‘Mondkapje? Dat bepaal ik zelf wel’

Volksaard Waarom willen Nederlanders maar niet aan het mondkapje? Individualisme en anti-autoritair denken zitten diep ingebakken in onze cultuur, zeggen deskundigen.

Mondkapjes in het centrum van Rotterdam.
Mondkapjes in het centrum van Rotterdam. Foto Sander Koning/ANP

Supermarkten die klanten zonder mondkapje niet weigeren „om discussie en agressie bij de deur te voorkomen”. Bezoekers in het ziekenhuis die zich steeds vervelender gedragen wanneer het personeel vraagt of ze afstand willen houden of hun handen willen ontsmetten. Een op zeven hulpverleners die fysiek geweld heeft meegemaakt als gevolg van de coronamaatregelen.

De Nederlander laat zich niet zomaar iets zeggen. Na twee, drie maanden van betrekkelijke discipline en gehoorzaamheid tijdens de ‘intelligente lockdown’ – dichte cafés en scholen, lege kantoren en treinen – heeft de burger steeds minder zin om zich aan de coronaregels te houden, zo lijkt het. Het meest zichtbaar is de Nederlandse eigenzinnigheid als het aankomt op mondkapjes: anders dan in vrijwel alle andere landen zijn mondmaskers hier, behalve in het openbaar vervoer, nergens verplicht. Ook donderdag kwam het kabinet na zes maanden coronacrisis niet verder dan een ‘dringend advies’ om ze te dragen in alle openbare binnenruimtes.

Lees ook wat deskundigen aan het begin van de coronacrisis in NRC zeiden over de Nederlandse reactie op het virus

Hoe ‘typisch Nederlands’ is de eigenzinnigheid van de burger en de terughoudendheid van de overheid? En hoe effectief is zo’n houding tijdens een epidemie?

Individualisme en anti-autoritair denken zitten diep ingebakken in onze cultuur, zeggen deskundigen. „De houding van ‘dat bepaal ik zelf wel’ is heel Hollands”, zegt socioloog Gabriël van den Brink. „Nederlanders vinden: in het leven bepaal je je eigen koers, in principe heb je niets te maken met anderen – en dat vieren wij.”

Er wordt in Nederland amper gediscussieerd over het gevaar van het virus, zegt Van den Brink. „Het gaat vooral over: deugt het beleid van de overheid, valt het te handhaven, is er rekening gehouden met mijn belangen? Alsof je aan het onderhandelen bent met je werkgever.”

Publicist en socioloog Herman Vuijsje omschrijft de Nederlandse houding als: „Ik laat me niet door een autoriteit koeioneren. Zeker als het om het eigen gedrag gaat.” Hij wijst op de enorme populariteit van het liedje Vijftien miljoen mensen („…op dat hele kleine stukje aarde, die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde”) uit de jaren negentig.

Waar komt die anti-autoritaire houding vandaan? Volgens cultuurhistoricus Herman Pleij uit de Hollandse koopmansgeest, die teruggaat tot de late Middeleeuwen. De burger werd toen zo rijk „dat hij van de adel en de geestelijken niet meer afhankelijk was”.

Van den Brink en Vuijsje lokaliseren het ontstaan van de assertieve burger een paar honderd jaar later: in de jaren zestig van de vorige eeuw. Toen gooiden de Nederlanders collectief het conformisme van de Verzuiling overboord – en de overheid speelde daar op in. „De staatsfilosofie sinds de jaren zeventig is: laat mensen hun gang gaan”, zegt Vuijsje. „De autoriteiten in Nederland zijn als de dood om autoritair te zijn. Men doet liever een beroep op de eigen verantwoordelijkheid.”

De overheid heeft de coronacrisis in eerste instantie goed aangepakt, vindt Van den Brink, maar is daarna gaan „zwabberen”. Als liberaal hanteert premier Rutte het principe: je bent beschaafd en je houdt je aan de richtlijnen. Maar dat is een „overschatting” gebleken van de burger, vindt hij. „Die vraagt nadrukkelijk om eenduidige richtlijnen.” Vuijsje: „De burger voelt zich best verantwoordelijk, maar gaat níet in eigen vlees snijden.”

