Illustratie Ted Struwer

De levenslust van Joost Prinsen

Longread Over zijn zieleroerselen had acteur, presentator en columnist Joost Prinsen het meestal niet; liever serveerde hij nog een smakelijke anekdote. Totdat alle tegenslag van dit jaar hem ertoe dwong. „Ik wil niet dat de mensen denken: ach, die arme man versloft helemaal.”

In een beige poloshirt loopt acteur Joost Prinsen opgewekt café Eik en Linde binnen, aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam. „Ik kom hier iedere maandagochtend. Dan bestel ik om half twaalf een gehaktbal en een glas bier.” Hij kijkt op zijn horloge. Het is tien voor half twaalf. Tegen de ober: „Een kop koffie, alstublieft.” Een kleine zucht is hoorbaar. Dan, ten overvloede: „Ik ben een enorm gewoontemens.”

Er volgt direct een anekdote. „Op weg naar een voorstelling deden we eens met collega’s in de bus een wedstrijd wie van ons de meest burgerlijke man van Nederland was.” Tevreden: „Daar kom ik wel voor in aanmerking.” Tot zijn verbazing verloor hij. „Er bleek iemand in de bus te zitten die uit kostenoverweging zijn krant deelde met de buurman!”

Het is 17 september 2018. Joost Prinsen heeft net in de nabijgelegen studio Desmet de aankondiging van de komende vijf afleveringen van Radio Kunststof ingesproken, zoals hij al jaren doet. Onze afspraak is er een in een reeks gesprekken over zijn werk en zijn leven. Aanvankelijk was hij weinig enthousiast over het idee om terug te blikken, maar zijn vrouw Emma spoorde hem aan. „Dat moet je doen, Joost.”

En dus volgde er een appje: „Het is goed, jongen. Kom maar langs.”

De drang die ik als kind had om gezien te worden, zit nog altijd in me

In de ruim twee jaar daarna treffen we elkaar met enige regelmaat in een kroeg, op een terras in Amsterdam of in zijn huis aan de Belgische kust. Eén keer zien we elkaar zwijgend, in een crematorium.

In de gesprekken toont Prinsen, 78, zich energiek en nog altijd zeer gedreven. „De drang die ik als kind had om gezien te worden, zit nog altijd in me”, zegt hij in september 2020. „Ik heb altijd moeten knokken om mijn ambities waar te maken.” In alles wat hij doet, is hij naar eigen zeggen een subtopper: acteur, presentator, columnist, bridger. „Daar is overigens goed mee te leven, hoor.” Met samengeknepen ogen: „Subtoppers winnen ook wel eens de rit naar Alpe d’Huez.”

Over zijn zielenroerselen en zijn privéleven is hij aanvankelijk terughoudend. „Ik heb een heel gelukkige jeugd gehad, afgezien van het vroege overlijden van mijn vader.” Meteen gevolgd door een typische Joost Prinsen-opmerking: „Nou is het natuurlijk vrij lastig om daar vanaf te zien.”

Staand, midden op straat in het Belgische Oostduinkerke, dirigeert Prinsen me in de vroege zomer van 2018 naar zijn buitenverblijf. Kaatje, de hond, kwispelt om hem heen.

Aan de buitenmuur van het huis hangt op ooghoogte een Nederlands straatnaambord: Claudius Prinsenlaan. Een straat in Breda die is vernoemd naar zijn katholieke vader, die er burgemeester was van 1947 tot zijn onverwachte dood in 1952.

Eerder, tijdens de oorlogsjaren, bekleedde Prinsen senior dat ambt in Roosendaal, waar hij begin 1942 werd afgezet door de bezetter om plaats te maken voor een NSB’er. Prinsen: „Mijn vader schreef ieder jaar een gedicht voor de plaatselijke krant. Dat jaar hekelde hij op poëtische wijze het Duitse bewind en eindigde zijn gedicht met een bede tot God: ‘Herstel het vaderland’.” Dat ging de Duitsers te ver. „Vanwege een gedicht! Een werkelijk prachtige reden om afgezet te worden.”

