Opinie

Wat rest is een zandvlakte met een lege sokkel

Maxim Februari

Als in een verre toekomst mijn lichaam door archeologen uit een sloot wordt opgevist en mijn schedel wordt opengebikt om mijn geheugen af te lezen als een harde schijf, zullen de onderzoekers tussen mijn herinneringen aan dit jaar niet veel belangrijkers aantreffen dan wat beelden van een korenveld en een citaat van Emerson.

Sinds ik niet meer in de stad kom, dwaal ik hele dagen buiten rond. Dit weekend nog had ik in Leeuwarden moeten zijn, om in een zaal te zitten en te praten over de roman, maar het festival werd afgelast en dus liep ik door het veld. Buizerds, walnoten, vederwolken, alles erop en eraan. Maar pas op, je moet niet alleen op de rozen letten, zegt Ralph Waldo Emerson, luister vooral naar de modder. „But in the mud and scum of things / There alway, alway something sings.

Nee, ik mis de stad voor geen meter. Dat is wel het meest verontrustende aan mijn isolement. Als dit nog langer duurt, verdwijn ik ten slotte in het landschap, ik rol mezelf in de modder en los op in een zacht zoemen. De ontwikkeling verbaast me, want ik heb altijd gedacht dat het debat mijn leefgebied was, een stoel in een klein zaaltje met wat sprekers, de verfijnde gesprekscultuur van het mensenrijk. En jawel, ik mis het, het gesprek, maar niet de importantie en nervositeit eromheen.

Het korenveld is intussen zijn koren alweer kwijtgeraakt. In het voorjaar schoot het voorzichtig op, in die wilde begintijd van de corona lag er een ouder echtpaar in innige omhelzing, „binnenkort staat het koren hoger”, riepen we ter geruststelling, en dat was zo. Niet veel later kwamen de oogstmachines die rollen maakten van het graan en nu zijn er alleen nog stoppels over. En ik, „I wandered lonely as a cloud”, zegt de dichter Wordsworth. Ik wandel deze week als een eenzame wolk over het veld en drink het beeld van modder in.

De mensen missen hun collega’s, lees ik overal. Dat mag zo zijn, maar uit gesprekken en brieven van de afgelopen decennia weet ik dat mensen juist ook hevig lijden onder die collega’s. Gekonkel op de werkvloer is weliswaar een heel gewoon en natuurlijk verschijnsel, we noemen de werkplaats niet voor niets een krabbenmand en een slangenkuil, maar vervelend is het wel. En van al dat gedoe kun je mooi herstellen als je alleen bent.

Onlangs kwam ik een oud lijstje tegen met de vijftig Engelse dichtregels die mensen online het meest opzoeken en bestuderen. Op de vierde plaats stonden de woorden van Wordsworth over wandelen als een wolk. En op plaats twee de regel „I am the master of my fate”, uit het gedicht Invictus van William Ernest Henley. Ik ben meester over mijn lot, ik ben de kapitein van mijn ziel, zegt Henley, als hij beschrijft hoe onvermoeibaar hij blijft doorbijten bij zware tegenslag. Mensen lopen rond met dichtregels over eenzame innerlijke kracht, zoveel is zeker.

En kennelijk vragen ze zich dan af of hun doorbijten op de lange duur succes zal hebben. De dichter Tennyson staat op nummer acht met een regel over geploeter. „To strive, to seek, to find, and not to yield.” De dichter Shelley een plaats lager met een regel over de vergeefsheid ervan. Zijn sonnet Ozymandias gaat over het vervallen standbeeld van de grote heerser Ozymandias, waarvan weinig meer rest dan de brallerige inscriptie die ooit ontzag moest wekken. „Look on my works, ye Mighty, and despair!”

Kortom, we hopen grote werken te verrichten, we sloven, zwoegen, sappelen en beulen, we houden vol bij tegenslag en proberen greep te krijgen op ons lot, maar uiteindelijk blijft er niets anders over dan een zandvlakte met een lege sokkel. En dat is wat ons mensen bezighoudt, waarover we gedichten schrijven en lezen, waarover we de zoekmachines vragen stellen en waaraan we denken als we alleen zijn.

Langs de weg die ik oversteek liggen peren die van de wagens zijn gevallen; het is het seizoen van mist en zachte vruchtbaarheid, zegt de dichter Keats op nummer zevenendertig. Ik laat de peren liggen voor de vogels en muizen, kruip in de schemering onder een poort door en kom op een veldje langs de rivier waar sinds de Middeleeuwen niemand meer is geweest. Ganzen kijken verbaasd op.

Nu alles is afgelast, weet ik steeds minder goed waarover het grote gesprek gaat. Misschien is mijn geheugen gewist, mijn verbinding gecrasht. „The mind is its own place”, zegt de dichter Milton op nummer vijftig. Midden in de nacht word ik wakker en meteen zie ik het korenveld voor me, de graanstoppels, de vogels erboven. Het regent en ik kan me inbeelden hoe het veld langzaamaan verandert in een modderplas. Als ik nu maar lang genoeg aan modder blijf denken, begint iets straks zachtjes te zingen.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl