Erik de Jong alias Spinvis: „Als jonge singer-songwriter denk je: ik heb een mooi liedje, dat wil ik opnemen. En dat iemand anders, een producer dan bepaalt hoe het klinkt, heb ik nooit begrepen.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Interview

Spinvis: ‘Groter dan dit hoeft niet. Beter worden en groeien; als dát lukt, wel’

Interview | Spinvis Vrijdag verschijnt ‘7.6.9.6.’, het nieuwe album van Spinvis (Erik de Jong). „Pop heeft met mode te maken, het is een sociaal spel. Ik ben als popartiest geen autonoom kunstenaar.”

Het was maart en muzikant, Erik de Jong, alias Spinvis, zou die avond spelen in een uitverkocht Musis Sacrum in Arnhem. Net als altijd had hij met zijn band gesoundcheckt toen de theaterdirecteur kwam aanlopen. Die was duidelijk: ‘pak alles maar weer in, we moeten sluiten’. „Iedereen lacherig natuurlijk”, haalt Erik de Jong (59) terug. „Je beseft de consequenties dan helemaal nog niet. En toen bleken we ineens wel héél lang vrij. In maart ging door corona een streep door veertien concerten. Daarna vielen shows in april, mei, juni uit. Niemand belde meer en we werden nergens meer verwacht.”

De ontstane splendid isolation werd wat de muzikant met de dromerige blik en grijze krullen deze middag een „hernieuwde kennismaking met een oude gemoedstoestand” noemt. Terwijl De Jong in stilte sleutelde aan zijn nieuwe Spinvis-plaat 7.6.9.6., zag hij zijn jongere zelf van bijna twintig jaar geleden weer terug, de eenling op die zolderkamer in Nieuwegein. „Diens enige ambitie voor zijn debuutalbum Spinvis was dat hij in de platenzaak onder de letter S te vinden zou zijn. Dat zijn muziek zou bestaan.” Om daar meteen aan toe te voegen dat hij die motivatie, dat hét niet ongezien, beter gezegd ongehoord blijft, nooit meer is verloren. „Maar in zo’n ongewisse tijd van ziekte en vrees was het bij dit album de vraag of de mensen het nog wel wilden.”

Niettemin noemt De Jong het knutselen aan nieuwe muziek in een cocon waarin tijd niet bestaat het „allerleukste”. De zinsflarden, de ingevingen. „Je staat in de douche en hebt een idee. Snel, opnemen. En het is wat. Of niet. Maar die speeltuin, dat is het leven.” Hoe een ergens opgevangen zinnetje als ‘ik doe mijn eigen stunts’ leidt tot de song ‘Stuntman’. „Dat vind ik dan zó’n goeie regel. Mijn gedachten gaan ermee aan de haal, over hoe een stuntman nooit zichzelf is.” En o, ideeën, zucht hij. „Hoe ze zo weer kunnen wegspoelen door het putje. Of hoe je je achteraf niet meer kunt herinneren hoe je er kwam.”

Treffend vindt hij de anekdote van muzikant Tom Waits die op een drukke snelweg rijdt. „Er komt een fantastische melodie voorbij, maar hij kan die niet opnemen of opschrijven. Hij draait zijn raampje open en schreeuwt: ‘Zie je niet dat ik rij? Niet nu! Kom terug in de studio!’. Zo voelt het wel soms.”

Je zou het zijn kleedkamer kunnen noemen, een kantoortje in een voormalige elektriciteitsfabriek – nu een werkplek voor innovatieve ondernemers – in het havengebied van Rotterdam. Over een paar uur zal Spinvis optreden. Buiten, met zijn gitaar op een rode loper, een ludiek coronaproof soloconcert tussen graffiti, modder, riet en schoorstenen in een bouwput waar eens turbines stonden. Een voor een stappen toehoorders dan op hem af. Hij vraagt naar hun naam. ‘Leest’ hun ogen. En zingt met zijn atypische, meestentijds onderkoelde zangstem dan iets op maat uit zijn repertoire.

Lees ook de recensie van het concert dat Spinvis op 4 september hield in Rotterdam: Luisteraar weerloos bij Spinvis op de rode loper

Zijn agenda is langzaam weer vol geraakt met boekingen. Meestal in duo met zangeres en celliste Saartje van Camp, een tournee met band is in aantocht. Een grote show in Paradiso in december is om coronamaatregelen opgeknipt tot vier kleine shows. Is het fijn, weer optreden na zo’n lange tijd? Peinzende blik. „Aanvankelijk niet. Je denkt dat je het niet meer kunt. Dat zijn niet per se zenuwen, maar ik vergeet hoe het moest. Tot je weer speelt.”

Antropoloog

Wat hem raakt, vervolgt de zanger, is wat livemuziek in deze tijd met mensen doet. „Niemand is echt op zijn gemak bij shows in anderhalvemetersfeer toch? Publiek zit wat ongemakkelijk op zijn stoel. En de mensen zijn snel emotioneel.” Dan voelt hij ineens, hoe zal hij het noemen, „zijn functie”. Al probeer hij die emotie niet uit te spelen, beklemtoont hij. „Ik ben slechts de leverancier.” Al noemt hij de overgang van maanden thuis naar het podium best weer een krankzinnige vergroting.

Inhoudelijk waren veel liedjes al af voor de lockdown. Dat neemt niet weg dat de huidige tijd er altijd door de kieren en ramen heen sijpelt. Neem ‘Ze slapen’, de gedragen, aanzwellende openingstrack van de nieuwe plaat, waarin een ruimteschip boven de aarde zweeft en je als een antropoloog kijkt naar wat die mensen daar doen. „Ze spelen, vieren Kerstmis, kussen onbewust van de laatste keer.” De Jong: „Dat kan dus in één keer over de onbestemdheid van de lockdown gaan.”

Er zijn Spinvis-oerliedjes als ‘Bagagedrager’, ‘Kom Terug’, of ‘Trein Vuur Dageraad’, de titelsong van zijn voorlaatste album, die fans met gesloten ogen meezingen in theater of op een festival. Succesliedjes, noemt hij ze. Het triviale gegeven dat hij nooit in de top-40 kwam, stak hem een jaar of tien geleden best, lacht De Jong. „Hoezo dát wel en mijn liedje niet. Dit is toch niet slechter?” Nu vindt hij het wel best, zegt hij. Berustend: „Groter dan dit hoeft niet. Beter worden en groeien; als dát lukt, wel. Maar zo wil ik ouder worden.”

Ging zijn voorlaatste album Trein Vuur Dageraad al over het proces van ouder worden, Erik de Jong uit Nieuwegein wordt in februari zestig jaar en het gegeven dat er „meer verleden is dan toekomst” blijft hem bezighouden op 7.6.9.6. Die cijfercombinatie is overigens niet per se iets, maar wie de cijfers hardop uitspreekt krijgt, aldus De Jong, een melodie: hoog, laag, hoger, lager. Zo’n droge observatie is Spinvis weer ten voeten uit: van fluïde fraai gevangen mistdromen, melancholiek mijmeren met existentiële vragen tot een pijlsnelle overgang naar het absurde. Het bijbehorende boek met fotocollages is een terugblik op het tijdperk waarin hij zich breed ontwikkelde, van albums tot componist met een eigen signatuur voor orkesten, moderne dansgezelschappen, tv-series, koren en films.

Hij vertelt hoe hij in zijn studio in het souterrain onder zijn woning niet alleen een verzamelaar van instrumenten is, maar ook van malle speeldoosjes en klokjes. En van computers waarvoor opslag van zijn muziek en snelheid de grootste voorwaardes zijn. Als Spinvis doet hij alles om zijn tijdloze muziek binnen te loodsen, in liedjes als collages. Een goede zin die niet in het ene liedje past transplanteert hij zo naar een andere. Want: „Bij het inzingen wordt het pas wat. Dan gaat het lied open en hoor je wat het kan worden.” Fascinerend hoe zijn teksten gedragen worden door steeds een ander muziekidioom; klankbeelden vol opwindende gitaarriffjes, een goede piano-hook, meerstemmige zang, slepende ritmiek, strijkers vol vertedering of onbestemde geluidjes uit synths.

Wat ik ook zeg over het opnameproces, een argeloze luisteraar dient enkel te vóélen. Meer niet

Nu corona ook een streep zette door geplande studio-opnames liet hij de zang- en vioolpartijen van zijn muzikanten via mail en telefoon komen. „Ik heb ieder de partituren gestuurd zodat ze het zelf konden opnemen, waar ze maar konden.” Produceren deed hij altijd al zelf, de mix van het album nam hij nu ook voor zijn rekening. „Met een speciale joekel van een hoofdtelefoon die een akoestische ruimte perfect nabootst zodat alles haarfijn te beluisteren is. Ik ben er een soort Joep Meloen mee – mijn vrouw lacht me altijd uit – maar ik kan er ongelofelijk geluiden mee kleuren.”

De productionele aanpak is hem niet vreemd. „Muzikant zijn is een vrij technisch beroep, leg ik muziek- of kunststudenten wel eens uit. Het is geen rocket science – YouTube staat vol tutorials – maar het gaat om keuzes. Als jonge singer-songwriter denk je: ik heb een mooi liedje, dat wil ik opnemen. En dat iemand anders, een producer dan bepaalt hoe het klinkt, heb ik nooit begrepen.” Zo kan hij ineens besluiten een aantal instrumenten in zijn mix te dempen zodat hij op een kaler geluid komt dat hem veel meer bevalt. „Dat kan als je alleen werkt. In een band valt niet zomaar een instrument te muten. Zo van: sorry man, we doen het even zonder drums hier.”

Conceptuele kunst

Dat liefhebbers zijn liedjes met een loep bestuderen op betekenis en structuur is eigenlijk nooit de bedoeling, zegt De Jong. „Wat ik ook zeg over het opnameproces, een argeloze luisteraar dient enkel te vóélen. Meer niet.” Maar in hoeverre is hij zich er in die bubbel met die koptelefoon op zijn hoofd van bewust dat iemand zijn werk gaat beluisteren? Een lach. „Goede vraag, het is een verscheurde gemoedstoestand. Heel vaak gelukkig niet. Ik probeer het echt zo te maken zoals ík het zou willen hebben.”

Dat hij soms liedjes aanpaste voor de radio geldt niet als een concessie. Hij schudt zijn hoofd. „Pop heeft met mode te maken, het is een sociaal spel. Ik ben als popartiest geen autonoom kunstenaar. Ik geloof niet dat je je er niets van kunt aantrekken.”

Hoewel, dat hij laatst de originele Spinvis-cassette die de hoes van zijn debuutalbum sierde symbolisch vernietigde, schokte fans van het eerste uur. „Niets minder dan conceptuele kunst”, stelt De Jong niet zonder ironie. „Popmuziek is reproductie. Deze cassette lag in Gent op een mooie expositie over muziek in de Lage landen. Heus tof en eervol. Maar conceptueel, dacht de oude punker in mij, klopt het niet. Want er is geen origineel, het gaat om het idee.”

De 85 meter tape op de cassette knipte hij in 750 stukjes. „Zo’n iconisch reepje zit bij de luxe versie van de plaat. Nu leeft het weer en wordt het DNA verspreid.”

Het album 7.6.9.6. komt vrijdag uit. Tournee: www.7696.nl (Met band en aparte theatertour in duo met Saartje van Camp)