En dan is er nóg een probleem, zegt Van den Brink: de volstrekte onwil van de Nederlandse overheid om te handhaven. „‘Het kan tóch niet worden gehandhaafd’ – dat vind ik zó Nederlands. De geest van de jaren zestig waart nog altijd rond. Alsof handhaven een soort foute bezigheid zou zijn. Met die nadruk op individuele vrijheden zijn we nog altijd de vorige oorlog aan het uitvechten.”

High trust societies

Andere deskundigen zien dezelfde houding van consensus en eigen verantwoordelijkheid bij de Nederlandse overheid – maar beoordelen die positiever. Historicus James Kennedy, zelf Amerikaan van geboorte, ziet veel parallellen tussen de Nederlandse aanpak en die in Scandinavische landen. „Dat zijn allemaal high trust societies, samenlevingen waarin het vertrouwen in elkaar en in de overheid behoorlijk groot is. Je hebt in Nederland geen traditie van anti-overheidsdenken, zoals in België.”

De Nederlandse overheid stelt zich zo terughoudend op „omdat de meeste mensen uiteindelijk toch wel gehoorzamen”, zegt de Britse journalist Simon Kuper, die zijn jeugd doorbracht in Nederland en het land nog intensief volgt. „Er wordt veel gesproken en veel geklaagd, maar Nederland heeft geen traditie van rebellie, van opstand. De meest voorkomende daad van verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog was het volschrijven en lezen van illegale kranten.”

In Nederland vindt een deel van de samenleving de coronamaatregelen „echt onzin”, zegt Kuper. Hij verwijst naar internationaal onderzoek van More in Common, waaruit blijkt dat 81 procent van de Nederlanders „sociale afstand houden als burgerplicht” ziet. Toch vindt Kuper de afwijzing van de coronaregels door een vijfde van de bevolking „meer een kwestie van jezelf een houding geven en minder een uiting van wanhoop”.

Er is ook iets geks aan de hand met die anti-autoritaire houding van Nederlanders, zeggen de deskundigen. We laten ons niets zeggen door een boven ons gestelde, maar tegelijkertijd is Nederland „een paradijs van sociaal conformisme”, om met Gabriël van den Brink te spreken. „Iedereen wil een individu zijn, maar niemand lijkt te beseffen dat dit evengoed op kuddegedrag neerkomt.”

Herman Vuijsje: „Wat de buurman, de collega’s, de familie doet, dat doe jij ook. Dus als steeds meer mensen een mondkapje dragen in de supermarkt, dan doet al snel iedereen dat. Ik vond de eerste mensen met een mondkapje op buiten ook een beetje aanstellers. Maar als iedereen het doet, zou ik het nu ook doen.”

Symbolen doen ertoe

Wat de zaak compliceert, is dat de wetenschappers van het RIVM er nog steeds niet uit zijn of een mondkapjesplicht nou zin heeft of niet. Maar zo’n plicht is niet alleen maar een kwestie van efficiency, zegt Gabriël van den Brink. „Een mondkapje is symboolpolitiek, zeggen critici. Alsof symbolen er niet toe doen! Effectiviteit is één ding. Naarmate kwesties van leven en dood dichterbij komen, wordt ook het symbolische belangrijker.”

Het zou best kunnen, zeggen de experts, dat de mondkapjesplicht er straks gewoon komt. Ook typisch Nederlands, zegt historicus Kennedy, is namelijk de plotselinge omslag. „De overheid probeert altijd heel lang om niet te hoeven optreden. Maar op een gegeven moment is het probleem zo groot, dat er consensus ontstaat voor meer repressie.”

Dat verwacht ook antropoloog Daniëlle Braun, die politie, ziekenhuizen en bedrijven adviseert over crisiscommunicatie. „Het is on-Nederlands om iets in één klap op te leggen. Maar in tijden van onzekerheid heb je duidelijke leiding nodig.”