Foto Daniel Niessen

Terug naar de Flat

Hoe gaat het deze onzekere herfst met de mensen die wonen en werken in de L-flat, de sociale huurkolos in Zeist?
Tekst Foto’s Daniël Niessen

Proloog

Terug naar de Flat

Hoe gaat het deze onzekere herfst met de mensen die wonen en werken in de L-flat, de socialehuurkolos in Zeist? Proloog van de derde en laatste reeks.

Feestelijk zijn feesten nog amper. Donderdag vierde het inloophuis van de L-flat, de ontmoetingsplek voor bewoners, zijn twintigste verjaardag. Een maaltijd voor de 25 vrijwilligers was het laatste plan dat had standgehouden, de quiches waren al voorgebakken. Toen werden de coronaregels strenger. Exit maaltijd. „Verschrikkelijk jammer”, zegt coördinator van het inloophuis Ina Duit (62). „En zó anti-inloophuis.”

Ze had het zich anders voorgesteld. Haar droom had deze feestdag moeten uitkomen: een menselijke ketting rond de L-flat. Ze droomde soms hardop. Moet je je voorstellen, zei ze dan, een glimlach rond haar mond. Ál die mensen, liefst bewoners, hand in hand om die grote flat - bijna een kilometer in omtrek. Hollanders en buitenlanders, jong en oud, werkend en werkloos. Ze had er „verbinding” mee willen uitdrukken.

De droom werd een serieus plan. Gesprekken met de gemeente waren gaande. Tot diep in 2020 geloofde Ina Duit dat het kon lukken.

Het teruggeschroefde feest donderdag bestond uit louter een lunch. De eters waren opgeplitst in tijdscohorten. Men droeg mondkapjes.

Foto Daniel Niessen

NRC schrijft sinds februari over de L-flat in Zeist, om het leven in een kolos van een sociale huurflat te portretteren. 728 appartementen onder één dak, een kwart van de bewoners in de bijstand. In portiek zes zat jarenlang een voedselbank. Tiener Alend kwam in de eerste verhalenreeks voorbij, hij kende de voedselbank vanbinnen. Het meisje Suus vertelde dat ze nooit op het gras achter de flat speelde: ze was bang een van een balkon afgekieperde vuilniszak op haar hoofd te krijgen. Grada Lammers, 88 jaar, vertelde dat ze in de flat woonde sinds 1972, en ze wilde er „wel blijven ook”.

Toen kwam corona, en het vervolg van ‘De Flat’ werd een lockdownreeks. Naeim Rabbat, gevlucht uit Aleppo, Syrië, was bang voor virusdruppels, neerdwarrelend van hogergelegen galerijen. Zeventiger Yasho van Dijk, ex-Baghwan en eindelijk blij met een leven alleen, werd stapel van de oproepen tot corona-solidariteit – „dat je maar mét elkaar, je moet mét elkaar… Láát mij nou maar gewoon.” Tommy, een schuwe man van begin vijftig uit Hongkong, verhuisde tijdens de lockdown uit zijn beganegrond-appartement. Weg uit de flat. Hij had geen antwoord op de pesterijen van verveelde flatkinderen.

Hoe vergaat het de bewoners van de flat deze herfst? Hoe laat corona zich gelden? Is het virus slechts één van vele zorgen? Vanaf vandaag een nieuwe reeks elke dinsdag hier op nrc.nl/terugnaardeflat en op de Achterpagina.

„Mijn werk is niet veranderd”, zegt de jonge vuilprikker David, in dienst van het sociaalwerkbedrijf van Zeist. Hij loopt in zijn oranje hesje over de grasstrook achter de lange zijde van de flat. Nog steeds ziet hij dag na dag het weggesmeten afval liggen. Een airfryer, afgelopen zomer. Dagelijks brood. Deze ochtend een part meloen vol krioelende mieren. En lege blikjes energydrink. Met zijn grijptang stopt hij ze in zijn vuilsnizak.

Maar David, die slechtziend is en volgens de overheid ‘op afstand van de arbeidsmarkt’ staat, is door corona wél anders over zijn werk gaan denken. Hoopte hij eerst op ander werk, „iets met sport” misschien, nu dicht hij zich weinig kans toe. „Als ik zie hoeveel mensen hun banen hebben verloren… Kom ik aan met m’n slechtziendheid.” Zijn betrekking als vuilprikker noemt hij een „veilige haven”.

De komende weken komen meer werkenden voorbij. Twintiger Yousef Maki, gevlucht uit het Syrische Homs, wil zó graag geld sparen voor zijn bruiloft van „hopelijk volgend jaar” dat hij afgelopen zomer overal om zich heen om werk vroeg – tot aan de man van de groenverzorging achter de flat aan toe. Het lukte: hij heeft nu een fulltime baan in een lunchkantine. Een Sri Lankaanse vrouw uit portiek twee, 34 jaar oud en moeder van twee basisschoolkinderen, verloor in de lockdown haar baan als kamermeisje in een Utrechts hotel. Voor het opsturen van geld naar familie op Sri Lanka zijn ze nu aangewezen op het inkomen van haar man. Hij boent kantoren, ’s ochtends en ’s avonds.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

Het aantal wijkagenten in Zeist-Noord, waar de L-flat onder valt, ging in de zomer van drie naar twee. Er was een tekort aan blauw elders in de regio. Het werk wordt er natuurlijk niet minder om, zegt wijkagent Sarah-Joy van der Hoff (32). Haar werk in de L-flat loopt uiteen van het ontmantelen van drugspanden tot het uitdelen van bellenblaas aan flatkinderen. Een meisje uit portiek drie frunnikte deze zomer in Van der Hoffs fietstas, en toverde haar mondkapje tevoorschijn. „Laat maar even zitten”, zei de agent tegen het meisje. „Dat is voor mijn bescherming lieverd.”

De woningcorporatie van de L-flat, Woongoed Zeist, begint juist dit najaar aan de renovatie van de flat. Er komen zonnepanelen op het dak, en elk van de 728 appartementen krijgt een nieuwe voordeur, badkamer en wc. De verbouwing zal dik twee jaar duren. Vooraf gaan corporatiemedewerkers bij alle flatbewoners langs, voor een kijkje achter de voordeur, portiek na portiek. Zijn er belemmeringen, voor de verbouwing?

Lees ook de lezersoproep: welke flat in Nederland heeft de meeste appartementen?

Die huisbezoeken begonnen in februari, bij portiek 1. Een maand later stuurde corona de planning in het honderd. In de zomer volgde een inhaalslag. Het laatste huisbezoek van portiek 1 was vorige week.

Nu dreigt een nieuwe lockdown. Nog 637 appartementen te gaan.

Nee: 636. Eén appartement op de begane grond werd onlangs omgebouwd tot kantoor. Buurtzorg zit er, een zorgclub ingevlogen voor hulp aan behoevende bewoners. In het kantoor ruikt het naar nieuw. De muren zijn versgestuct en wit. Niets herinnert aan de laatste bewoner: de weggepeste Tommy.

Reacties: deflat@nrc.nl

Luister ook de podcast NRC Vandaag over De Flat

Yousef

‘Geef me alsjeblieft een kans’

Hij komt uit Syrië, leerde airco’s te monteren in Beiroet, en houdt van het werk ‘met heel mijn hart’.

Een jongeman uit portiek 8 van de L-flat werkte deze zomer fulltime in de spoelkeuken en lunchkantine van de KNVB in Zeist.

De kans op dit alledaagse gegeven was onalledaags klein.

Zo ligt het echte thuis van de jongeman op 4.000 kilometer van het KNVB-complex, in Homs, Syrië, de stad waar ook zijn vader, grootvader en overgrootvader hun levens hadden geleefd. De jongen werd er in 1995 geboren en had een gelukkige jeugd, wonend bij zijn ouders, broer, zus en broertje, en spelend met vriendjes op straat en schoolplein. De verhuizing in 2010 naar een groter huis in een andere wijk van Homs beviel hem slecht – hij miste zijn oude buurt.

Toen de oorlog kwam was hij vijftien. Hij hoorde de mitrailleurschoten, in naam van Assad gericht op demonstranten op een groot plein in de stad. De jongen vluchtte naar Beiroet, Libanon, met vreemden in een taxi, zijn reeds gevluchte broer achterna.