In de jaren daarna groeide zijn vader uit tot vertrouwensman van het verzet maar belandde, zoals veel bestuurders in die tijd, in het interneringskamp in Sint-Michielsgestel. Prinsen: „Wat wij ook gaan bespreken met elkaar, één ding moet je weten: mijn hele generatie is opgegroeid met het besef van goed en kwaad.”

Dat oorlogsdenken – hij zal er later nog regelmatig op terugkomen – heeft diepe sporen getrokken. „Ik herinner me dat mijn moeder ons ooit vertelde dat meneer Van Campen op bezoek kwam. Hij was fout geweest in de oorlog, maar we moesten netjes tegen hem zijn, want mijn vader had hem voor de oorlog goed gekend en hij had al straf gehad. Je kent het katholieke praatje daarbij wel, van de biecht en zo. Ik verwachtte het monster van Frankenstein te treffen. Iemand die in de gevangenis had gezeten! Maar meneer Van Campen bleek een kleine en alleraardigste man, die bovendien voor mij, al mijn zussen en broer een reep Kwatta-chocolade had meegenomen. Ik dacht: Hoe is het mogelijk?!”

Het moet rond 1949 zijn geweest. „Die ervaring gaf mijn wereldbeeld, voor zover ik dat als zevenjarige had, nogal een knauw. De scheidslijn tussen goed en kwaad was niet zo duidelijk als ik dacht.”

Door de tuin lopen we naar binnen, waar zijn vrouw op de bank een boek zit te lezen. „Dag”, zegt ze, en steekt haar hand uit. „Emma Prinsen. Wil je net als Joost een biertje?” De hartelijkheid ontgaat Prinsen, die op zoek is naar zijn gehoorapparaat.

Eenmaal geïnstalleerd in zijn fauteuil, een blikje bier in zijn hand, vertelt hij nog slechts een paar actieve herinneringen aan zijn vader te hebben. „Hij was veel weg en ik was negen toen hij overleed.” Prinsen gaat rechtop zitten. „Ik was lid van NAC, de voetbalclub. Eén keer ging mijn vader met me mee. We reden, met een chauffeur van de gemeente, naar het stadion toen we onderweg een harmonie tegenkwamen. ‘Waar zou die harmonie naartoe gaan?’, zei mijn vader tegen de chauffeur. ‘Ik denk naar het veld van De Baronie, burgemeester. Die openen vandaag een nieuwe tribune.’ Toen zei mijn vader: ‘Ik kan toch niet naar NAC terwijl bij de andere voetbalclub een nieuwe tribune wordt geopend? Weet je wat? Zet mijn zoon maar af bij NAC en rijd mij naar De Baronie.’”

Prinsen aait de hond, die naast hem is komen liggen, over zijn kop. „Bij De Baronie heeft hij toen ook nog de aftrap verricht. Maar hij kon helemaal niet voetballen dus hij had in het zand getrapt in plaats van tegen de bal. De volgende dag stond in dagblad De Stem een grote spotprent: ‘Als de burgemeester zo ook de raadsvergadering voorzit…’ Ik dacht: net goed. Had je maar mee moeten gaan naar NAC.”

Het is één van de zeldzame momenten waarop iets van zijn verdriet voelbaar is. Het zal later nog een keer gebeuren, als hij vertelt over zijn in 2005 overleden broer Dirk. „Er gaat eigenlijk geen dag voorbij dat ik niet aan hem denk.”

Emma serveert ondertussen de lunch in de serre, met uitzicht op de duinen. Na een venkelsoep volgt de tweede gang: een ruim gevulde tomaat met garnalen en een kom friet. Emma, die door een volumineus lichaam (Prinsen: „Zeg maar rustig: heel dik”) moeilijk beweegt, schuifelt terug naar de keuken voor de mayonaise. Prinsen kijkt haar na. Ze kijkt achterom en zegt: „Toe maar. Vertel nog maar een keer die ene anekdote van de kleinkinderen.” Prinsen: „Ons jongste kleinkind zag Emma eens in pyjama en zei: ‘Oma, wat bent u…’ Precies op dat moment riep de oudste: ‘LIEF! Oma is héél lief!’ Prinsen gniffelt. Emma: „Hebben we die ook meteen gehad.”

