Recensie

Recensie Boeken

Hetzelfde trauma bezien door wisselende ogen

Last minutes before giving birth

Acht mensen aan het bed waarin je moet bevallen, en dan de vroedvrouw en de kraamhulp nog: wie ooit bevallen is, huivert bij het idee. Branduren, de derde roman van Cobi van Baars, is beklemmend en benauwend. Over het hele verhaal hangt een verstikkende waas. Tijdens de sterke bevalscène hapt zelfs de lezer naar adem. Van Baars zit haar personages dicht op de huid.

De roman is het portret van zes leden van twee families, verbonden doordat de jongste telgen, de twintigers Naomi en Bient (die doof is) die per ongeluk samen een kind maakten. Als in een estafette komen de personages om beurten aan het woord, met hier en daar een kleine sprong terug in de tijd. We zien hetzelfde door verschillende ogen: de een komt de ander tegen, in de supermarkt bijvoorbeeld. Wat vinden ze van elkaar, terwijl ze beleefd praten?

Het is een interessante vorm die vooral in de eerste helft van de roman goed werkt. Je kijkt om te beginnen mee door de ogen van Barbara, de moeder van de aanstaande moeder. De beginzin luidt: ‘Naomi is van na de brand.’ Dat zet wat volgt in een bepaald licht, of misschien liever gezegd: in een bepaalde donkerte.

Scheiding

Hoe verhoudt een mens zich tot zijn persoonlijke geschiedenis? En hoe werkt een gemeenschappelijk trauma uit in mensen van verschillende naturen? Dat is wat Van Baars verkent in deze roman. Vanaf de simpele eerste zin krijgt de vertelling steeds meer lading. Je gaat steeds beter voelen en begrijpen wat er verloren is gegaan bij de bewuste brand: de hele wereld zoals die was. Alles in dit boek is, net als Naomi, nadrukkelijk van na de brand, die in zekere zin allesbepalend is – voor haar kant van de familie. Nu moet Bients kant er ook mee leren leven. Andersom geldt dat ook voor zijn handicap, die erfelijk blijkt te zijn.

Het wisselperspectief werkt in de eerste helft van het boek heel goed. Wie in zijn eigen ogen normaal is en deugt, hoeft dat in de ogen van de ander niet te doen. De wedijver tussen de grootouders is bovendien vermakelijk. Maar helemaal evenwichtig is de roman niet. De tweede helft, waarin de baby tot een schoolmeisje is uitgegroeid en twee van de drie ouderparen uit de eerste helft intussen gescheiden leven, is minder sterk. Er wordt nu ingezoomd op de euthanasiewens van een van de personages, waardoor het estafetteperspectief aan kracht inboet. De euthanasie is vooral erg voor zijn dochter. Er gebeurt nog wel van alles wat verbindt, maar dat doet een beetje bedacht aan.

Ook stilistisch schiet de auteur nu tekort. De gevoelens omtrent het heengaan van de vader worden zwaar aangezet. Als de dochter naar haar stervende vader staart, luidt het: ‘Hij blijft me aankijken. Zijn blik helder. Levend. Intens. Zo intens dat ik me afvraag of hier, op de valreep, iets opengaat, zich openbaart misschien zelfs. Iets essentieels wat ik tot nu toe gemist heb. Ik voel paniek opkomen. “Wacht!” wil ik roepen, maar vanuit mijn ooghoek zie ik de arts al spuiten. Het is te laat.’ Dat is te veel.