Hoe wijdverbreid is institutioneel racisme in Nederland en wat valt ertegen te doen?

Institutioneel racisme in Nederland Op papier is alles goed geregeld: racisme is verboden, meldpunten zijn er genoeg. In de praktijk daarentegen komt discriminatie meer voor dan in het positieve zelfbeeld van Nederland past.

Illustratie Sharon Coone

Vaker staande gehouden worden door de politie. Eerder afgewezen worden bij sollicitaties. Minder kans op een woning in een mooie buurt. Meer controles door de sociale dienst. Een grotere kans op boetes van de Belastingdienst.

Het is een greep uit uiteenlopende vormen van discriminatie op basis van etnische afkomst in Nederland. De praktijken worden al jaren uitvoerig en gedetailleerd gedocumenteerd, zonder dat ze tot veel protest leidden. Tot 25 mei van dit jaar. Op die dag plantte een witte politieman in Minneapolis acht minuten lang zijn knie op de nek van George Floyd. De zwarte man stierf even later. Nog weer later stonden de Verenigde Staten – soms letterlijk – in lichterlaaie.

De felle protesten tegen politiegeweld breidden zich dit voorjaar ook uit naar Nederland en vermengden zich met demonstraties tegen discriminatie in het algemeen. Politici trokken zich het onderwerp aan en spraken erover tijdens de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer, eerder deze maand. Premier Rutte, die Nederland eerder als „gaaf land” aanprees, erkende dat racisme en discriminatie ook in Nederland voorkomen. Hij sprak zelfs van „systemische problemen”. Even later kondigde hij een taskforce uit het kabinet aan die de strijd tegen etnische discriminatie gaat aanbinden. Deze maandag zouden Rutte en vier andere ministers op het Catshuis erover spreken met activisten van Black Lives Matter, Kick Out Zwarte Piet en andere betrokkenen. De bijeenkomst werd maandagmiddag echter uitgesteld in verband met ,,actuele ontwikkelingen rond corona”, aldus een woordvoerder van de Rijksvoorlichtingsdienst.

Lees ook: KOZP voorzichtig positief over racismegesprek met Rutte

Naar aanleiding van de protesten dit voorjaar en de kabinetsreactie, keek NRC naar belangrijke instellingen van de overheid en in de markt. Welke gedaantes nemen discriminatie en racisme daar aan? Hoe structureel zijn ze? Wat houdt ze gaande? En: wat valt ertegen te doen?

Eerst een belangrijke definitiekwestie. Waar het gaat om discriminatie door overheidsinstellingen en bedrijven op grond van etniciteit, spreken onderzoekers en activisten vaak over ‘institutioneel racisme’. Dat is schrikken voor wie bij zulke instellingen of bedrijven werkt. „Racist? Ik?” Die reactie is begrijpelijk, want racisme slaat op de overtuiging, het motief achter discriminatie (een etnische groep minderwaardig vinden en daarom mensen van die groep slechter behandelen), terwijl motieven vaak moeilijk zijn te achterhalen – behalve misschien bij rechts-extremisten die zich laten voorstaan op hun haat voor buitenlanders. Met institutioneel racisme wordt juist niet gedoeld op persoonlijke motieven en drijfveren. Het gaat over de discriminerende handelwijzen van belangrijke instituties die telkens weer schadelijke gevolgen hebben voor bepaalde etnische groepen.

De meeste aanwijzingen voor hardnekkige discriminatie komen uit de arbeidsmarkt

Jair Schalkwijk van de onderzoeksgroep Controle Alt Delete die het politieoptreden kritisch volgt, formuleert het als volgt: „Als wij wijzen op institutioneel racisme bij de politie, bedoelen we daarmee niet dat alle politiemensen racisten zijn. Tegelijkertijd is het wel zo dat alle agenten door hun handelen gezamenlijk een enorme ongelijkheid creëren.”

De meeste aanwijzingen voor hardnekkige discriminatie komen uit de arbeidsmarkt. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deed daar gedetailleerd en uitgebreid onderzoek naar, met rapporten zoals Liever Mark dan Mohammed? (2010) en Op afkomst afgewezen (2015). Daaruit bleek wijdverspreide discriminatie bij de beoordeling van sollicitaties door werkgevers.