Zo zal het altijd gaan als ik ze samen zie. Na bijna vijftig jaar samen is hun omgang scherp, af en toe vilein maar (bijna altijd) liefdevol.

In een later gesprek komt Prinsen („Ach jongen, zeg toch Joost”) terug op de dood van zijn vader. „Mijn broer Dirk haalde me die dag uit school. Hij zei: ‘Vader is dood.’ Ik wist wel dat hij ziek was, want hij lag al maanden beneden en kon moeilijk ademhalen. Maar ze hadden me niet gezegd dat hij op sterven lag. Jaren daarna zei ik tegen mijn broer: ‘Dat is toch een hard gelag voor een jongen van negen, om dat te horen?’ Toen zei hij: ‘Hoe dacht je dat het is voor een jongen van vijftien om het te moeten vertellen?’ Daar had hij een goed punt.”

Dan begint, zoals vaak bij hem, de vrije associatie. „Ik verbaasde me over twee dingen toen ik in 1963 in Amsterdam kwam wonen. Ten eerste dat de Jordaan zo werd geprezen terwijl ik dacht: smalle straten, geen streepje zon. Bij ons in Brabant heette dat een achterbuurt. Het tweede dat me opviel was een begrafenisauto die door de straat reed met maar drie volgauto’s, terwijl in Brabant de helft van het dorp achter de kist aanliep en de andere helft langs de kant stond.” Hij gaat rechtop zitten: „Ken je het gedicht ‘Innemee’ van Gerrit Achterberg?” Hij citeert uit het hoofd:

Ze worden hier begraven met een haast
alsof de dood hen op de hielen zit
En wat een buitenman het meest verbaast
is dat de stoet bijna geen staart bezit

De woorden rollen uit zijn mond. Met de goede snelheid, de juiste dictie. Dit is geen vertellen, dit is voordragen. „Ik ben niet de beste acteur, maar declameren kan ik.” Op zijn achttiende won hij de stadsprijs declamatie in Den Bosch met het gedicht ‘Thebe’, van dezelfde Achterberg. Joost: „De prijs werd uitgereikt door de burgemeester, wiens naam me is ontschoten.”

Hij lacht al, nog voor de ontknoping van zijn verhaal, zijn donkere kraalogen glimmend van plezier. „Die man zei tegen me: ‘Het meisje dat tweede is geworden, vond ik zo goed.’” Kijkend over de rand van zijn blauwe leesbril: „Brabantse subtiliteit.”

Het is Prinsen ten voeten uit: de geboren verhalenverteller met nostalgische inborst, op zoek naar een kwinkslag. Niet zelden ten koste van zichzelf. Want aan ophemelen heeft hij een hekel. Aan opsmuk ook trouwens. „Met het verhevene van de theaterwereld heb ik niet zoveel. Mensen zien altijd allerlei nobele motieven die er niet zijn. Bij bijna alles wat ik in mijn leven doe, speelt geld een belangrijke rol,” zal hij bij een ontmoeting in 2019 zeggen.

De Stratemakeropzeeshow, het beroemde kindertelevisieprogramma in de jaren zeventig, met Aart Staartjes en Wieteke van Dort, waarin hij naam maakte als Erik Engerd, staat toch bij uitstek bekend als maatschappelijk geëngageerde tv. Een programma waarin taboes als het gebruik van de woorden pies en poep werden geslecht. Prinsen maakt een wegwerpgebaar. „Welnee. Er viel wat te verdienen én het was hartstikke leuk werk. Later zijn er allemaal mensen gekomen die me hebben aangepraat dat ik dat deed voor de jeugd, de mensheid en weet ik wie allemaal. Onzin. Het interesseerde me allemaal geen fluit. Aart ook niet trouwens.”

Een deel van de verklaring voor zijn zakelijke inborst vloeit naar eigen zeggen voort uit de vroege dood van zijn vader. Zijn moeder („Een lieve vrouw”) bleef alleen achter met zes jonge kinderen. „Het bestaan werd armoedig. We moesten vier boterhammen beleggen met één ei. Nu doe je één ei op één boterham.” Hij heeft er nog steeds moeite mee om dat te doen, zegt hij. „Terwijl ik net als mijn moeder niet gierig ben.”

