De wolf die te zwaar was om alleen te jagen

Paleontologie Een wolf genas 1,2 miljoen jaar geleden van een gruwelijke botbreuk. Dat wijst erop dat het dier is gevoed door soortgenoten. De vondst onderbouwt het idee dat grote hondachtige wel gezamenlijk móeten jagen, omdat ze anders te weinig prooi kunnen vangen.

De rechterachterpoot van een Canis chihliensis (1,2 mln. jaar oud) is gruwelijk gebroken en weer aan elkaar gegroeid. Links de ongeschonden linker poot. De botten zijn van vier kanten gefotografeerd.
De rechterachterpoot van een Canis chihliensis (1,2 mln. jaar oud) is gruwelijk gebroken en weer aan elkaar gegroeid. Links de ongeschonden linker poot. De botten zijn van vier kanten gefotografeerd. Foto H.Tong e.a/PeerJ

In fossiele botten van een vroege wolfachtige, Canis chihliensis, van 1,2 miljoen jaar oud, zijn aanwijzingen gevonden voor gezamenlijk jagen. De belangrijkste is wel een gruwelijke maar grotendeels genezen breuk van een achterpoot. Zonder voedselhulp van groepsgenoten zou dit dier nooit zolang nog hebben kunnen doorleven, vermoeden Chinese en Amerikaanse onderzoekers die de fossielen uit Nihewan in Noord-China deze maand beschrijven in het tijdschrift PeerJ. Ook uit breuken van kiezen die gebruikt worden om botten te breken en bijbehorende verwondingen aan de kaak leiden de onderzoekers af dat deze vroege wolven al gezamenlijk jaagden. Dat bottenbreken om het merg eruit te eten is een specialisatie die vooral voorkomt bij gezamenlijke jagers, aldus de onderzoekers.

Bijzondere aanpassing

De gezamenlijke jacht (pack hunting) is een bijzondere evolutionaire aanpassing van hondachtigen waarvan niet vast staat wanneer ze is begonnen. De 1,2 miljoen jaar uit het huidige onderzoek is de oudste hypothese tot nu toe, al benadrukken de onderzoekers dat ze nog niet 100 procent overtuigd durven zijn. Want in theorie zou bijvoorbeeld het verwonde dier zich ook nog met planten in leven hebben kunnen houden. Zo'n genezing van een beenbreuk en ook vergelijkbare beschadigingen van het gebit zijn wel al eerder gevonden bij een ándere prehistorische wolf: de reuzenwolf (‘dire wolf’) die honderd à tweehonderduizend jaar geleden leefde in Amerika.

Grens van 20 kilo

De Canis chihliensis was iets kleiner dan de huidige wolf (30 - 80 kilo), en alleen al op grond van die grootte is aannemelijk dat hij aan pack hunting deed. Grote hondachtigen kunnen in principe niet zonder gezamenlijke jacht. Hoe groter hypercarnivoren (voor meer dan 70 procent afhankelijk van vlees) worden, hoe groter ook hun prooi moet zijn, zodat ze per dag nog voldoende voedsel binnen kunnen krijgen. Maar in hun eentje zijn hondachtigen niet in staat zulke grote prooidieren te doden. De grens voor de noodzaak van pack hunting zou liggen rond de 20 kilo. Voor katachtigen geldt die grens niet omdat zij met hun vlijmscherpe intrekbare klauwen de prooi veel beter kunnen vastpakken. Een tijger (tot 300 kilo) jaagt wél alleen. En ook ook een vos (maximaal 14 kilo) kan het in z’n eentje af. De Aziatische wilde hond (‘dhool’, ca. 20 kilo) en de Afrikaanse hyenahond (20 - 30 kilo) jagen in groepen.

Lees ook: Wolf huilt als een vriendje de troep verlaat