In Beiroet sliepen hij en zijn broer ’s nachts in een kamertje van het bedrijf waar ze overdag voor werkten. Een airconditioningbedrijf. De jongen leerde er het vak. Montage, onderhoud, reparatie.

Foto Daniel Niessen

Zijn ouders en broertje kwamen ook naar Beiroet. Zijn zus niet. Die was nu getrouwd en zocht met haar man elders een veilig heenkomen.

De broer van de jongen wilde door, naar Europa. De moeder moest er niets van hebben, doodsbang dat haar jongste zoon tijdens de overtocht zou verdrinken. Maar het broertje zette zijn zin door, en met verre verwanten wist hij in 2015 Europa te bereiken, en belandde hij in Nederland.

De jongeman volgde zijn broer in 2017 naar Nederland, per vliegtuig – en naast hem zat alleen zijn moeder. Zijn broer kon niet mee want die was inmiddels getrouwd en zijn eigen gezin aan het stichten. En hun vader, die op de vlucht zijn thuisstad Homs vreselijk had gemist, stierf in Libanon na een hartaanval. Zijn vrouw en kinderen begroeven hem buiten Beiroet, daar was de grond minder duur.

In de zomer van 2017 kreeg de jongeman met z’n moeder en broertje een appartement toegewezen in een flat groter dan hij ooit had gezien. De L-flat in Zeist. Portiek 8.

Al lag het KNVB-complex nu op 5 in plaats van 4.000 kilometer afstand van zijn huis, nog was een dienstverband bij de voetbalbond werelden weg. De jongen had zijn hart aan de airco verpand, en met hulp met Google Translate schreef hij e-mails die zelfs de nuchterste P&O-functionaris in het airco-wezen niet onberoerd zullen hebben gelaten. In augustus 2018:

„Geef me alsjeblieft een kans als je eenmaal kunt zien dat ik niet zonder werk kan leven. Ik ben dol op airconditioning, met heel mijn hart.”

Natuurlijk hapte een bedrijf toe. Hij kon aan de slag. Maar het gebrek aan een rijbewijs brak hem op, het reizen naar klussen kostte te veel tijd, en nadat hij zakte voor zijn theorie-examen nam hij voorlopig afscheid van zijn vak.

De jongen was intussen verliefd op een meisje, net als hij gevlucht uit Homs. Het was – en is – serieus: hij wil liefst volgend jaar trouwen en een gezin beginnen. Geld verdienen werd een doel op zich. Hij stelde een lijst op met alle restaurants en cafés in Zeist, en benaderde ze. Ook een etablissement met een hem onbekende afkorting. ‘Restaurant KNVB’ ontving vorig jaar zomer deze mail:

„Beste meneer/vrouwen

Heeft u personeel in de keuken nodig om de afwas te doen? Ik ben op zoek naar een baan.”

De voetbalbond contracteerde hem voor zestien uur per week.

Dat was de jongen lang niet genoeg, en tot overmaat van ramp kon hij in maart, april en mei in het geheel niet werken door de lockdown. Hij bracht veel tijd thuis door nu, met z’n moeder die vanwege haar suikerziekte drie maanden lang geen stap buiten de deur durfde te zetten. De jongen keek intussen op YouTube naar instructievideo’s voor zijn theorie-rijexamen, want de airco blijft zijn missie.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

En corona of niet, hij bleef koortsachtig zoeken naar werk. Hij zag een groenverzorger bezig bij de vijver achter portiek zes, en vroeg of die werk voor hem had. Hij vroeg het na de lockdown aan collega’s in de Weggeefwinkel achter de flat, waar de jongen vrijwilligerswerk doet. En hij vroeg het aan collega’s in de heropende KNVB-kantine zelf.

En het lukte. Iemand bij de voetbalbond vertrok – pensioen of anderszins. Eind augustus, een week nadat bekend werd dat er in Nederland binnen een kwartaal driehonderdduizend banen verloren waren gegaan, kreeg een jongeman uit Homs die in Beiroet geschoold was als airco-monteur een fulltimebaan in de kantine en spoelkeuken van de voetbalbond die hij voor een restaurant had gehouden.

Mohamad Yousef Nasif Maki heet hij, roepnaam Yousef.

Eind september ging hij door de strengere coronaregels terug naar drie werkdagen per week. In zijn geval vermoedelijk een tijdelijk ongemak.

Foto Daniel Niessen

Aflevering 3

Juf werd ze pas toen ze thuis les moest geven

Rajeevana uit Sri Lanka werd uitgehuwelijkt aan een landgenoot in Zeist en zag af van haar droom juf te worden. Door corona verloor ze haar hotelbaan.

Boven de bank in de woonkamer op driehoog hangt een foto van de bruid en bruidegom. Zij, Rajeevana, in grijsblauwe sari en omhangen met sieraden, hij in zwart pak met rood pochet. Ze kijken ernstig, onderworpen aan de regels van het ritueel.

De bruiloft was in mei 2010, drie maanden na hun eerste ontmoeting, in de aankomsthal van Schiphol.

Rajeevana, kortweg Rajee (bijna 34), had tot haar 23ste in Sri Lanka gewoond, bij haar ouders en broertje en zusje – in Jaffna, het uiterste noorden. Ze wilde er basisschooljuf worden, had als stagiair al voor de klas gestaan. Ze had nog één examen voor de boeg.

Maar de huwelijksbemiddelaar, ingeschakeld door haar ouders, had een match gevonden met een naar Nederland uitgeweken Sri Lankaan, Rajithananth. Hun sterrenbeelden pasten bij elkaar en ook zijn familie kwam uit Jaffna. Foto’s werden uitgewisseld: Rajee in een fotoshoot uitgedost in een sari, zoals de ouders van de man het graag zien.

Ze belden elkaar op, zij in Jaffna, hij in Zeist. Ze voerden lange, goede gesprekken.

De keus was gemaakt.

Foto Daniel Niessen

Begin 2010 op de luchthaven van Colombo nam ze huilend afscheid van haar moeder en vader – van haar hele leven eigenlijk. Voor het eerst stapte ze een vliegtuig in. Naar films keek ze niet. Ze zat gewoon te zitten in haar vliegtuigstoel, verdrietig om wat ze achterliet en gespannen om wat zou komen.

Haar nieuwe familie stond haar op Schiphol op te wachten. De oudste broer van haar aanstaande was er – die woonde al decennia in Nederland. Diens vrouw en kinderen waren er, en een paar Sri Lankaanse kennissen. En Rajithananth zelf natuurlijk. Ze zag hem staan met in zijn hand een bos bloemen en op zijn gezicht een nerveuze lach. Wat te doen bij zo’n eerste ontmoeting? Wat te zeggen? „Niets”, zegt ze nu, tienenhalf jaar later. „Gewoon een hand geven en glimlachen.” Ze lacht hardop.

Ze zit op de bank onder de bruidsfoto. Naast haar, netjes op een rijtje, zitten dochter Akshaja uit 2011 en zoon Aksharan uit 2013. Hollandse basisschoolkinderen met grote bruine ogen.

Rajees man is aan het werk – elke ochtend en avond boent hij kantoren en zorgtehuizen in Zeist en Doorn.

Het nichtje van haar man, Princika, van begin twintig, is ook bij het gesprek. Zij is in Nederland opgegroeid en springt bij als vertaler van en naar het Tamil, ook al spreekt Rajee behoorlijk Nederlands en beantwoordt ze veel vragen meteen zelf.

De eerste jaren in Nederland waren moeilijk, vertelt ze. Ze miste haar familie en worstelde met het Nederlands. Juf worden – haar „droom” – ging in de nieuwe taal niet lukken, schatte ze in. Eerst kreeg ze de kinderen, toen was ze twee jaar vrijwilliger in een verzorgingstehuis.

In de L-flat wonen ze sinds 2011. Al is het er „altijd druk” – bij de lift, in het portiek – ze leven er met plezier. Er wonen een paar andere Sri Lankaanse gezinnen. En ze hebben aardige buren.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

In 2019 kreeg Rajee een baan bij een hotel in Utrecht, bij housekeeping. Schoonmaken en bedden opmaken, elke werkdag van negen tot twee. In de pauzes kletste ze met collega’s uit de schoonmaakploeg, onder wie een Sri Lankaanse.