Illustratie Ted Struwer

Het zijn momenten waarop Emma zich graag mengt in het gesprek. „Joost lijkt op zijn moeder”, zegt ze op vol volume vanuit de keuken in Oostduinkerke. Prinsen luistert met de hand achter zijn oor naar haar en zegt dan: „Ja, dat klopt. Mijn moeder was een vrouw van goede omgangsvormen en met principes.” Theatraal spreidt hij zijn armen. „Wij Prinsens huren niet, meneer. Wij kópen een huis.”

Dan, zonder aansporing: „Dat komt in dit geval overigens voornamelijk door Met het mes op tafel.” De populaire televisiequiz die hij in 1996 bedacht met zijn vriend Jan Kok en die nog altijd wordt uitgezonden. Het format is van hem en daar betaalt de omroep hem nog altijd voor. „Ze wilden het al snel afkopen, voor 80.000 gulden. Dat wilde ik niet. ‘Je bent in dienst van de omroep’, zei de mevrouw met wie ik onderhandelde. Maar dat was ik niet, dus voor dat argument zwichtte ik niet. Toen werd ze weggeroepen. Ze vergat alleen dat haar papieren nog op tafel lagen. Daarin las ik dat ze ‘in de casus Joost Prinsen’ juridisch geen poot hadden om op te staan.” Zijn ogen glimmen. „Sindsdien hebben we dit huis aan de kust.”

Emma, vanuit de keuken: „Haal jij nog even wat te drinken uit de garage, Joost?” Hij reageert niet. Emma tegen mij: „Hij is zo doof als een kwartel.” Dan, met volume: „Joost!” Ze maakt met haar hand een drinkgebaar.

„Joost heeft altijd ontzettend hard gewerkt,” zegt ze als hij naar de garage is gelopen. Puffend gaat ze in haar stoel zitten. „Hij was veel van huis.” Hun beide dochters studeerden, de jongste deels in Amerika. „Ze had een beurs. Dat hield alleen wel in dat we zelf nog 20.000 gulden moesten betalen. Om dat te bekostigen heeft Joost toen twee jaar lang koffieconcerten gegeven.”

Met de hond achter zich aan komt Prinsen weer binnenlopen. Emma: „‘Oom Joost leert zijn neefjes zingen’, heette het.” Prinsen: „Ja! Voor die schnabbels geneerde ik me overigens helemaal niet. De rekeningen moesten worden betaald.”

Maanden later komt hij er zelf op terug. „Ik moest in mijn eentje de kost verdienen. Mijn vrouw werkte niet meer, maar was een goede regie-assistente. In de jaren dat de kinderen klein waren, zei ik tegen haar: ‘Zou je daar toch niet mee doorgaan?’ Toen zei ze: ‘Joost, ik haal geen kinderen uit een tehuis om ze vervolgens naar de crèche te brengen’. Dat vond ik een honorabele opmerking.”

Het vormt de opmaat voor een gesprek over zijn dochters. Een van de weinige onderwerpen waarbij hij soms stilvalt. „Ireen, de oudste, komt uit Colombia”, door hem steevast uitgesproken als Columbia. „We gingen haar afhalen op Schiphol, waar een echtpaar tegen ons zei: ‘Dit is voor u.’ We kregen een ponchootje en een reiswieg, waar een baby in lag te slapen. Daar stonden we dan. We wisten niet wat we moesten doen. Tot ze op een gegeven moment haar ogen opendeed. Ze lachte. Dat moment…” Hij maakt zijn zin niet af.

„Emma heeft het geweldig gedaan. Ze heeft Ireen en later ook onze andere dochter Fleur al vroeg verteld dat wij niet hun echte ouders waren. Als er een vliegtuig overkwam, zei één van ons: ‘Kijk Ireen, Columbia.’” Monter: „Ze heeft nog een tijd gedacht dat Columbia het Nederlandse woord voor vliegtuig was.”

