Opinie

Van de mondkapjesdragende burger wordt sociale solidariteit gevraagd

Tweede coronagolf

Commentaar

Vooruit, als het volk het wil, in hemelsnaam dan maar. Zo kon de draai van het kabinet woensdag worden geïnterpreteerd: het dragen van een mondkapje werd per direct ‘dringend’ geadviseerd voor de publieke binnenruimte. Na zes maanden waarin deskundigen, voorzitters van veiligheidsregio’s, politici, talkshowgasten en de overige 17 miljoen experts elkaar tegenspraken, komt er nu hopelijk een eind aan een oeverloze discussie over nut en noodzaak van het mondkapje. Zes maanden waarin Nederland een kapjesloos eiland werd te midden van gemaskerde buurlanden.

Dat er wetenschappelijk gezien geen doorslaggevende indicaties zijn vóór het dragen, klopt. Er zijn alleen ook geen grote bezwaren tégen. Dat was aan het begin van de epidemie al bekend. Het louter blijven kijken naar het wetenschappelijke nut zoals steeds werd gedaan, had de discussie nog maanden voort laten duren. Terwijl de tweede golf zich al heeft aangediend en het gewone herfstige hoesten en proesten nog niet is begonnen.

Dat het masker goed aangesloten op het gezicht moet zitten en met schone handen moet worden opgedaan wil het optimaal beschermen, hoeft ook niet verder bediscussieerd. De in jaszakken verfrommelde doekjes, de blauwe slabbetjes die onder de kin bungelen of de zelf gefabriceerde exemplaren die als accessoire om de bovenarm worden gedragen, wekken inderdaad weinig vertrouwen dat de drager weet wat hij doet. Maar hij of zij denkt tenminste aan corona en zijn medemens – mits er natuurlijk ook anderhalve meter afstand wordt gehouden.

Aan het begin van de crisis was de terughoudendheid van het kabinet terecht. Er was immers een tekort aan maskers in de zorg. Daarna volgde keer op keer de redenatie van RIVM-directeur infectieziektenbestrijding Jaap van Dissel dat een mondkapje tot „schijnveiligheid” zou kunnen leiden.

Het mondkapje is inderdaad geen panacee. In Spanje of Frankrijk, waar strengere quarantaineregels zijn en een strenger maskerbeleid, brak ook een tweede golf aan. Maar elders was de redenatie ook ‘baat het niet, dan schaadt het niet’. In Duitsland werd al begin april het dragen van een mondkapje „een bouwsteen” genoemd in de strijd tegen Covid-19, in juni ging de Wereldgezondheidsorganisatie om.

In Nederland leek het steeds meer op koppigheid niet te willen doen wat in het buitenland al de usance was. Alsof de ‘intelligente lockdown’ die het kabinet propageerde dommer zou lijken als overstag werd gegaan. Maar het virus maakt geen onderscheid in de verschillende vormen van quarantaine, het slaat in ieder land toe.

De aarzeling bleef, tot maandag aan het eind van de persconferentie toe. Op de vraag of hij er dan zelf een zou dragen als hij boodschappen gaat doen, antwoordde premier Mark Rutte: „Daar heb ik nog niet over nagedacht.”

Lees ook een open brief van Belg Tom Lanoye aan Nederland: Mondkapjes: bezorgd bericht voor een ‘nuchter volkje’

Het is terecht dat de coronamaatregelen indachtig de Nederlandse volksaard niet al te dirigistisch worden opgelegd en veel wordt overgelaten aan ieders eigen verantwoordelijkheid. In NRC wees socioloog Herman Vuijsje op de angst van de overheid autoritair over te komen. De Nederlander trekt nu eenmaal graag alles in twijfel zodra er bemoeienis van boven komt. In het AD verwoordde de Duitse hoogleraar Infectiepreventie en OMT-lid Andreas Voss dat zo: „Als je een Duitser zegt dat hij moet springen, dan zal hij je vragen: ‘hoe hoog’? Een Nederlander vraagt: ‘waarom?’” Om vervolgens in discussie te gaan.

Dat is een kritische houding die te prijzen is. Maar in een crisis als deze hoort tegenover die burger die meent „alles zelf wel te bepalen” een overheid te staan met een eenduidige boodschap over het waarom van een maatregel. Die bij een draai met overtuigingskracht uitlegt waaróm er is gedraaid. Met een premier die niet na zijn aankondiging antwoordt: „Ik denk dat ik het ga doen”, alsof hij voor het eerst in een mondkapjesdiscussie is beland. Maar een die volmondig „natuurlijk” zegt. Dat had het draagvlak vergroot – en op z’n minst de angst van winkeliers voor discussies bij de deur kunnen verkleinen.

Terug naar verboden met boetes had de weerstand gevoed. Dus het is goed dat het bij een ‘dringend’ advies blijft. Dat dan door de meeste mensen hopelijk wordt opgevat als plicht. Het is de plicht aan het belang van de ander te denken.

Het mondkapje is geen muilkorf, het tast de vrijheid niet aan. Het enige dat van de mondkapjesdragende burger wordt gevraagd, is sociale solidariteit.