behoorlijke kaalslag geweest’

Rutte verklaarde die overgang vooral als een onomkeerbare maatschappelijke trend die door de overheid bijgebeend moest worden – niet als een politieke keuze. „Eerst is er de verandering in de samenleving en bij mensen, dus de mogelijkheden en de behoefte om meer zelf te doen. En het beleid richt zich daarnaar. In die volgorde”, zei hij in 2013 in de Willem Drees-lezing.

In zekere zin klopt dat. Sociologen als Zygmunt Bauman en Mark Granovetter beschreven al langer hoe westerse samenlevingen ‘vloeibaarder’ werden en meer georganiseerd rondom flexibele netwerken, in plaats van de oude, formele en hiërarchische organisaties. Maar die verandering is de laatste tien jaar wél verder aangezwengeld door overheidsbeleid. En door ideologie, zegt socioloog en ideeënhistoricus Merijn Oudenampsen. Het idee van eigen verantwoordelijkheid heeft een lange geschiedenis, en niet alleen een liberale. „‘De verantwoordelijke samenleving’ was het centrale concept van het CDA in de jaren tachtig. De christen-democraten zagen hoe burgers passiever werden door de verzorgingsstaat en hoe de maatschappelijke verbanden erodeerden. Hun analyse was: als we de verzorgingsstaat terugdringen, komt er vanzelf meer maatschappelijk initiatief.”

Melange

Toen het tweede kabinet-Rutte na de krediet- en eurocrisis moest bezuinigen, dook dit idee weer op, dit keer onder een liberale premier. „Eigen verantwoordelijkheid is ook een heel liberaal idee”, zegt Oudenampsen. „‘Mensen moeten zoveel mogelijk hun eigen broek ophouden’, ‘we hebben een compacte overheid nodig’. De liberale variant heeft alleen niet die corporatistische component.” Bij Rutte werd het een melange: hij benadrukte de verantwoordelijkheid van het individu en verwees ook naar het belang van het maatschappelijk middenveld.

Die ideeën vonden hun weerslag in grote hervormingen van de laatste tien jaar. Neem bijvoorbeeld de vervanging van de basisbeurs voor studenten door een leenstelsel. Studeren was een „investering in je eigen toekomst”, die dus ook meer van mensen zélf mocht vragen. Of neem het integratiebeleid: nieuwkomers moesten vanaf 2013 zelf hun inburgeringscursus regelen en betalen.

Ook van buurthuizen en bibliotheken werd meer eigen initiatief verwacht: de afgelopen tien jaar hebben gemeenten hier flink op bezuinigd. Sommige buurthuizen worden nu succesvol beheerd door actieve buurtbewoners, andere zijn verdwenen. Er wordt niet centraal bijgehouden om hoeveel buurthuizen het gaat, maar „mijn algemene beeld is dat er een behoorlijke kaalslag is geweest”, laat een woordvoerder van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners (LSA) weten.

Ook in de gemeente Zaanstad zijn buurthuizen verdwenen, zegt Marieke Rijk. Maar in de Bovenkruier zijn er sinds zij in 2012 voorzitter werd ook positieve ontwikkelingen. „Voorheen werd alles geregeld door de welzijnsorganisatie, het was toen meer consumeren. Nu stappen mensen eerder naar binnen om te vragen of ze iets kunnen doen.” De financiën zijn wel elk jaar weer spannend. „Het lukt net met inkomsten van de bar, verhuur van ruimtes en subsidies van fondsen, maar voor onderhoud hebben we vaak geen geld.”

Overuren

De nadruk op eigen verantwoordelijkheid drong in 2015 ook door in het sociale domein. Gemeenten werden toen verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan chronisch zieken en ouderen. Dat was, schreven onderzoekers Pieter Hilhorst en Jos van der Lans in 2016 in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, „misschien wel de meest ingrijpende en verstrekkende personele reorganisatie van onze verzorgingsstaat ooit”.

Ook bij de decentralisaties was ‘eigen verantwoordelijkheid’ het leidende idee. Gemeenten moesten met het ingaan van de Participatiewet (2015) mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zoals arbeidsgehandicapten en mensen die al jaren in de bijstand zaten, meer gaan begeleiden naar werk. Tegelijkertijd werd daar wel ruim anderhalf miljard euro op bezuinigd: met minder middelen moesten gemeenten meer gaan doen. En moesten vooral mensen zélf meer gaan doen om aan het werk te komen.