Anderhalf jaar na hun eerste dochter kwam Fleur. „Ze voelden meteen als mijn kinderen. Heel gek, hoe zoiets werkt.” Hij loopt naar zijn computer, die de hele dag aanstaat en dienst doet als vraagbaak, archiefkast en geheugensteun. „Kijk!”, zegt hij als er een kinderfoto in beeld verschijnt. „Dit is onze Fleur toen ze klein was.”

Emma heeft me bij een eerder bezoek verteld dat hij in de drukste periode van zijn carrière vaak afgedraaid thuiskwam. „Joost vroeg als hij binnenkwam altijd meteen aan de kinderen hoe het met ze was, maar zodra hij ‘goed’ hoorde, haakte hij alweer af. Dat hebben onze dochters later een keer tegen hem gezegd.” Prinsen knikt als ik het hem voorleg. „Die boodschap kwam wel aan.”

Zoals vaker grijpt hij het moment aan om het onderwerp op subtiele wijze te verleggen naar een veiliger gebied. „Kijk, dit is de mooiste foto die ik van Emma heb.” Zij: „Praat er maar overheen met al je charme.” Direct ziet hij zijn kans schoon: „Actrice Liesbeth Coops zei ooit tegen me: ‘Joost, als je minder charmant was, zou je een betere acteur zijn.’ Daar had ze gelijk in.”

Emma schudt lachend haar hoofd en wandelt de tuin in, gevolgd door Kaatje de hond. Ik loop achter haar aan en vraag waar ze elkaar eigenlijk van kennen. Emma: „In de pauze van een muziekvoorstelling in Carré in 1972 zagen we elkaar voor het eerst.” Later die avond zag ze hem in een belendend café aan de bar hangen met de actrices Pleuni Touw en Femke Boersma. „Het was bepaald geen gelopen race, want dat vond Joost lekkere meiden. Maar aan het einde van de avond ging hij met mij mee.”

Ze heeft Amsterdam gemist, vertelt ze, sinds ze samen in 1978 neerstreken in Halfweg, een non- descript dorp tussen de hoofdstad en Haarlem. Emma: „Joost niet. Zeker niet sinds we dit huis erbij hebben.” Ze omgeeft zich er graag met haar kinderen en vrienden. „Joost ook wel, maar sinds hij echt ouder wordt, trekt hij zich steeds meer terug in zijn eigen bubbel.”

De toegangswegen van de badplaats Oostduinkerke lopen vol als Emma op een ochtend in juli 2019 de schaduw opzoekt in de tuin. Het is de warmste dag van het jaar. Ze leest het boek Voorbij, voorbij, van journaliste Clairy Polak over het verlies van haar man.

Binnen zit Joost in zijn stoel, de hond uitgeteld naast hem. Om hen heen liggen de kranten van die week, met #metoo-verhalen op de voorpagina. „Bij het begin van die hele #metoo-affaire wist ik één ding zeker: de naam Joost Prinsen gaat niet vallen.” Tevreden: „Dat was toch wel een prettig gevoel hoor.”

We praten over zijn eerste rol, als schilder Jollema in de musical De Kleine Parade van Wim Sonneveld in 1969 („Te hoog gegrepen”), zijn samenwerking met componist Harrie Bannink en taalvirtuoos Willem Wilmink („Ik waande me in de hemel”) en over het genot van spelen met acteurs als Pierre Bokma en, iets langer geleden, Guus Hermus („Je kan de titelrol spelen in een film met een stel nitwits, of een bijrol naast de beste acteurs”).

Dan komt het gesprek op zijn tijd als docent. „Ik had het eerder over subtop. Maar als docent vond ik mezelf beter dan dat.” Eerst doceert hij kortstondig aan de toneelschool in Amsterdam, daarna geeft hij jarenlang les aan de Kleinkunstacademie. „Die hoge artistieke idealen van de toneelschool waren niets voor mij als docent. Op de Kleinkunstacademie gaf ik het vak Nederlands repertoire. Stonden we met z’n allen rond de vleugel te zingen. Heerlijk vond ik dat.”

