Abdelkader Benali: ‘Ze huilde als we kwamen en ze huilde als we gingen’

Openhartig Schrijver Abdelkader Benali (44) won onlangs de Gouden Ganzenveer voor zijn ‘grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in de Nederlandse taal’. Voor de Maand van de Geschiedenis (oktober) schreef hij het essay Reizigers van een nieuwe tijd. Hij beantwoordt zeven vragen, vrij naar Marcel Proust.

Foto David van Dam, bewerking NRC

Wat is uw huidige gemoedstoestand?

„Chaotisch. Onrustig. Nadat ik sinds maart in een staat van lome onthechting verkeerde en alles op z’n gat lag, komt nu alles los. We hebben een dochter van 8 maanden en een van 5 jaar, die gaat weer naar school. De machinerie van lezingen, interviews, afspraken komt weer op gang. Ik word er bijna duizelig van.”

Wat is uw grootste prestatie?

„Dat ik gezond leef. Ik heb veel mensen aan drank, drugs en vrouwen ten onder zien gaan. Vechtend tegen demonen die ontstaan door generatieconflict of cultuurkloof tussen oost en west. Ik heb een depressie gehad, een lichte psychose. Maar ik had de literatuur en het hardlopen.”

Lijkt u nog op wie u vroeger was?

„Ja, nog altijd ben ik rusteloos. Nee, ik ben gelukkiger. Ik leefde in twee werelden. Was snel verveeld. Nu weet ik wat belangrijk is. Mijn gezin, familie, vrienden. Genoeg om uit de buurt van de afgrond te blijven.”

Wie bewondert u?

„Mijn grootmoeder, ze overleed dit jaar in Marokko. Een verrukkelijke vrouw met veel pit. We gingen er als kind in de zomer altijd naartoe. Ze huilde als we kwamen en ze huilde als we weggingen, en in de tussentijd praatte ze zes weken aan een stuk door. Een intrigante, goed in het tegen elkaar opzetten van mensen. Scherp en grappig, onaangepast en vrij. Zij leerde me de kracht van de taal.”

Bent u moedig?

„Moed wordt geboren in angst. Ik wilde mijn talent voor het woord laten zien maar was bang uitgelachen te worden. Ik groeide op in een arbeidersgezin. Thuis hadden we twee boeken, de Koran en het telefoonboek. Met de drang kwam ook de moed. Ik heb in pure wanhoop – het moest – mijn ogen gesloten en ben gesprongen.”

Wat is de beste plek om te wonen?

„Tanger. We hebben er een appartementje. Het is een rauwe havenstad, rommelig, met veel identiteiten. Ik geniet van het licht, de wind en dein mee op het ritme van de stad. Als ik van de visboer naar de slager naar het dametje met de muntthee wandel, ga ik op in het gekrioel en word onzichtbaar.”

Wat is uw favoriete historische tijdperk?

„De belle époque, toen alles nog moest beginnen. Overal was iedereen bezig met een onderzoek naar de toekomst. In de muziek, de wetenschap, de literatuur, de kunst. Noord-Afrika was onderdeel van dat wereldnetwerk. Matisse reisde van Parijs naar Algiers naar de oase Biskra. Aan de Grand Socco in Tanger eindigde de karavaanroute door Afrika. Duizenden kamelen zegen hier neer na een lange tocht door de Sahara, waarna de lading werd overgeladen op schepen naar Europa. Aan de Petit Socco had je vijf Europese banken waar reizigers hun geld konden wisselen. Alles bruiste. Wat was ik daar graag bij geweest.”