Recensie

Recensie

De toekomst van moslims in Nederland

Islam in Nederland Arabist Maurits Berger geeft in zijn boek handvatten voor een harmonischer verhouding tussen moslims en niet-moslims.

De Essalam-moskee in Rotterdam, de grootste moskee van Nederland.
De Essalam-moskee in Rotterdam, de grootste moskee van Nederland.

Met dank aan de snelle aftakeling van het terreurnetwerk van Islamitische Staat en de opkomst van het coronavirus is er minder ophef over de rol van de islam in Nederland dan we de laatste jaren gewend waren. Hoewel dat goed nieuws is, zou het jammer zijn als er daardoor ook minder aandacht zou zijn voor het dit voorjaar verschenen De halalborrel. En de toekomst van de islam in Nederland van Maurits Berger (1964), hoogleraar islam en het Westen aan de Leidse universiteit.

In zijn vlot geschreven boek biedt hij aan de hand van ruim twee decennia eigen ervaring als onderzoeker, spreker op bijeenkomsten, mentor en luisteraar nuttige handvatten voor een harmonischer verhouding tussen moslims en niet-moslims. Veel grieven over en weer, legt Berger uit, komen voort uit onnodige misverstanden en onbegrip. Bijvoorbeeld over ambivalente termen als sharia, jihad en salafisme. Een van de grootste misverstanden aan niet-moslimzijde is dat de islam overal dezelfde regels huldigt en eenvormig is. Het zijn in de praktijk meestal de moslims zelf die afhankelijk van hun woonplaats invulling geven aan hun geloof.

Wat niet helpt volgens Berger is de fixatie op religie, ook omdat veel niet-islamitische Nederlanders zich sowieso ongemakkelijk voelen bij dit thema. Problemen tussen de gemeenschappen, die vaak meer van cultureel-maatschappelijke aard zijn dan religieus, los je zo niet op. In werkelijkheid wordt het leven van moslims veel minder bepaald door hun religie dan veel Nederlanders denken. Evenmin heeft het volgens hem zin de grenzen van de omgangsvormen tussen beide groepen vast te leggen in wetten en regels. ‘Regels zijn een kunstmatige manier om zekerheid te scheppen.’

Nederlandse trekken

Berger wijst er in dit verband op dat veel moslims vaak maar betrekkelijk weinig weten van hun eigen religie. Moslims die zich in hun godsdienst willen verdiepen, zijn goeddeels op zichzelf aangewezen, omdat er nauwelijks gezaghebbende islamitische schriftgeleerden of leiders in Nederland zijn.

De meeste moslims beheersen bovendien het Arabisch niet. Door die religieuze zelfwerkzaamheid komt overigens een deel van de jongeren terecht bij de radicale islam. De rechtlijnigheid daarvan spreekt jongeren aan, want ze voelen zich vaak niet meer thuis bij de ouderlijke tradities, maar ook niet bij de Nederlandse cultuur.

Veel moslims in Nederland beginnen volgens Berger intussen specifieke Nederlandse trekken te vertonen. Zich bewust van de ruimte die een democratie laat voor diversiteit praktiseren vooral jongeren hun geloof met toenemend zelfvertrouwen. ‘Het bijzondere is dat ze meer door de Nederlandse achtergrond zijn gevormd dan zij zelf misschien willen toegeven. Grote mond, kritisch zijn, scherp debatteren, snijdende humor, beledigingen – deze moslims zijn zo Nederlands als wat’, schrijft Berger over zijn eigen moslimstudenten.

Moslims in Nederland kunnen over het algemeen goed leven met de scheiding tussen kerk en staat, zoals die in Nederland geldt. Ze verbazen zich over de Belgische aanpak, waarbij de staat de salarissen van geestelijken betaalt. Sommigen geven ook openlijk toe dat moslims in Nederland meer vrijheid, rechtszekerheid en sociale zekerheid genieten dan ze in enig Midden-Oosters land ooit zouden hebben.

Dit alles neemt niet weg dat er nog altijd een kloof gaapt tussen de Nederlandse moslims en een deel van de rest van de samenleving. Veel Nederlanders vinden het nog altijd beledigend wanneer een moslim de hand van een vrouw weigert te drukken of nemen aanstoot aan islamitische kleding of andere gebruiken.

Anderzijds worden veel moslims moedeloos van de discriminatie op de arbeidsmarkt of de vanzelfsprekende wijze waarop ze vaak worden buitengesloten. Berger noemt het voorbeeld van een islamitische organisatie in Rotterdam die aanbood een bijdrage te leveren aan de herdenking van het bombardement van 1940 op de stad. Dat werd afgewezen met de woorden: ‘Jullie waren er toen niet bij.’ Om nog maar te zwijgen van de muur van wantrouwen jegens alle moslims die oprijst wanneer er weer ergens ter wereld een grote terroristische aanslag door moslims is gepleegd.

Radicalen

De aandacht voor de radicalen, die het islamdebat in Nederland vaak beheerst, is Berger een doorn in het oog. Velen staren zich daarop blind, vindt hij. In zijn boek maakt hij daaraan dan ook maar weinig woorden vuil.

Liever kijkt hij naar de overgrote meerderheid van de moslims in Nederland die zich volgens hem in hoog tempo ontwikkelt. Veel sneller dan ‘het ‘‘autochtone” Nederland, dat zich heeft verschanst achter gewoonten die onveranderlijk zouden zijn, dat zich heeft ingegraven in een zelfbedachte identiteit.’ Toch blijft het gemak waarmee hij het probleem van de radicale moslimjongeren terzijde schuift, wel enigszins knagen.

De conclusie van Berger, die zich in zijn hoedanigheid van deskundige én niet-moslim onvermijdelijk opwerpt als een soort bruggenbouwer, is niet bijster origineel: waar moslims en niet-moslims in Nederland het uiteindelijk van moeten hebben is inschikkelijkheid en wederzijds begrip. ‘Het enige uitgangspunt dat helpt, luidt: praten mét elkaar levert altijd meer op dan praten óver elkaar.’ Maar hoe simpel ook, om er nog een Nederlands cliché achter aan te gooien, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.