Ze woonde precies tien jaar in Nederland, haar leven op de rit, toen corona uitbrak. Meteen aan het begin van de voorjaarslockdown kwam ze thuis te zitten, zoals meer collega’s zonder vast contract. Er waren te weinig hotelgasten. Officieel ontslag volgde later in de lente.

Haar man heeft zijn schoonmaakbaan behouden. Voor het sturen van geld naar hun families in Sri Lanka zijn ze aangewezen op zijn inkomen.

Het liefst zou Rajee uit de flat vertrekken, zegt ze. Naar een huis met een tuin waar de kinderen kunnen spelen. Ze staan nu „vijf of zes jaar” op de wachtlijst voor een andere sociale huurwoning. Het kopen van een huis zit er met het gezinsinkomen niet in.

Haar leven zonder werk noemt Rajee „saai”. Man aan het werk, kinderen op school. Zij maakt schoon, kookt en kijkt tv. „Elke dag hetzelfde.” Ze wil misschien de ouderenzorg in. En ze wil haar Nederlands verbeteren – er zit een schooltje verderop in de wijk.

Onverwacht werd ze afgelopen voorjaar alsnog juf. In het Nederlands. Thuis-onderwijs. Het ging moeizaam, vertelt ze. „Mijn uitspraak is een beetje anders.” Haar dochter knikt hevig: „Ja. Soms zei ze de woorden fout en dan schreef ik dat en dan zei ze ‘nééé!’ en dat vond ik niet leuk.” Rajee, lachend: „We kregen een beetje ruzie.” Het voordeel, zegt ze: „Ik leerde zelf ook veel woorden.” Op een aanbod van de school vlak voor de zomer zeiden Rajee en haar man ja. Twee weken extra les voor de kinderen, midden in de zomervakantie.

Foto Daniel Niessen

Aflevering 4

Jeroen slaapt eindelijk weer wat beter

Hij was dakloos, woont nu in de L-flat en probeert terug te komen in het ritme van alledag. Corona is niet meer dan een beproeving erbij. „Ik moet gewoon door.”

Jaren zag Jeroen op tegen zijn dromen. Moest hij wegrennen voor een onbestemd gevaarte. Zag hij het bloed weer stromen. Of hij zag de schuimbekkende man, van het teveel aan heroïne. Dan schrok hij wakker en was het vier uur ’s nachts. Slapen ging niet meer. „Ik bleef gewoon liggen en hoopte er het beste van.”

Jeroen (46) had vijf jaar geen thuis. Hij sliep in bouwketen, onder het dekzeil van een bootje, in de stapelbedden van de nachtopvang. Later woonde hij in onderkomens van het Leger des Heils.

Omwille van privacy wil hij alleen met zijn voornaam in de krant.

Tot 2014 had hij met zijn vrouw en drie kinderen in de Gero-flat gewoond, de grote gele naast de L-flat. Maar de relatie liep stuk en hij verloor zijn baan – in de vochtwering zat-ie. Jeroen vertrok en belandde op straat.

In de nachtopvang, zegt hij, bevind je je tussen alcoholisten, drugsverslaafden en psychiatrische patiënten. Altijd moet je alert zijn. „Ze stelen nog je gympen terwijl je slaapt.” Ook die ene man in pak blijkt niet te vertrouwen, de failliette zzp’er van wie je dacht dat hij bij de begeleiding hoorde. Liegt evengoed glashard.

Hij zag stuiptrekkende junks. Zag een man liggen in een plas bloed – het stroomde uit z’n pols, opengehaald met een vleesmes.

Jeroen ging zélf weer drinken, een zwakte van lang geleden. Wat moest hij dan, die honderden uren in het park tussen zijn nieuwe kompanen?

Begin 2019 boden het Leger des Heils en woningcorporatie Woongoed Zeist hem een eigen huis aan, hoog in de L-flat. In ruil voor die plek moest hij hulpverlening aanvaarden en zijn geldzaken overlaten aan een bewindvoerder. Hij leeft sindsdien van 40 euro per week, en loopt bij de Voedselbank.

Foto Daniel Niessen

Hij vond een baan, als sloopwerker, waarmee hij terug wilde naar het ritme van alledag. Hij stond met een ladder op een trap en verwijderde stucwerk toen de trapleuning het begaf. Hij viel en brak zijn stuitje op de rand van een traptree. Een zenuw raakte bekneld, de pijn was hels. Net een paar maanden woonde hij in de L-flat toen. Hij belandde in de ziektewet. Een paar maanden later kwam de hevige pijn terug toen hij moest niezen. „Ik kon twee weken amper lopen.”

Met zijn appartement in de flat is hij blij. Vooral met het uitzicht – „zo groen, jongen”. Hij kan de Dom zien. En de traumahelikopters op weg naar het UMC. Ze scheren over het dak, alles gaat ervan klapperen.

Verder bevalt het wonen in de flat hem slecht. Het trekt hem terug in het verleden dat hij als toekomst verwerpt. „Er wordt hier een bepaald soort volk gestopt”, zegt hij. „Mensen met psychische problemen.” Hij ziet het aan mensen in de lift. De wezenloze blik in hun ogen. Zo keken mensen in de daklozenopvang ook, zegt hij. „Soms heb ik het gevoel dat ik in een veredelde kamer van de nachtopvang zit.”

Corona, dat is gewoon een beproeving erbij. Er is minder keus bij de voedselbank – minder pasta, groente, koffie. „Ik krijg heel vage dingen”, zei hij in september. „Geitenmelk in plaats van gewone melk.” Zijn ouders in Zaandam kan hij niet opzoeken: hij mijdt het openbaar vervoer vanwege het besmettingsrisico, en een auto heeft hij niet.

De Flat, seizoen 3 - Aflevering 4: Jeroen Lucas - Foto Daniel Niessen - oktober 2020 - Jeroen was vroeger dakloos, nu woont hij weer in de L-flat, vroeger woonde hij ook al in de Gero flat (naast de L-Flat) samen met zijn ex. Op de foto heeft hij een kaart vast van zijn jeugdliefde waarmee hij nu weer in contact is.
De Flat, seizoen 3 - Aflevering 4: Jeroen Lucas - Foto Daniel Niessen - oktober 2020 - Jeroen was vroeger dakloos, nu woont hij weer in de L-flat, vroeger woonde hij ook al in de Gero flat (naast de L-Flat) samen met zijn ex. Op de foto heeft hij een kaart vast van zijn jeugdliefde waarmee hij nu weer in contact is.
Foto Daniel Niessen

Het virus bemoeilijkt ook de liefde. Hij heeft een nieuwe relatie, met een Filippijnse. In Amsterdam verkoopt ze merkkleding en tassen die ze importeert uit haar moederland. In het voorjaar vloog ze naar Manila, en kwam vast te zitten in een van de strengste lockdowns ter wereld. Ook hun vierde maand samen vierden ze videobellend.

Jeroen ging dit jaar de ziektewet uit en de bijstand in. Maar hij wilde weer werken. „Ik moet gewoon door.” Hij verstuurde van lente tot nazomer „twintig of vijfentwintig” sollicitatiebrieven – meestal naar schoonmaakbedrijven. Zijn kansen achtte hij klein door corona. „Piloten verkopen nog pinda’s tegenwoordig”, zei hij op gesprek bij een schoonmaakbedrijf dat hem niet in dienst zou nemen.

Maar dat was september. Vanaf half oktober kon hij ineens aan de slag als orderpicker bij een groothandel in hout. Fulltime. In Zeist. Hij denkt dat zijn rug het zal houden. Het werkritme is goed voor zijn slaap. Zijn dromen werden al minder heftig de laatste tijd.

Hij blijft voorlopig graag onder bewind staan. „Zodat geld mijn pakkie-an niet is.” Misschien kan hij wat sparen nu, zegt hij. Kan hij, als de coronaregels het toestaan, eindelijk een keer weg. „Ik ben tien of elf jaar niet op vakantie geweest.”

Aflevering 5

De dood is wreder, dit jaar

Cynthia, moeder van Jax en overtuigd ouderenverzorgster, maakte corona van dichtbij mee. Op haar afdeling woont nu een heel nieuwe lichting ouderen.