‘We willen graag een Pool’

Onderzoek uit 2013 wees uit dat veel sollicitanten met een Marokkaans klinkende naam de eerste stap van de procedure niet overleefden: hun profiel werd door werkgevers 50 procent minder vaak aangeklikt dan dat van sollicitanten met een Nederlands klinkende naam. Uit een groot veldonderzoek afgelopen zomer bleek dat de situatie niet veel beter was voor sollicitanten met een niet-Nederlandse achtergrond die over een goede vooropleiding, veel werkervaring en relevant netwerk bleken te beschikken. Zij kregen 40 procent minder vaak een reactie.

Uit tal van onderzoeken blijkt dat bij een belangrijke toegangspoort tot de arbeidsmarkt, de uitzendbureaus, mensen met een migratieachtergrond minder kans hebben. Het SCP stelde in 2012 met acteurs vast dat autochtone Nederlanders twee keer meer kans hadden op een baan.

Met name de uitzendbureaus die niet zijn aangesloten bij de officiële brancheorganisaties maken het bont. Uit een inspectie door het ministerie van Sociale Zaken vorig jaar bleek bijvoorbeeld dat 40 procent van de niet-aangesloten uitzendbureaus bereid was mee te werken aan discriminerende verzoeken van bedrijven die werknemers zochten. Daarbij werd expliciet aangeven geen Marokkaan, Turk of andere niet-westerse etniciteit te willen. De verzoeken hoeven niet alleen negatief geformuleerd te zijn. Er waren ook positieve: ‘Wij willen graag een Pool: het zijn harde werkers en ze zullen niet snel klagen.’

Ook uit de thuiszorg – waar veel zzp’ers werken die vaak ook van buitenlandse komaf zijn – komen steeds meer signalen van discriminerende verzoeken, al zijn die nog niet systematisch onderzocht. Op nursing.nl, een website voor verpleegkundigen, klaagde onlangs een medewerker van een thuiszorgorganisatie over een cliënt die weigert thuiszorgers met een buitenlandse achtergrond te ontvangen. „Hij vroeg of er voortaan geen ‘buitenlanders’ meer ingepland konden worden, want dat vond hij maar niks.” Er waren meer cliënten die niet door ‘buitenlanders’ verzorgd wilden worden, maar witte collega’s namen nauwelijks stelling tegenover dat soort gedrag, aldus de auteur.

Gezocht: huurder met een ‘click’

De discriminatie op de arbeidsmarkt doet denken aan die op de woningmarkt, al zijn daar de cijfers minder hard. Twee jaar geleden deed een stuk in De Groene Amsterdammer veel stof opwaaien. Het weekblad had op 250 woningadvertenties laten reageren. Dat gebeurde eerst onder de naam ‘Rachid El Haddaoui’, daarna als ‘Jaap van de Ven’. Rachid kreeg 116 keer een positief antwoord (een uitnodiging voor een bezichtiging of een verzoek om meer informatie), Jaap 162 keer.

Daarnaast deden medewerkers van De Groene zich in telefoontjes naar makelaarskantoren voor als verhuurder en vermeldden: „Een van onze wensen: we willen geen allochtonen in ons huis.” Slechts vier van de vijftig makelaars gaven aan dat ze daar niet aan konden meewerken. Veel van hen die wel meewerkten, realiseerden zich daarbij vermoedelijk de wet te overtreden. Ze moesten „even kijken hoe we dit gaan formuleren”. Het ging immers om „een gevoelig onderwerp”.

Naar aanleiding van het artikel schreven onderzoekers van de Radboud Universiteit Nijmegen vorig jaar oktober een kritisch rapport. Het onderzoek bevestigde het bestaan van discriminerende praktijken, maar noemde geen aantallen. Daarvoor was het onderzoek te beperkt van opzet (interviews met 36 makelaars en deskundigen). Het bestaan van tamelijk wijdverspreide discriminatie onder verhuurders werd wel weer bevestigd in onderzoeken in opdracht van de gemeenten Utrecht en Amsterdam.

De wetenschappers van de Radboud Universiteit zochten ook verklaringen van de discriminatoire praktijken. Hun respondenten (makelaars, deskundigen) noemden vaak: een overspannen woningmarkt die verhuurders veel macht geeft. En daarnaast: risicomijding. Een huurder die er in zijn woning een puinhoop van maakt, is gezien diens sterke juridische positie, moeilijk weg te krijgen. In zo’n context nemen mogelijk negatieve ervaringen snel de gestalte aan van vooroordelen over etnische groepen. Liever geen grote gezinnen, liever niet veel en kruidig koken. Met name kleine verhuurders die een paar appartementen of huizen bezitten, ‘spelen op safe’. Ze kiezen bovengemiddeld vaak voor kandidaten die op hen lijken en met wie ze ‘een click hebben’, aldus het rapport.