Hij zag er de grote namen van de huidige kleinkunst voorbij komen als student: Paul de Munnik, Wende Snijders, Ellen Pieters. Van veel leerlingen herinnert hij zich nog welk lied ze kozen bij hun auditie. „Remko Vrijdag zong een lied van Frank Sinatra. Wooh, wat een bravoure. Toen wist ik: deze jongen kan ik niks leren.” Het enige dat hij in die jaren zegt te hebben gedaan, is Vrijdag wat algemene ontwikkeling bijbrengen. „Remko had nog nooit een letter gelezen. Dus stopte ik af en toe een Vrij Nederland in zijn tas.”

Prinsen is zichtbaar in zijn element als hij verhaalt over zijn tijd voor de klas. Emma luistert op de achtergrond geamuseerd mee, rolt af en toe met haar ogen bij een iets te dik aangezet verhaal en nuanceert hem. Zij: „Je was een goede docent voor goede leerlingen, maar voor leerlingen die niet zo goed waren…” Hij: „Daar deed ik ook wel mijn best voor en zo, maar die hebben minder lol aan mij beleefd. Dat is waar.”

Alex Klaasen vertelt in die periode aan NRC over zijn ervaringen met Prinsen op de opleiding. Klaasen: „Joost was heel hard. Hij zei: ‘Over tien jaar ben je vast heel goed.’ Ik hoorde: je kan eigenlijk niks. Dat heeft lang nagedreund.”

Prinsen knikt. Hij las het stuk. „Alex Klaassen was technisch de beste leerling die ik ooit heb gehad. Hij zong steeds moeilijkere liedjes, maar je kreeg geen zicht op hemzelf. Dus liet ik hem een heel simpel liedje instuderen, smartlap-achtig. Dát kón híj níet, want dan moest hij met de billen bloot. En hij kan het nog steeds niet. Wat hij nu maakt, is variété. Weer-ga-loos goed, maar het blijft variété. Dat is een kunstje, geen kunst.”

Gevraagd naar zíjn zwakke punt, als docent, heeft hij ook geen bedenktijd nodig. „Er was een studente die zei: ‘Ik kon niet zo goed spelen bij Joost Prinsen want ik zag hem denken: ‘O God, niet zij.’ En dat was waar. Dat mag je als docent natuurlijk niet uitstralen, maar dat deed ik wel bij minder getalenteerde leerlingen.”

Illustratie Ted Struwer

Maanden gaan voorbij waarin we sporadisch telefonisch contact hebben. Tot op 12 januari van dit jaar Aart Staartjes omkomt bij een verkeersongeluk. Een korte steunbetuiging aan Prinsen per app blijft onbeantwoord. Ongewoon, voor zijn doen.

Twee dagen later staat onder de kop ‘Aart’ zijn necrologie van Staartjes in het Haarlems Dagblad. „Om in zijn diepste wezen door te dringen, moest je een pikhouweel meenemen.”

Diezelfde avond licht m’n telefoon op. ‘Joost Prinsen, 20:46 uur’, verschijnt er op het beeldscherm.

Daaronder: „Het is mijn droeve plicht je mee te delen dat Emma vanmiddag is overleden.”

„Lieve mamma”, zegt dochter Ireen vier dagen later ten overstaan van een afgeladen zaal in crematorium Westgaarde in Amsterdam. „Vanaf derde Kerstdag ging het mis. Een nieuwe operatie was voor jou uitgesloten. Wat een moed en kracht om dat te durven zeggen.”

Om haar bijdrage kort te houden, „op verzoek van papa”, houdt ze het bij steekwoorden. „De eerste die in me opkwam: ‘Joost!’ Al jouw volume en duidelijkheid zat in dat ene woordje.” In de zaal klinkt instemmend gelach. „Het tweede steekwoord: ruzie, het cement in het huwelijk van jou en papa. Volgens mij heb je dat zelf ooit gezegd. Letterlijk door dik en dun. Het betere gooi- en smijtwerk ook. Een espresso-apparaat, laptop, noem maar op. Jullie huwelijk was intens. Je zei altijd: ‘Ik ben een leeuwin voor mijn welpen. Kom niet aan mijn kinderen, kleinkinderen en zeker niet aan papa.”

Zelf neemt Prinsen niet het woord. Vanaf de eerste rij aanschouwt hij de lange stoet mensen die langs de met bloemen omgeven kist loopt nadat Jenny Arean met het lied ‘Zing dan’ de aanwezigen heeft beroerd.