Cynthia Dickhoff is 29 en woonde in haar leven tientallen uitvaartdiensten bij. Ze houdt ervan. De muziek, de uitgesproken dankbaarheid voor het geleefde leven, het waardig afscheid. Sinds haar zestiende werkt ze in de ouderenzorg. Ze bezocht afscheidsdiensten van bewoners die stierven na een tia, na alzheimer of gewoon omdat ze oud waren.

De laatste twee jaar werkt ze in Utrecht op een kleine, gesloten afdeling voor ouderen met dementie. Corona kwam vroeg, nog vóór de eerste lockdown. Een mevrouw op een hogere verdieping bleek besmet. En deze mevrouw, lief en in de war, „liep de hele dag overal heen”. Op Cynthia’s afdeling woonden zeven mensen. Vijf kregen corona. In hun neusgaten stak Cynthia slangetjes vastgeklonken aan zuurstoftanks. En ze deed het nog eens en nog eens en nog eens want de mensen trokken de slangetjes eruit. „Het zit ook niet prettig”, zegt ze. Later hapten ze naar zuurstof.

Cynthia babbelt erop los op de werkvloer en een man van hoog in de tachtig babbelde altijd terug. Over zijn zoon, met wie hij niet veel contact meer had, over vrouwen ook – „hij hield wel van vrouwen wat ik begreep”. De man had al kanker gehad en er was ook iets met z’n longen. ‘Dit wordt natuurlijk niks’, dacht Cynthia toen hij corona kreeg. Het sterven duurde zes weken, hij sleet ze afgezonderd op zijn kamer. „Tot maandag”, zei hij voor het weekend tegen Cynthia. Hij ging dood op zondagavond. De vier andere bewoners stierven ook, na net zo’n eenzaam ziekbed. Naar hun afscheidsdienst mocht ze niet.

Het was wachten tot ze zélf corona kreeg. Ze liet zich vier keer testen, maar nee, telkens niets. Uiteindelijk werd ze geveld door een stofzuiger. Ze zette ’m weg, thuis in de flat in september, en het schoot in haar rug. De hernia is ernstig, ze loopt alsof ze schuin onder een halfhoog koord door moet. Ze zit thuis nu, en vindt het „echt verrot” dat ze niet kan werken. Op haar afdeling, met een heel nieuwe lichting ouderen, is alweer een bewoner besmet.

In de L-flat woont Cynthia pas sinds begin dit jaar. Dat was een overgang want ze is van de stad. Ze groeide op in Zuilen en voetbalde bij DOS. Haar moeder woont in Kanaleneiland. Aan de binnenkant van Cynthia’s pols, in Gothisch font, staat het Utrechtse kengetal getatoeëerd. Erboven prijkt de Dom. Hij strekt zich uit tot haar elleboog.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

Eind vorig jaar had ze een huis nodig, en snel. Ze was moeder geworden, van Jax, en de relatie met de vader was uit. Ze stond al tien jaar ingeschreven, maar in Utrecht kreeg ze niks.

De L-flat had plek. Zeist leek haar „veel te ver”, maar ze ging toch kijken. „Bleek het maar een kwartier rijden!” In het appartement op tien hoog woonden Oeigoeren. De man des huizes zag de Dom op haar arm en wees uit het raam. „Je kunt ’m zien”, sprak de Oeigoer tot de vrouw uit Zuilen.

Cynthia praat nu met affectie over het Utrecht van búíten de stad – het Panbos, de winkels van Zeist, de „regio-Bunnik”.

De L-flat zelf blijkt een soort stad op zich te zijn. Met stadse beroering. Jeugd hangt tot laat rond de snackbar bij portiek 1. Ook ’s nachts rijden er aardig wat auto’s langs de flat.

Foto Daniel Niessen

Als ze sirenes hoort loeien, checkt ze op een 112-site de bestemming van de hulpdiensten. En toen in het voorjaar een paar auto’s uitbrandden op het parkeerdek voor de flat, liep Cynthia met een kopje koffie en een sigaretje de galerij op om het tafereel op haar gemak te aanschouwen. Met excuses naar de autobezitters: „Hier gebéúrt tenminste wat.”

Half oktober hoorde ze sirenes van een ambulance heel dichtbij komen. Het geluid stopte ergens onder haar raam. Ze keek online: een trauma-helikopter bleek in aantocht. Dat is niet leuk, dacht ze, maar wel heel mooi om te zien. Zij de galerij op. Ze keek naar beneden. Nog vóór ze de ambulance zag, zag ze het lichaam op de stoep. Een man bleek te zijn gesprongen. De man woonde in de flat, meldt de woningcorporatie van de L-flat bij navraag. Hij kreeg hulp voor problemen.

Cynthia belde haar moeder die dag en vertelde huilend wat ze had gezien. Ze heeft veel doden gezien, veel stervenden ook. Maar dit jaar is de dood wreder.

Praten over zelfmoordgedachten kan anoniem via de chat op 113.nl, of bel 113 of 0800-0113.

Aflevering 6

De wijkagent grijpt vaker naar de bellenblaas

Wijkagent Sarah-Joy vermoedt een verband tussen corona en toename van escalerend gedrag. Maar ze koestert de leuke dingen in de flat.

Sarah-Joy van der Hoff (32) wilde lerares Frans worden, neusde rond in het onderwijs en miste de actie. Sinds drie jaar is ze wijkagent in Zeist-Noord, waar de L-flat onder valt.

Met de actie zit het goed nu.

Een bewoner gooide in oktober een pak tomatensoep van een hoge etage over de reling. Het pak miste mensen op de stoep net, en spatte uiteen op een geparkeerde auto. Mogelijk had een burenruzie op die etage ermee te maken, dus Van der Hoff sprak de bewoners aan. Beiden ontkenden het soepwerpen.

Een verwarde bewoner stak daags daarvoor afval in brand op de stoep voor de flat. Van der Hoff en collega’s belden met zijn hulpverlener. Kon hij hier wel zelfstandig wonen? Mogelijk verhuist hij binnenkort uit de flat.

Een andere verwarde bewoner trok in de zomer elektriciteitskabels uit zijn muren en knipte ze open. Van der Hoff en haar collega-wijkagent gingen zijn appartement binnen en troffen hem in paniek. Ze fouilleerden hem. Achterin zijn broek zat een slagersmes met een lemmet van twintig centimeter. Acute opname in een instelling volgde.

Foto Daniel Niessen

Van der Hoff vermoedt een verband tussen corona en toename van escalerend gedrag in de flat: bewoners met psychische problemen die tijdens lockdowns niet de zorg krijgen die ze nodig hebben, door opgeschorte dagbesteding en uitgestelde hulpverlening. Zoals de huismeester van de flat eens zei: „Hier wonen nu eenmaal veel mensen met een rugzakje.”

Juist deze zomer ging het aantal wijkagenten in Zeist-Noord van drie naar twee. Een collega moest naar Bunnik, daar was het tekort aan blauw nijpender. Van der Hoff maakt geregeld overuren nu.

Ze wil niet klagen. Ze switchte niet van carrière om te patrouilleren in een gezapig ‘Pleasantville’. Hier, rond de L-flat, is de wijkagent nodig. In november vorig jaar ontruimde ze een appartement van waaruit werd gehandeld in harddrugs. In juni rende ze op het parkeerdek een konijn achterna – het bleek te zijn achtergelaten door zijn eigenaar. In augustus beboette ze een bewoner die om vijf uur ’s ochtends de buren uit hun slaap schreeuwde.

De agressie heeft zich een enkele keer tegen haarzelf gekeerd. Een naar de politiewagen geslingerde vuilniszak, een naar haar hoofd geslingerde krachtterm. Het zijn uitzonderingen, benadrukt ze.

Ja, trouwens, appt ze na afloop van een interview, is er ook belangstelling voor alle ronduit léúke dingen van haar werk rond de flat? De „positiviteit in de wijk” waar ze „heel trots” op is? Dat bewoners haar tijdens haar fietsronde vaak begroeten met een oprecht „Hé Sarah!”? Dat ze in oktober naar het inloophuis van de flat ging om het twintigjarig bestaan mee te vieren? Dat een bewoonster vroeg of ze langskwam op de verjaardag van haar dochtertje?

Foto Daniel Niessen

Ze kan nog wel even doorgaan. De positieve reacties onder de foto’s die ze plaatst op het Instagram-account van politie Zeist-Noord (1.452 volgers). De slinger van handgemaakte felicitatiekaarten die bewoners haar gaven toen ze met zwangerschapsverlof ging. „Ik heb die slinger nog.”