Discriminerende overheidsdienst

Over de Belastingdienst oordeelde privacywaakhond Autoriteit Persoonsgegevens dit voorjaar dat buitenproportioneel vaak mensen met een migratieachtergrond het slachtoffer waren van verscherpte controles op zorg- en kindertoeslagen. De dienst had geen gegevens mogen verwerken over de tweede nationaliteit van aanvragers van kinderopvangtoeslag. Die waren gebruikt in de jacht op fraude met toeslagen. „Deze verwerkingen waren onrechtmatig, discriminerend en daarmee onbehoorlijk – zware overtredingen van de privacywet”, aldus de waakhond.

Lees ook: Politie Rotterdam onderzoekt racisme in appgroep agenten

Het was niet de eerste keer dat de politiek verantwoordelijken daarmee de wet overtraden. Premier Rutte (VVD) werd in een vorige functie getroffen door eenzelfde oordeel, destijds van de rechter. In 2003 had hij als toenmalig staatssecretaris van Sociale Zaken gemeenten opgeroepen ongeveer 25.000 Somaliërs extra te controleren op bijstandsfraude. De rechtbank van Haarlem veroordeelde Rutte in 2007 voor „het aanzetten tot rassendiscriminatie”. Voor Rutte had de uitspraak overigens geen gevolgen. In 2006 werd hij partijleider van de VVD, in 2010 premier.

Agenten appen over ‘kankervolk’

De politie werd de laatste jaren veelvuldig in verband gebracht met discriminatie en racisme. Diverse korpsen, zoals in Rotterdam en Den Haag, kwamen herhaaldelijk negatief in het nieuws vanwege racistische uitingen. Rotterdamse agenten spraken in januari vorig jaar in een besloten appgroep over „kankervolk, kutafrikanen en pauperallochtonen” op wie ze willen „schieten”. De korpsleiding onderzocht de kwestie  en de appgroep werd opgegeven. Het Openbaar Ministerie achtte de uitingen van de agenten niet strafbaar. Wel volgde een disciplinair onderzoek naar de agenten. Dit laatste loopt nog.

Verder is er een aanhoudende discussie over het zogeheten ‘etnisch profileren’, het fenomeen waarbij gekleurde passanten op straat sneller staande worden gehouden door de politie. Dat gebeurt vooral bij identiteitscontroles, verkeerscontroles en preventief fouilleren. Veel klachten daarover komen uit Amsterdam.

Agenten die in lastige buurten werken, kunnen last krijgen van vooroordelen

De discussie over de vraag „is dit discriminatie of niet?” houdt al lange tijd de gemoederen bezig van zowel de politie als haar critici. Organisaties als Amnesty International en Control Alt Delete schreven er uitvoerig en kritisch over. De Nationale Ombudsman schaarde zich aan hun kant en zag „institutionele vooringenomenheid bij alle lagen van de overheid”, daaronder ook de politie. Onderzoek van twee Leidse wetenschappers in 2014 stelde daartegenover juist dat er heel vaak reden was voor de extra aandacht van de politie, gezien de gedragingen van veel – met name jonge – Marokkaanse-Nederlanders. Dat gekleurde passanten disproportioneel vaak werden gecontroleerd, kon volgens de wetenschappers niet worden aangetoond.

Recentelijk komen er echter geluiden uit de politie zelf, die erkennen dat er toch een probleem is. Met name politieagenten die lange tijd in lastige buurten werken, kunnen last krijgen van vooroordelen, zei Jan Struijs, voorzitter van de grootste politiebond, Nederlandse Politiebond, in juni tegen de NOS. Hij noemde een agent in een gebied met veel arbeidsmigranten uit Oost-Europa. „In die wijken wordt soms veel gedronken, wat kan leiden tot agressief gedoe. Je probeert dan altijd te blijven oordelen op het gedrag in individuele situaties, vertelde die collega, maar de vooroordelen sluipen er toch in.”

Struijs pleitte voor roulatie van agenten om versterking van vooroordelen tegen te gaan. „Houd hem binnenboord. Zet ’m in een andere werkomgeving. Praat erover met elkaar op het moment dat je denkt: nu doe je uitspraken die niet meer kloppen.” De Nationale Ombudsman zei in mei van dit jaar vooruitgang te zien bij de afhandeling van klachten over discriminatie door de politie.