„Het idee was dat mensen willen meedoen en graag verantwoordelijkheid willen en kunnen dragen”, zegt Maroesjka Versantvoort, die voor het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) de Participatiewet evalueerde. Maar de wet pakte anders uit. „Er is overschat hoeveel verantwoordelijkheid mensen konden dragen. En er is een complex stelsel opgezet dat het voor bedrijven niet aantrekkelijker heeft gemaakt om mensen aan te nemen.”

De baankansen van de groepen die onder de wet vallen, zijn daarom nog even laag als vóór de wet, concludeerde de evaluatie. En wie wél werk vond, had vaker een lager inkomen en een tijdelijk contract dan voorheen. „Dat waren bijvoorbeeld banen in de sociale werkplaatsen, die gesloten zijn voor nieuwe instroom”, zegt Versantvoort. „Dus die groep is, ondanks hun baan, onzekerder geworden.”

Ook in de zorg hadden de decentralisaties ingrijpende gevolgen. Ouderen moesten langer thuis blijven wonen, was het idee: daarom werden verzorgingshuizen gesloten. De echt zware gevallen kunnen in verpleeghuizen terecht. Voor mensen als Heleen Gerwig had dit grote gevolgen. Onder het oude regime hadden haar ouders zeker naar een verzorgingshuis gekund, zegt ze. „Mijn vader is nét pas opgenomen in een verpleeghuis. Het was heel moeilijk om hem daar in te krijgen, uiteindelijk is het in een crisistoestand gebeurd.” Daarvoor kregen Gerwigs ouders wel thuiszorg. „Maar die meiden stonden ook enorm onder druk. Die maakten veel uren in hun eigen tijd.”

Eigen netwerk

Gerwig verleende al vóór de decentralisaties mantelzorg, dus in die zin liep ze op het beleid vooruit. Sinds de decentralisaties moeten gemeenten aan iedereen die zorg nodig heeft vragen een beroep te doen op het eigen netwerk. „Mijn uitgangspunt is dat iemand die hulp nodig heeft zelf sturing geeft aan de contacten met mantelzorgers”, schreef staatssecretaris Marlies Veldhuijzen van Zanten (Volksgezondheid, CDA) begin 2012. Dit heeft nog niet het gewenste effect gehad: onderzoeker Evelien Tonkens stelde in 2018 vast dat gemeenten in de praktijk terughoudend zijn met aandringen op het inschakelen van het eigen netwerk.

03 I 11 I 2017
13 I 10 I 2017
12 I 04 I 2016
05 I 06 I 2015
01 I 06 I 2013
20 I 04 I 2012
Foto’s ANP

Het is een „illusie” om te verwachten dat alle burgers zelfredzaam kunnen zijn, waarschuwt Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen. „Denk aan laaggeletterden, mensen die de taal niet machtig zijn, mensen met een licht verstandelijke beperking. Samen een paar miljoen Nederlanders. En dat zijn juist de mensen die de overheid hard nodig hebben”, zei hij in 2017 in NRC.

De overheid overschat hoe zelfredzaam burgers kunnen zijn, aldus het rapport Weten is nog geen doen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. In plaats van uit te gaan van zelfredzaamheid, zou de overheid vaker moeten kijken naar het ‘doenvermogen’: wat burgers werkelijk kunnen. Met name, maar niet uitsluitend, de ‘onderste’ 30 procent van de samenleving komt moeilijker mee, waarschuwt het SCP regelmatig in publicaties. Het zijn mensen die vaak wel willen, maar het niet kunnen – en het toch vooral zelf moeten uitzoeken.

Komt dat allemaal door die ene visie van Mark Rutte? Wie dat beweert, overschat de invloed van één individu. Rutte was niet de enige die het evangelie van de zelfredzaamheid predikte, integendeel: alle middenpartijen gingen rond 2014 hetzelfde verhaal vertellen over ‘eigen kracht’ en ‘samenredzaamheid’ – Rutte regeerde met al die middenpartijen.

En in het buitenland zag je vergelijkbare ontwikkelingen. Neem het idee van de ‘Big Society’ achter het beleid van de voormalige Britse premier David Cameron, zegt socioloog Oudenampsen. „Dat ging uit van gedachten als: je hoeft niet in alle bibliotheken professionele mensen in dienst te hebben, je kunt ook vrijwilligers inzetten.”

Daarom is het ingewikkeld om te stellen dat Ruttes gedachtegoed de samenleving beslissend heeft veranderd, zegt Oudenampsen. „Ik vind altijd dat er te veel aan het individu wordt toegeschreven. Dat is een soort great man history. Een nieuwe manier van denken is altijd een collectief gegeven – dat is in ieder geval hoe historici en sociologen er tegenaan kijken.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Haagse Zaken: Hoe Mark Rutte 10 jaar premier bleef

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.