Ja het is waar, ze draagt een semi-automatisch wapen met een kaliber van 9 millimeter en een trekkerdruk van 4.000 gram in double-action, maar vaker grijpt ze naar de bellenblaas die standaard in haar fietstas zit. Die deelt ze uit aan kinderen in de flat, en ze knoopt er meteen een praatje aan vast. En op het eind van de eerste lockdown, bij de feestelijke heropening van de Weggeefwinkel achter de flat, kreeg ze van eigenaar Jantje Paasman plots de microfoon in handen gedrukt. Of ze het officiële aftelmoment wilde verrichten. „Eh ik?”, zei ze. „Oké. Daar gáán we: …”

Begin juni was dat, toen Nederland zich virusvrij waande en op zonovergoten terrassen proostte op de goede afloop.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

Sinds de tweede golf moet Sarah-Joy van der Hoff bewoners rond de flat weer streng aanspreken op het houden van afstand. En overlegt ze weer via het computerscherm met het sociaal wijkteam en de woningcorporatie over het wel en wee rond de flat.

Half oktober gebeurt het ergste. Een flatbewoner maakt een fatale sprong. Van der Hoff zelf heeft op dat moment geen dienst.

Corona komt nooit gelegen: een paar dagen later breekt het virus uit in het politieteam van Zeist. Een paar collega’s raken besmet, alle voorzorg ten spijt. Ook haar collega-wijkagent.

Dan test ze zelf positief. De L-flat is een week zijn wijkagenten kwijt.

„Ik heb het echt te pakken”, zegt ze tijdens de quarantaine door de telefoon. Haar stem klinkt nasaal.” Eerst ging bellen niet, door de keelpijn.”

Een paar dagen later vertelt ze dat het veel beter gaat. Ze gaat snel weer beginnen. „Het heeft lang genoeg geduurd.”

Aflevering 7

‘Of course ga ik naar de kerk!’

Joany is verzorgende in een verpleeghuis. Vrees voor het virus heeft ze niet. „Ik hoef ook niet angstig te zijn. Ik weet: ik ben een kind van God.”

Joany Chery (52) zit in haar woonkamer, die vol planten staat. Er staan zelfs potplanten buiten haar voordeur op de galerij – het enige groen temidden van tientallen meters flatbeton.

„Ja, ik ben echt een plantenpersoon. Echt een tuinpersoon. Ik had ook een tuin – ik woonde hiervoor in een eengezinswoning, in een andere wijk in Zeist. Mijn balkon is nu mijn compensatie. Maar ik zit er weinig meer, eigenlijk. Ook in de zomer niet. We hebben nu twee keer plagen gehad van muizen. Ik ben niet bang voor ze, maar ik wil ze niet in mijn huis! Normaal stond m’n balkondeur wijd open. Maar keuteltjes op het balkon zijn aan de orde van de dag.

Ik werk als verzorgende in een verpleeghuis. Het is intens, door corona. Na een dienst kom je thuis, en dan is het baden, slapen – en de volgende dag de dienst weer in. Het is ook best wárm, de hele dag met zo’n mondkapje op. Er moeten inderdaad soms bewoners in quarantaine ja. Daar vertel ik liever niet over.

Foto Daniel Niessen

Nee, ik ben niet angstig hoor, voor corona. Helemaal niet. Ik hoef ook niet angstig te zijn. Ik ben een gelovig persoon. Ik weet: ik ben een kind van God. Ik heb elke dag het woord van de Vader in mij, en het woord van de Vader is leven, en het is licht. Ik bid ook veel, dan praat ik tot de Vader: ‘Vader, ik ga op pad, leidt u mij, beschermt u mij, bedek mij met het bloed van Jezus, bedek me met uw licht – en bescherm ook de cliënten waar ik naartoe ga’. Dus ik ben helemaal niet bang om te werken! God doet het werk, niet ik!

Ja, ik draag wel een mondkapje, klopt inderdaad. Dat is het protocol. Daar moet je gewoon aan gehoorzamen. Praten over het vaccin dat misschien komt, vind ik nog te vroeg.

Ik ben geboren in Suriname. Paramaribo. Hartje stad woonde ik. Ik kwam naar Nederland via mijn man, mijn ex-man. Hij woonde al sinds jaar en dag in Nederland, maar hij kwam soms op familiebezoek. Hij is ook een tijdje naar mijn school gegaan, de middelbare ja, en zo leerden we elkaar kennen – ik was negentien denk ik. Toen hij weer terugging naar Nederland, gingen we corresponderen. Ouderwets schrijven hè, echt brieven schrijven. Op een dag werden er twee brieven bezorgd, eentje voor mijn moeder en eentje voor mij. Schreef hij mij of ik met hem wilde trouwen! En of ik naar Nederland wilde komen! Ik dacht: tróúwen? En Néderland? M’n moeder heette Hillegonda maar we noemden haar Gonda dus ik zeg: ‘Gónda! Hij schrijft dat hij met mij wil tróúwen!’ Zegt zij: ‘Ja, en mij vraagt hij om jouw hand!’ Het was een hele leuke dag.

Ik heb eerst kort met hem in Utrecht gewoond, toen op een basis van de NAVO in Duitsland, hij zat bij het leger. Daarna gingen we naar Zeeland. We kregen twee kinderen maar zijn later wel gescheiden – we gaan nog goed met elkaar om.

Toen belandde ik in Zeist, in die eengezinswoning, inderdaad. Maar ik werd heel ziek. Het begon met m’n ogen. Glaucoom, druk op m’n ogen. En ik kreeg ook last van m’n longen, pijn op de borst en moe. Uit voorzorg bedacht ik toen: laten we maar verhuizen naar iets goedkopers. Want ik zou misschien wel minder kunnen werken. Toen ben ik in de L-flat komen wonen, in 2013 was dat. Eerst dacht ik: wat een versleten boel hier! Maar ze gingen toen net de buitenkant renoveren.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

Mijn ziekte heeft mij dichterbij de Vader gebracht. Absoluut. Ik dacht: Vader, wat moet ik hier van leren? Dat het om Zijn waarheid gaat, om wie Hij is. Als de Vader met je praat, voel je de intense liefde in je hart.

Of course ga ik naar de kerk! De profetische kerk, Revival Land. We zaten in Den Haag, maar sinds kort, echt een paar weken, hebben we een eigen gebouw in Rotterdam. Drie keer per week gaan we, m’n kinderen en ik. Vrijdag, zaterdag, zondag. Elke dag heen en weer ja, met de trein. Het is een feest. Een feest! Waarom: omdat je in de aanwezigheid bent van de Váder! Als de Geest je vult - je gaat lachen, je kan huilen, je kan… oh my goodness, alles eigenlijk.

We komen nu met maximaal dertig mensen samen. We dragen een mondkapje. En vrijdag, de bevrijdingsdienst, is nu meestal online. Je bidt mee achter het scherm, je zingt mee, je laat comments achter als iets gezegd wordt wat belangrijk is, of je ‘geeft’ applaus, via zo’n plaatje met handjes ja. De belevenis is gewoon hetzelfde. Want het is nog steeds een encounter met de Heilige Geest.”

Foto Daniel Niessen

Aflevering 8

Kort na Desbele’s komst moesten Eritreeërs samenhokken

Eritreeër Desbele doorstond een helse reis naar Europa, en belandde in 2015 in de L-flat. Hij kreeg een appartement voor zichzelf. Hij wel.

Uit Eritrea komt zelden goed nieuws. Nu is het land verzeild geraakt in de strijd tussen Ethiopië en deelstaat Tigray. Maar het staat vooral bekend om de stelselmatige onderdrukking van de eigen burgers. De militaire dictatuur, de eindeloze dienstplicht, het erbarmelijk onderwijs, de armoe. In 2018 passeerde het aantal vluchtelingen uit het kleine land de half miljoen. Naar verhouding zou dat in Nederland neerkomen op een leeggestroomd Amsterdam en Rotterdam.

