Diversiteit in kinderlogica

Iedereen leest Op deze plek schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Deze week: Tweeling! van Mylo Freeman.

Dat uitroepteken in de titel staat daar niet zomaar: het is niet gewóón Tweeling. Het is Tweeling! De twee kleuters op het knalgele omslag, onder de koeienletters van de titel, staan ook nogal pontificaal te poseren. En toch zou je op het eerste gezicht niet zeggen dat zij gelijktijdig uit dezelfde moeder zijn geboren. Maar ja, heus, tóch is dit een tweeling, roept dat uitroepteken uit.

Zou dit prentenboek – het actieboek dat deze Kinderboekenweek, naast het gratis geschenk, voor een zacht prijsje verkocht wordt – soms met biologische vooroordelen spelen? Zou tekenaar Mylo Freeman hiermee misschien ruimte willen opeisen voor gemengde tweelingen, mixed twins, twee-eiige tweelingen van raciaal verschillende ouders?

Sinds dit jaar is merkbaar dat de roep om diversiteit en afspiegeling in kinderboeken gehoord wordt – en nagevolgd, zeker door illustratoren. Kinderen moeten zich in kinderboeken kunnen herkennen, is al jaren de boodschap. En inmiddels is geen kleuterklas meer spierwit – ook op tekeningen dus niet. Bovendien: veel getekende kinderen zijn zomaar zwart, zonder dat het in het verhaal een thema is. Dat Wouter Klootwijk in de met een Zilveren Griffel bekroonde novelle Naar de overkant schrijft over een zekere Eefje en haar moeder Klaasje die achter een Hollandse dijk wonen, weerhield illustrator Enzo Pérès-Labourdette er niet van om ze een zwarte huidskleur te geven.

Dat zoiets wél nog opvalt, tekent misschien ook de tijd waarin we nu leven. Mylo Freeman (1959), een van de weinige niet-witte Nederlandse illustratoren, speelt in Tweeling! met die ongebruikelijkheid – ook in haar verhaal. Wanneer de twee kleuters Robbie en Roef verkleed op school komen, allebei als ridder, zegt Roef tegen de juf: „U kunt ons niet uit elkaar houden, hè?” Waarop Robbie roept: „We zijn een tweeling!”

Is dat spel? Een grap? De juf neemt het nochtans volstrekt serieus: ze slaat hen tot ‘ridders in de tweeling-orde’. Maar haar vermogen tot kleurenblindheid bezit nog niet iedereen, laat Freeman subtiel zien. Eenmaal in de zandbak pakt een meisje een schepje, waarop Roef haar terugroept: „Hé, dat is de schep van mijn tweelingbroer.” Even later pakt Ella hem weer, misschien in ongeloof. En dan blijkt dat ze een tweelingzus heeft, Isa, die er precies zo uitziet als zij: „En wij zijn een ECHTE tweeling!”

Tekenaar Mylo Freeman ziet meer overeenkomsten dan verschillen

Roef en Robbie protesteren. Want tel de gelijkenissen even mee: ze zijn allebei ridders, houden het meest van honden, hebben een naam met een R én zijn op dezelfde dag jarig. Hm. „Ella en Isa besluiten dat Robbie en Roef dan ook wel echt een tweeling moeten zijn”, schrijft Freeman.

Daarom draait het dus: niet om gemengde ouderparen, maar om een herdefiniëring van het woord ‘tweeling’. Freeman heeft een lieve, zachtaardige boodschap: dat overeenkomsten er meer toe doen dan verschillen. Die boodschap komt vooral sterk over vanwege de kinderlijke wendbaarheid die Freeman daarvoor inzet: in kinderlogica is dit volstrekt denkbaar. En ach, waarom ook niet? Tweeling? Tweeling!

Reacties: boeken@nrc.nl