Lees ook: Nationale Ombudsman ziet etnisch profileren in alle lagen van de overheid

Doden na aanhouding politie

Een voorbeeld van „institutioneel racisme” bij de politie waar de maatschappelijke organisatie Controle Alt Delete op wijst, is het feit dat mensen met een migratieachtergrond vaker overlijden tijdens of vlak na een aanhouding. Het bekendste voorbeeld is volgens de organisatie Mitch Henriquez, die in 2015 overleed nadat een politieagent een nekklem op de Arubaan had gezet na diens arrestatie. Overigens vond een deel van de familie van Henriquez die handelwijze geen uiting van racisme, maar eerder van een „machocultuur” bij de politie.

Situaties zoals de dood van George Floyd in de VS kunnen ook in Nederland voorkomen, stelde de organisatie – en in haar kielzog ook veel demonstranten. De organisatie publiceerde een overzicht van 47 gevallen sinds 2016 waarbij arrestanten overleden bij en na politieoptreden. 26 van hen hadden een migratieachtergrond, van wie acht een westerse (Duits, Engels, Zuid-of Oost-Europees). Mensen met een migratieachtergrond overleden twaalf keer vaker dan op grond van hun aandeel in de hele bevolking mocht worden aangenomen, concludeerde de organisatie.

De organisatie beklemtoont dat niet vaststaat dat de betreffende mensen zijn overleden door politieoptreden, maar wel bij of na politieoptreden. „We hebben daar urgente vragen over”, aldus Schalkwijk die aandringt op „meer transparantie” van de kant van de politie.

Hierbij spelen namelijk mogelijk ook gezondheidskwesties een rol, zoals verward gedrag en drugsgebruik van de arrestanten. Van de 47 mensen die overleden, vertoonde meer dan de helft verward gedrag. „Ook over die oververtegenwoordiging van mensen met verward gedrag hebben wij zorgen”, aldus Schalkwijk. Afgelopen donderdag sprak Controle Alt Delete over de kwestie met minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA).

Apenrots

Ook de krijgsmacht komt met enige regelmaat negatief in het nieuws waar het gaat om discriminatiekwesties. In 2007 concludeerde een onderzoekscommissie (de commissie-Staal) dat pesten, seksuele intimidatie en discriminatie in het leger gemiddeld vaker voorkomen dan in andere organisaties. De ‘pestcultuur’ trof zowel vrouwen, homoseksuelen als etnische minderheden binnen de krijgsmacht, vooral in de lagere rangen. Na een onderzoek naar ‘diversiteit binnen de krijgsmacht’ in 2017 onder 2.600 militairen, schreef het SCP dat „het grappen maken over mensen met een andere etnische achtergrond eerder regel is dan uitzondering”. Medewerkers met een niet-westerse achtergrond hebben vaker negatieve ervaringen (60 procent) dan autochtone medewerkers (49 procent).

In hetzelfde jaar dienden dertien allochtone militairen, mede namens tientallen anderen, een officiële klacht in bij Defensie over discriminatie. Sommigen van hen waren de scheldpartijen en aanmoedigingen om „terug te gaan naar je apenrots” zo beu, dat ze volgens hun raadsman overgeplaatst wilden worden naar een ander legeronderdeel.

Alles bij elkaar opgeteld lijkt er genoeg bewijs voor de stelling dat wijdverbreide discriminatie bestaat in het hart van het overheidsapparaat (politie, krijgsmacht, belastingdienst). Op de arbeidsmarkt, komt het fenomeen zelfs zeer regelmatig voor. Ook op de woningmarkt zijn daar sterke aanwijzingen voor. Wel neemt de discriminatie zeer verschillende vormen aan: de pestcultuur bij de krijgsmacht verschilt sterk van de uitsluitingsverschijnselen op de arbeids- en woningmarkt.

De ‘rechtvaardige’ werkomgeving

Als oorzaak spreken de betrokken onderzoekers meestal niet van racisme, maar van „vooroordelen” – al dan niet bewust. Wat houdt die vooroordelen en discriminerende patronen in stand?

Voor de Utrechtse universiteitshoogleraar en sociaal psycholoog Naomi Ellemers springt er een ding uit: het rotsvaste vertrouwen van veel mensen in het bestaan van een rechtvaardige omgeving op hun werk. Daarin past geen bestaan van wijdverspreide discriminatie, en racisme al helemaal niet. De hoogleraar sociale psychologie deed veel onderzoek naar het taaie voortbestaan van discriminerende praktijken op de werkvloer en publiceerde daar in 2012 een boek over.