In Zeist wonen Eritreeërs vaak in de L-flat. Zoals Desbele, een man van dertig. Hij is klein van stuk, heeft een schalkse blik in zijn ogen en een spleetje tussen zijn tanden. Hij woont op dertien hoog in een huiskamer met aan de muur posters van Jezus en Maria en in de hoek een koelkast. Hij serveert cola aan zijn tweekoppig bezoek – NRC en een Eritrese kennis van 24 uit de buurflat. Haben heet hij en het is fijn dat hij er is want Desbele praat zacht en in korte zinnen. In het Tigrinya beweegt Haben hem af en toe tot meer tekst, uitleg en volume.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

Ook Desbele hing na zijn schooltijd de lange dienstplicht boven het hoofd, vertelt hij. Hij liet zijn broers en zussen en moeder op zijn 22ste achter zich, glipte Ethiopië in en bereikte Soedan. De tocht van Soedan naar Libië voert door de Sahara. Een konvooi van twee pick-ups elk volgeladen met tegen de dertig vluchtelingen denderde door het zand – chauffeurs rijden hard, ze krijgen per rit betaald. Desbele zag de pick-up naast hem over de kop slaan na een zandduin, reisgenoten werden de wagen uitgekatapulteerd. Desbele telde vier doden. „Twee mannen,” zegt hij zachtjes, „en twee mevrouwen van 18 en 25 denk ik zo.” Ze begroeven hen halfslachtig in het zand. Het moest snel, de chauffeurs wilden verder.

Vanaf de Libische wal stapte Desbele een vluchtelingenboot op die kort na vertrek werd ontdekt door de kustwacht. Bewakers brachten hem naar een huis van bewaring. Hij sliep er op een matras op de grond en mocht alleen ’s ochtends naar buiten, „in een soort tuin”. Na zes maanden lieten bewakers hem gaan. Mishandeld is hij er niet, zegt hij.

De tweede vluchtpoging slaagde, zijn boot verliet de Libische wateren ongezien. „Geluk”, zegt Desbele. Er waren 250 mensen aan boord. Waren er baby’s bij? „Ja.” Was hij bang? „Ja.” Wat deed je: juichen, toen je in Italië aankwam? „Jaja.”

Waarom hij uiteindelijk naar Nederland reisde kan hij niet goed uitleggen. Zijn kennis van het land reikte niet veel verder dan ‘Robben’ en ‘Van Persie’. Noorwegen had ook gekund – daar belandde een vriend.

Desbele kwam in Nederland aan in mei 2014 en kreeg binnen een jaar dit L-flat-appartement toegewezen. Hij haalde zijn inburgeringsexamen en deed een ‘MBO-entree’-opleiding.

Haben kwam een jaar na Desbele in Nederland aan. Dat maakte uit. De term ‘vluchtelingencrisis’ was net gemunt, Nederlandse sporthallen liepen vol, gemeenten kregen statushouders nauwelijks nog gehuisvest. In sommige steden en dorpen zag een nieuwe praktijk het licht: het plaatsen van drie Eritreeërs in één huis. Want waren die mannen niet overwegend jong en alleenstaand?

In Zeist gebeurde dit ook. In de gele hoogbouw naast de L-flat kreeg Haben een appartement met twee landgenoten die hij nauwelijks kende. „Het appartement was voor twee personen”, zegt hij. „Ze hebben de woonkamer voor de derde persoon gemaakt.”

In 2018 stopte dit beleid in Zeist. Achter sommige voordeuren was sprake van spanningen, ruzie en overlast. Bovendien was inmiddels de noodzaak weg: het aantal nieuwe asielzoekers was drastisch afgenomen als gevolg van de voortschrijdende fortificering van Europa.

Maar terúggedraaid werd het beleid niet: Eritreeërs die nog samenhokten, moesten zelf op zoek naar een nieuw huis. Haben zoekt al drie jaar, op de krappe sociale huurmarkt van Midden-Nederland. „Ik ben moe van het zoeken.” Hij woont nog altijd op zijn kleine kamer. „In de zomer is het gewoon… hoe noem je… Ja, benauwd.”

Foto Daniel Niessen

Van de nieuwe oorlog in Ethiopië en Eritrea vernemen ze weinig. Het internet in de regio ligt plat. Desbele heeft wel zijn moeder kunnen bellen. Ze woont dichtbij de grens met Tigray, het strijdtoneel bevindt zich op tientallen kilometers. „Ze is bang.”

Zijn leven in Nederland, dit parallel universum, daar richt hij zich op. Hij wil timmerman worden maar werkt nu in de keuken van Kentucky Fried Chicken. Hij belegt er de broodjes. Door de coronacrisis is hij teruggegaan van vijf dagen naar vier. Haben wast af in een hotel in Zeist – een eerder horecabaantje raakte hij kwijt.

Ze willen beiden hun Nederlands verbeteren. Op een kast in Desbele’s slaapkamer ligt een veelzijdig stapeltje boeken. Veelzijdiger kan eigenlijk niet. Onder Het Achterhuis van Anne Frank („Zij was slim hè? Tweede Oorlog hè?”) ligt Bert en Bart redden de wereld. Daaronder ligt Margriet Sitskoorns Het 50+brein – ouder wordende hersenen in de moderne maatschappij. En waarom ook niet. Vergrijzen zal hij hier doen.

Aflevering 9

Terug naar Suus, Alend en de anderen

Suus heeft met buren bijna geen contact meer, Malky geeft weer rijles. En Alend wil in de flat blijven wonen.

Suus zit op de bank in haar woonkamer op vijfhoog. Ze draagt een spijkerbroek met grote scheuren, haar knieën steken er helemaal uit. Door het raam rechts van haar bungelen hoog in een boom nog altijd neergeworpen gympen aan een tak. „Het wasrek en de step hangen er ook nog, verderop.”

Ze is 14, het is bijna een jaar geleden dat ze NRC over haar leven in de L-flat vertelde. Dat ze als klein meisje nooit speelde op het gazon achter, omdat mensen dingen naar beneden gooiden. Dat ze graag een huis met een tuin wilde. Een huis met minder buren. „Zodat je elkaar beter kent.”

Foto Daniel Niessen

Suus zit in 3-vwo nu. Met schaken is ze gestopt, ze wilde „meer op rugby focussen”. Maar ook de rugbytraining slaat ze vaak over, omdat ze het druk heeft op school. „Ik heb echt niet normaal zoveel vakken.” Op zaterdag werkt ze in de Albert Heijn, aan de andere kant van Zeist. „Daar werken mijn vrienden.”

In de flat heeft ze „echt met niemand contact meer”. Flatvriendje Daniël is verhuisd, en portiekgenoot Alend, met wie ze vroeger nog weleens afsprak, ziet ze alleen in het voorbijgaan.

Ja haar buren, zegt Suus, die spreekt ze soms. Door de intercom. Want ze is haar portieksleutel kwijt, dus als ze beneden staat en haar moeder is niet thuis, dan belt ze bij hen aan: „Hallo, hier is het buurmeisje weer!” Ze vindt haar buren heel aardig, door de intercom.

Ze wilde een jaar geleden al weg uit de L-flat, en nu wil ze dat al helemaal. De grote verbouwing van de flat komt eraan, en die zal zeker twee jaar duren. Geboor hoor je straks door de hele flat heen, zegt ze. „Volkomen ruk.” Haar moeder zoekt al tijden naar een huis. „Het lukt vast ooit, op een dag”, zegt Suus.

Welcome, welcome

Zes verdiepingen hoger, recht boven Suus, woont Ahmed el Malky. Egyptenaar van geboorte, vijftiger, taxichauffeur en rij-instructeur. Nooit was zijn leven zo hard tot stilstand gekomen als tijdens de lockdown, vertelde hij in de lente. Maanden stonden zijn Volkswagen Polo en Mercedessen werkeloos op het parkeerdek voor de flat. En nog steeds is de taxibusiness „armzalig”, vertelt hij door de telefoon. Toch heeft hij nét genoeg inkomsten want zijn rijschool loopt wél goed. Met dank aan zijn Arabisch. Syriërs komen graag bij hem lessen, vertelt hij. Ze komen uit heel de provincie Utrecht – mondkap-op-mondkapreclame.