Zie je nergens meer een beetje zon of zin
Zie je nergens hoop, of houvast evenmin
Spin je als een grote onheilszwarte spin
Haal je ouwe dromen langzaam, langzaam in
Zing dan, al is de dag van morgen een grijs gebied
Zing dan en spot met al je zorgen, je bent weer quitte
Zing, al je wolken gaan opzij, je razernij is weer voorbij
Mijn hemel, zing dan en zing vooral voor mij

Nadat zijn zus hem een week heeft vergezeld is Prinsen voor het eerst in vijftig jaar helemaal alleen. In zijn eerstvolgende column in het Haarlems Dagblad maakt Joost zijn lezers deelgenoot van de dood van zijn vrouw. „Ik zal de wachtkamerpraat tot een minimum beperken: haar darmen raakten verstopt, een operatie werd onvermijdelijk. Maar er was in die regio al veel gesneden en ze had de intensive care al zo vaak van binnen gezien. Mijn vrouw beschouwde de dood als een welkome vriend.”

Mijn jongste dochter heeft me een onintelligente lockdown opgelegd

Pijn en verdriet beschrijven is het moeilijkste dat er is, vertelde hij tijdens een van onze gesprekken. „Vind maar eens de goede woorden.” Maar nu het moet, lijkt het hem makkelijk af te gaan. „Emma was te goed om te sterven en veel te slecht om te leven: Niemandsland,” schrijft hij in zijn gelijknamige column. „Ze smeekte de artsen er een einde aan te maken. Die overlegden met elkaar en weigerden: de wet eiste nog wat meer pijn en meer ademnood.” Dan: „Het is een dor landschap, dat vage gebied tussen leven en dood.” Om af te sluiten met: „Nooit geweten dat de hand van een stervende vasthouden zo intiem kon zijn.”

Aan de telefoon klinkt hij begin februari sterk. „Ik heb af en toe een onbedaarlijke huilbui, maar ik sla me erdoorheen.” Al moet hij dat doen zonder Kaatje. De bastaard overlijdt drie weken na Emma. En dan slaat in maart ook in Halfweg het coronavirus toe en sluit hij zich af. „Mijn jongste dochter heeft me een onintelligente lockdown opgelegd”, mailt hij aan mensen die koffie met hem willen drinken.

In de drie maanden die volgen wandelt en schrijft hij veel. „Op het manische af.” Columns, een boek met de werktitel Na Emma en zijn wekelijkse AD-rubriek ‘Joost mag ’t weten’, waarin hij vragen van lezers beantwoordt en waarmee hij in kleine kring graag de spot drijft. „Meneer Prinsen, de buren maken zoveel lawaai bij het neuken dat ik me niet kan concentreren. Wat zou u doen?”

Illustratie Ted Struwer

Maar dan, begin juni, is de toon heel anders. „Ik zit sinds een week nogal in een dip,” mailt hij. Na de dood van Emma, die van een oud-klasgenoot en het gebrek aan sociaal contact moet hij het huis in België leeghalen. Het valt hem zwaar. „Logisch pap”, had zijn oudste dochter gezegd nadat ze met volle bestelbussen waren teruggereden naar Nederland. „Je hebt mamma mee naar huis genomen.”

Hij worstelt met de rouw zoals hij dat tijdens zijn carrière deed met zijn nervositeit, vertelt hij aan het einde van de zomer aan de telefoon. Zijn oplossing: schrijven. En abstracte zaken als rouw voorstellen als „een persoon”, zoals hij zichzelf als acteur ooit aanleerde om zijn zenuwen in de vorm van een persoon te gieten.

’s Avonds mailt hij een passage die hij daarover heeft geschreven voor zijn boek Na Emma. Die luidt: „Als de spanning bij premières me naar de keel vloog, sprak ik hem in de kleedkamer toe: ‘Dag oude vriend. Kom je me weer helpen de avond schadevrij door te komen? Ik heb je een tijd niet gezien, beste kerel.”