Foto Daniel Niessen

Rechtsonder in dezelfde portiek opent Naeim Rabbat (52) zijn voordeur, de chefkok uit Aleppo die per rubberboot de EU bereikte. Een gesprekje bij zijn deurpost vindt hij maar niks. Hij gebaart richting zijn woonkamer. „Welcome welcome.” Hij blijkt al aan het avondeten begonnen, hij en zijn vrouw en twee tienerdochters. Ze scheppen een extra bord vol met rijst en salade, tegenstribbelen maakt geen indruk. Opeten mag op hun hoekbank, op afstand. „Good good.” Vervolgens vertelt Naeim Rabbat dat hij door de coronacrisis zijn baan kwijtraakt, bij een Libanees restaurant in Amsterdam. Dochter Naya: „Hij moet naar het UWV.” Naeim: „OWV?” „Néé, ÚWV”, zegt Naya. Ze heeft een paar vragen, namens haar vader. Moet híj naar het UWV stappen, of moet zijn baas dat doen? En: wat moet hij doen als hij een baan krijgt voor zeg tien uur per week – krijgt hij dan geen uitkering meer?

Drie portieken verder, op twaalf hoog, herhaalt Grada Lammers door de telefoon wat ze in de eerste lockdownweek in maart zei: dat ze het coronaleven „sáái” vindt. Al geeft ze wel weer naailes nu, elke dinsdag in het inloophuis van de flat. Alleen: een mondkapje is daar verplicht, en ze verstaat mensen met een mondkapje slecht. „Ik hoor deels door liplezen.”

Ze is 89 inmiddels, maar bang voor corona is ze niet. Zoals ze in maart ook al zei, ze is niet zo „vatbaar” voor virussen, want ze heeft alleen „rond 1960” één keer de griep gehad. Jennie van haar wandkleedgroep, díé is vatbaar. Zij niet. Kijkt ze niet uit naar het vaccin dan? „Mmja. Ik weet niet of het voor mij zoveel uitmaakt.”

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

Gewoon leuk

Terug bij portiek 1, tegenover de snackbar, staat een groepje jongens. De oudste van het stel draagt blote voeten in sportslippers en erboven een joggingbroek en Nike-vest.

Het is Alend.

In de zomer van 2019 gaf hij NRC als veertienjarige een rondleiding om de flat. Suus haakte nog aan, toen. Alend vertelde over zijn vader, die overleed toen hij acht was en over zijn moeder die slecht ter been is. Over de tijd dat ze bij de voedselbank liepen. Dat hij zijn eigen geld wilde verdienen en daarom friet bezorgde voor de snackbar van de flat. Dat hij later chirurg wilde worden.

We lopen naar zijn favoriete bankje, aan het bospad achter het parkeerdek. Het blijkt omgeven door afval, maar Alend neemt onverstoord plaats. Zijn antwoorden zijn, als altijd, kort. Hij wordt bijna zestien inderdaad. Hij zit in 3-vmbo. Hij heeft het druk, het is een „tentamenjaar”. Hij bezorgt daarom nog maar één dag per week friet. Hoe is het thuis? „Goed.” Hoe is met je moeder? „Beter. Ze kan steeds beter lopen.” Komt ze meer buiten? „Dat niet zozeer, maar ze loopt makkelijker in huis.”

Nee, zegt Alend, hij wil geen chirurg meer worden. „Ik zie mezelf niet zo lang leren. Niet zolang in de boeken zitten.” Mbo-4 wil hij afronden, misschien hbo daarna. „Dan vind ik het voldoende voor mij.”

In de flat vindt hij het „gewoon leuk”. Naar de verbouwing ziet ook hij niet uit, wel naar het vernieuwde appartement daarna. En heeft hij z’n vrienden hier – een „gelukspuntje.” „Als ik verhuis,” zegt hij, „moet ik weer helemaal opnieuw beginnen.”

Foto Daniel Niessen

Aflevering 10

Pech is geen toeval meer, hier in de L-flat

NRC maakt de balans op na anderhalf jaar meelopen in deze kolos van een sociale huurflat. De malaise is er groot. Maar cijfers vertellen niet alles.

Wat is die flat toch groot. Ook na anderhalf jaar went het niet. Het massieve van de bouw valt buiten de maat waaraan een Nederlands oog gewend is. Idem dito voor een Syrisch oog of een Egyptisch oog trouwens, is bij navraag gebleken. De L-vormige omtrek is bijna een kilometer, en hij is ruim veertig meter hoog. De naam is L-flat, maar een X ervoor had niet misstaan.

Foto Daniel Niessen

Het inzoomen op het leven in een grote sociale huurflat, met dat doel maakte ik met fotograaf Daniel Niessen vanaf de zomer van 2019 de L-flat in Zeist tot standplaats. Steeds meer kwetsbare mensen komen terecht in wijken die al te boek staan als zwak. Buurten gekenmerkt door geldgebrek, taalachterstand, stokkende integratie, eenzaamheid. In de L-flat komen die problemen samen onder één dak, was de veronderstelling. Acht portieken, ruim zevenhonderd voordeuren, bijna honderddertig mensen in de bijstand. De flat had jarenlang een eigen voedselbank – de drukste van Zeist.

In en om de flat sprak ik met tientallen bewoners en betrokkenen. Van schoolkinderen tot een hoge tachtiger, van geboren Zeistenaren tot gevluchte Eritreeërs. Ik logeerde in de wijk, liep mee met medewerkers van de wooncorporatie, met de schoonmakers, de wijkagent, de vuilruimer. Het mondde uit in ruim dertig bewonersportretten en reportages in tekst en beeld, van (pre-pandemisch) februari tot in december.

Het vellen van een gitzwart eindoordeel is niet moeilijk. Anekdotes zat. Haal je ze door de nieuwsmal, dan kom je tot koppen als: ‘Pitbulls wonen appartement uit’. ‘Jeugd pest vijftiger weg’. ‘Uitgezette drugsdealer schrijft zich weer in’. ‘Verwarde man elektrocuteert zich net niet’.

Al die anekdotes zijn waargebeurd. Maar ze dekken de werkelijkheid nog niet half.

De meeste mensen leven gewoon hun levens. Ja, dat doen ze in een probleemwijk, maar problemen overheersen hun levens niet. Ze voeden hun kinderen op, ze boenen hun keukens, ze laten hun honden uit, groeten elkaar in liften, gaan naar hun werk of voelen zich verloren omdat ze plots zónder werk zijn komen te zitten. De bekende ups en downs.

Met één belangrijke kanttekening. De kans op ‘downs’ is hier groter. De bandbreedtes zijn smal, het evenwicht is wankel. Financieel zitten uiteraard weinigen ruim: men woont niet voor niets in een sociale huurflat. Maar ook de gezondheid laat opvallend vaak te wensen over – en niet alleen mentaal. Suiker, nekpijn, een gat in de diabetesvoet, astma, beknelde rugzenuwen, een paar versleten knieën, een rijke historie aan klaplongen, het kwam allemaal ter sprake. Een slechte gezondheid verkleint de marges verder. Een bewoonster, 52 nu, verhuisde van een eengezinswoning naar de goedkopere L-flat omdat ze door haar glaucoom en longaandoening verwachtte minder te kunnen werken.

En werk, vaak laaggeschoold en fysiek veeleisend, schaadt andersom geregeld de gezondheid. Een voormalig dakloze bewoner kreeg een baan als sloopwerker, en terwijl hij staand op een ladder stucwerk verwijderde, begaf de trapleuning het en brak hij zijn stuitje. De enkel van de vuilruimer van de flat speelt nog steeds op. Hij heeft slechte ogen. Op het bospad achter het parkeerdek stapte hij in een konijnenhol.

Pech is hier geen toeval meer.

De flat zelf benauwt sommigen ook. Iedereen heeft een ruim balkon, maar vier vrouwen zeiden uit zichzelf en afzonderlijk van elkaar het hunne nooit te gebruiken vanwege muizen. Ze houden hun balkondeuren potdicht. Veel kinderen mijden het gazon achter uit vrees voor neerzeilend afval. Zelfs de huismeester van de flat loopt er liever niet. Een vrouw uit portiek zeven vertelde dat ze in haar leven maar een paar jaar school had gehad, in Marokko. Haar man was ziek en arbeidsongeschikt, het huishouden en de zorg voor hun kinderen rustten op haar schouders. Door al die taken kwam ze aan het verbeteren van haar Nederlands niet toe. Ze kon niet fietsen en overwoog op fietsles te gaan, maar, zei ze: wat als ik dan hard ten val kom? Wie zorgt er voor mijn kinderen?

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

Soundtrack

Zou ik een bijpassende soundtrack moeten noemen, voor haar leven en dat van vele mensen in de flat, dan zou ik Under Pressure kiezen. ‘Pressure, pushing down on me, pressing down on you’, zingen Bowie en Mercury. ‘Under pressure, that burns a building down, splits a family in two, puts people on streets.’ Het klopt bijna helemaal. Alleen belanden hier de mensen door ‘de druk’ niet op straat, nood drukt mensen juist de flat ín. Woningnood. Relatienood. Vluchtelingennood. De L-flat, die kolos, heeft immers meestal wel plek.

Onder druk van grote beleidskeuzes zijn in de afgelopen jaren bovendien steeds kwetsbaarder mensen in de flat beland. De ‘passende toewijzing’ van sociale huurhuizen aan vrijwel alleen de écht lage inkomens, de krimp van bedden in ggz-instellingen, de landelijk opgelegde statushoudersquota, de bezuinigingen op zorgbegeleiding en dagbesteding.

Dat alles klinkt abstract, totdat je hoort dat de wijkagent begin deze zomer oog in oog stond met een uit Oost-Afrika gevluchte ggz-klant die in paniek alle elektriciteitskabels uit de muur had getrokken (‘Verwarde man elektrocuteert zich net niet’). Hij werd acuut opgenomen in een instelling. Saillant: zijn buurman bleek kort daarvoor te zijn verhuisd en had óók een zorgverleden. Hij trok het niet als de Afrikaanse man naast hem het weer eens op een schreeuwen zette. Klagen bij de corporatie deed hij niet – hij vertrok met stille trom. „Een kwetsbare bewoner náást een kwetsbare bewoner!” riep een corporatiemedewerker uit op een zware dag. „De leefbaarheid in de flat gaat er aan onderdoor!”

Het kabinet-Rutte II riep de hulpbehoevende burgers van Nederland vanaf 2013 op tot ‘zelfredzaamheid’, tot het ‘formuleren van de eigen hulpvraag’. Dat evangelie van eigen kracht ging gepaard met een miljardenbezuiniging op de zorg en werd onlangs definitief afgeserveerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau. In de L-flat heeft de doctrine al nooit veel volgelingen gekregen. De beweging was – en ís – hier juist tegengesteld: een uitdijend systeem van stutten en steunen, omdat men beseft dat het nodig is. Het inloophuis in portiek zeven met lessen Nederlands voor anderstaligen en bewonerslunches voor wie maar wil, de Weggeefwinkel met gratis meubels en met kraampakketten voor armlastige zwangeren, de toewijding van medewerkers van wooncorporatie Woongoed Zeist en van de welzijnswerkers van Meander Omnium, het sociaal team, Buurtzorg, de wijkmanager, de overuren draaiende wijkagent die toch nog even langspiept bij de warrige meneer in portiek twee. Allen zijn ze tot op zekere hoogte sociaal werker geworden.

En dat geldt ook voor sommige bewoners. Er lopen hier verscheidene bewoners rond met de bijnaam ‘burgemeester’. Sterker, er valt onderhand een voltallig college van B en W samen te stellen. De blinde bewoner uit portiek zeven die onlangs op de Facebookgroep van de flat vertalingen deelde van de nieuwste Nederlandse coronamaatregelen – „van het Arabisch tot Swahili”. De Iraanse man en de Soedanese vrouw die ’s woensdags voor bewoners koken. De jongeman van Marokkaanse komaf die tijdens de lente-lockdown op de bewonersapp aanbood om boodschappen te doen voor oude bewoners. Hij bezorgde ze bij een oudere vrouw een paar portieken verder. Op haar bank keken ze naar The Passion.

Die solidariteit is ook een hulpverlener opgevallen die nieuw is op de flat. Zij spreekt van een „soort sociale warmte” die ze „niet helemaal had verwacht”. „Huishoudens waar armoede is, maar die wel een pannetje met eten naar de buren brengen of die hun voedselbankpakketten delen.” Ze voelt zich op haar gemak in de flat, vertelt ze. „Je praat hier meer met de kern van de mens. Iedereen hier weet van elkaar: we hebben het niet breed.” In dit geval is de dichtbevolktheid van de flat een voordeel: men kan elkaars noden herkennen omdat men elkaars noden beter zíét. En de nabijheid maakt het makkelijker om echt wat te dóén. Elke bewoner is omringd door honderden voordeuren. De prijs voor het brengen van soep naar twaalfhoog: een kosteloos retourtje met de lift.

Renovatie

Hoe groot de nood achter de voordeuren van de flat is, weet wooncorporatie van de flat Woongoed Zeist steeds preciezer. Medewerkers bezoeken sinds dit jaar alle huishoudens van de flat in de aanloop naar een grootscheepse renovatie: alle dik zevenhonderd appartementen krijgen een nieuw toilet, nieuwe leidingen, en, indien nodig, een nieuwe keuken. Woongoed Zeist gaat bij de bewoners langs om te kijken of de aannemer zijn werk goed kan doen, maar ook om contact te maken. Te horen en zien hoe het met de bewoners gaat. Want, zoals een corporatiemedewerker zei: „In de L-flat is zo’n renovatie nooit alleen een technisch en logistiek verhaal.”

De huisbezoeken aan de 91 appartementen van portiek één zijn – met fikse coronavertraging – afgerond. De meeste bewoners maken het goed, of goed genoeg – een belangrijke vaststelling. Tegelijk schrokken corporatiemedewerkers van wat ze achter sommige voordeuren aantroffen. Vervuilde, volgestouwde kamers. Bewoners die, zoals een medewerker vertelde, zich hadden „afgekeerd van de medemens” en hun heil zochten bij spullen. Eén man sliep op de bank. Voor een bed was geen plaats meer.

De renovatie is inmiddels begonnen, met proefboringen in het beton en vervanging van dakplaten. De geluidsoverlast is een nieuwe bron van druk. Het aantal bewoners dat zegt te willen verhuizen neemt toe, merkt een hulpverlener. „Sommige mensen die al bij ons lopen, stonden in razende paniek voor onze deur.”

Het moge duidelijk zijn: hier wankelde de volksgezondheid al vóór corona, hier bestond al eenzaamheid vóór de lockdown en hier wás al geen groepsimmuniteit tegen pandemische pech. Corona vergroot de problemen slechts uit. Slecht in Nederlands? Sterkte, met thuisonderwijs. Het inloophuis is uw „enige familie”? Jammer, het is dicht nu. U bent schoonmaker in een hotel, afwasser in het café? Nu niet meer. Astmatisch, diabetesklant, slechtziend? Succes in de supermarkt! Uit de nieuwskoppen van dit jaar spreken de macro-gevolgen. ‘Crisis verscherpt verschil gezondheid hoog- en laagopgeleiden’. ‘Door de sluiting van de school groeide de kloof’. ‘Groter verschil tussen arm en rijk’.

Dus toch een gitzwart eindoordeel? Meer bewoners zullen door het ijs zakken. En de ruim zeshonderd resterende huisbezoeken zullen leiden tot nieuwe ontdekkingen van eerder ingezet leed. Maar – zoveel heeft de doorgebrachte tijd hier geleerd – de cijfers die de maatschappelijke verschillen onderschrijven, vertellen niet alles. Armoede is meetbaar in euro’s, gezondheidsachterstand in levensjaren, dus die lenen zich voor rapporten en factsheets. Maar hoe meet je de nestwarmte die voelbaar is in het gezin van de werkloze Syriër? In welke eenheid vat je de weldaad van het praatje in de Weggeefwinkel? Hoe becijfer je de opluchting als je buurvrouw zich bekommert om jouw gehandicapte zoon? Dit alles klinkt week op papier. Maar in het leven van mensen onder druk zijn het wapenfeiten. Dat moet wel de slotsom zijn: met een grote, sociaal-economische conclusie valt geen mens samen.

Foto Daniel Niessen


Tekst Ingmar Vriesema
Foto’s Daniël Niessen
Eindredactie Peter Vermaas, Joyce Roodnat
Eindredactie epiloog Leonie van Nierop, Michiel Dekker
Fotoredactie Pauke van den Heuvel
Ontwerp en techniek Janko Bosch, Ruud Puylaert, Miriam Vieveen