Hetzelfde doet hij nu met zijn verdriet. Uit zijn manuscript: „Onlangs is de rouw nogal plotseling op bezoek gekomen. Hij had maanden lang nauwelijks meer dan een voet tussen de deur. Ik schrok ervan want ik hoopte dat hij me wegens drukke bezigheden elders was vergeten. En wat voor meneer of mevrouw is het eigenlijk? Daar ben ik nog niet achter. Type deurwaarder? Iemand met wie te praten valt? In ieder geval is het een gast die op onverwachte tijden langskomt. Even opbellen om te vragen of het schikt, doet hij helaas niet.”

De zomer verstrijkt voor we elkaar na maanden weer zien, in café-restaurant de Plantage in Amsterdam. Prinsen is onberispelijk gekleed. „Ik wil niet dat de mensen denken: ach, die arme man versloft helemaal nu zijn vrouw is overleden.”

Hij vertelt over de laatste dagen met zijn vrouw. Over hoe dierbaar maar ook huiselijk die waren. „Het deed me vaak denken aan de laatste woorden van mijn moeder voor ze stierf: ‘Ga jij je haren eens kammen, jongen’.”

Hij heeft het leven hernomen, zegt hij bij een Baskische vissoep. „Althans, ik doe een poging daartoe.” Hij luncht drie keer per week buiten de deur. „Veel meer dan vroeger ben ik gericht op sociale contacten.” Maar de rouw werkt hem tegen en Niemandsland zit hem niet lekker. „In een ziekenhuis is alles gericht op genezing, maar daar was bij Emma geen sprake meer van. Dat was iedereen duidelijk.” De herinnering maakt hem opnieuw boos. „Ik zie mijn kinderen en mezelf weer, biddend en smekend om Emma uit haar lijden te verlossen. Ik hoorde de chirurgen op de dag voor haar dood weer zeggen ‘dat de ademnood van mevrouw helaas, helaas nog niet groot genoeg was’. Ze lag met haar hoofd op haar borst te knikkebollen. Toen die artsen weggingen, heb ik tegen ze gezegd: ‘Daar staat een kommetje onschuld. Daar kunt u uw handen in wassen.’”

Hij steekt zijn hand op naar de bediening. „Een glaasje witte wijn graag.” We praten over de uitvaart. Het tweede steekwoord dat zijn oudste dochter noemde? Hij heeft geen idee meer. „Ruzie? Ja, verdomd. Dat zei ze.” Hij glimlacht. „Emma en ik hadden los van de opvoeding van de kinderen, waar we weleens van mening over verschilden, nooit ruzie over iets wezenlijks.” Het ging altijd over „kutonderwerpen”, zegt hij. „Ik weet nog dat ik eens verliefd was op een violiste. Op een dag liep Emma met een viool, die ze speciaal had geleend, door de tuin. ‘Ja, want als je tegenwoordig geen viool speelt, val je bij jou niet in de prijzen.’ Weergaloos vond ik dat, hoe ze daarmee omging. ‘Ga maar, jongen.’ Emma maakte ruzie over jassen die niet op de kapstok hingen. Het ging nooit over echte dingen. Daar waren we het wel over eens. Dat vond ik heel geruststellend.”

Hij mist haar elke dag. „Ik kuste de grond waar ze liep.” Toch praat hij met zijn rouwbegeleidster niet over Emma, maar over de manier waarop hij rouwt. „Waar gaat rouw over in zelfmedelijden? In hoeverre is egoïsme onderdeel van rouw? Dat vind ik interessante vragen.”

Nog één keer tikt hij met zijn platte hand op tafel, ten teken dat hij een verhaal gaat vertellen. „Een goede vriendin van ons heeft een echtgenoot die ernstig ziek is. Ze zei: ‘Het moet allemaal niet te lang gaan duren.’ Dat is door zijn botheid en omdat juist zij het zei ook heel grappig. Op dat soort momenten mis ik Emma. Ze zou zich er om hebben bescheurd.”

Bij het afscheid komt hij erop terug. „Die opmerking van onze vriendin was egoïstisch, maar het probleem dat ik nu mijn lollige verhalen niet meer kwijt kan aan Emma, is dat ook.”

Terwijl hij zijn jas aandoet: „Je ziet: ik ben er nog lang niet, jongen.”