„Leden van groepen die door ongelijke behandeling in het voordeel zijn, willen graag geloven dat hun successen te danken zijn aan hun eigen prestaties”, schrijft Ellemers in Je werkt anders dan je denkt. „Niet dat ze meer kansen hebben gekregen, omdat ze toevallig een blanke man zijn.” En ook wie zelf in het nadeel is, wil graag in gelijkheid geloven. „Je wilt geen discriminatie zien. Omdat je liever hoopt dat je dezelfde kansen zult krijgen als de anderen, als jij je best maar doet.”

Dit hardnekkig geloof in een rechtvaardige omgeving staat vooruitgang in de strijd tegen discriminatie in de weg, stelt ze. In een toelichting mailt Ellemers: „Door het sterke geloof in een rechtvaardige wereld kunnen problemen onder de oppervlakte heel lang doorwoekeren zonder dat mensen in de gaten hebben hoe ernstig dit is.” Er kan op diverse plekken in de organisatie sprake zijn van ongelijke behandeling. „Maar iedereen vindt dit ‘normaal’, of ziet niet echt hoe en waarom dat oneerlijk zou zijn. Er zijn allerlei mechanismen om dit te rationaliseren. Mensen die klagen, of vervelende dingen meemaken worden als aanstellers gezien. Of als pechvogels die toevallig een vervelende collega of baas zijn tegengekomen.”

Het rationaliseren van discriminatie kan sterker worden als mensen reageren op situaties waarin etniciteit een rol lijkt te spelen. De Rotterdamse agenten die in januari vorig jaar appten over „kutafrikanen” reageerden op een filmpje waarop te zien was hoe een witte vijftienjarige jongen in Spijkenisse minutenlang in elkaar werd geslagen door zwarte leeftijdsgenoten. De Belastingdienst begon haar discriminerende fraudeonderzoek na berichten in de media dat Bulgaren waren betrapt op fraude met toeslagen. In 2015 werden zes leden van een Oost-Europese bende veroordeeld voor grootschalige fraude met huur- en zorgtoeslagen. Een jaar eerder rapporteerde toenmalig staatssecretaris Eric Wiebes (VVD) dat de sterk opgevoerde bestrijding van fraude met toeslagen ten minste 250 miljoen euro had opgeleverd. Wat in 2014 nog werd gezien als effectieve fraudebestrijding, wordt inmiddels betiteld als ‘institutioneel racisme’.

De conclusies van Ellemers’ onderzoek over (zelf)beelden van rechtvaardigheid, sluiten aan bij wat E. Tendayi Achiume, racismerapporteur van de Verenigde Naties, eind 2019 over Nederland rapporteerde. Ze sprak over „de Nederlandse paradox”. Juist de breedgedragen overtuigingen dat de Nederlandse samenleving tolerant en rechtvaardig is en dat „Amerikaanse toestanden” hier niet voorkomen, vormen een barrière voor het daadwerkelijk bereiken van tolerantie en gelijkheid, aldus Achiume.

‘Ouderwetse discriminatie’

Op papier is alles in Nederland uitstekend geregeld. Discriminatie is bij wet verboden, er is fijnmazige regelgeving om discriminatie tegen te gaan en er zijn legio instanties die zich ermee bemoeien. Elke organisatie heeft wel een laagdrempelig meldpunt, zoals de politicus Thierry Baudet onlangs nog in talkshow Jinek zei. En de aantallen meldingen daar vallen reuze mee, voegde hij eraan toe.

Dat is te simpel gedacht, vindt hoogleraar Ellemers. En dat komt niet alleen door het geloof in de rechtvaardige omgeving. In haar boek signaleert ze in het hoofdstuk ‘Ouderwetse discriminatie is zo gek nog niet’ juist een opvallend gebrek aan tegenspel, vooral bij slachtoffers van subtiele of indirecte discriminatie. Waar vroeger iemand nog wel eens als huurder botweg werd geweigerd omdat hij Marokkaan was, krijgt hij nu te horen dat de makelaar niet aan grote gezinnen verhuurt. Mohammed verneemt tijdens sollicitaties opmerkelijk vaak dat hij „niet in het team past”.

Bewijs maar eens dat achter een afwijzing bij een sollicitatie discriminatie schuilgaat

De uitwerkingen van openlijke directe en subtiele indirecte discriminatie zijn verschillend, aldus Ellemers. Waar directe discriminatie bij slachtoffers verzet, tegenstand, protest en zelfs strijdlust kan opwekken – uitmondend in bijvoorbeeld een officiële klacht –, maakt subtiele discriminatie mensen onzeker, schrijft ze. „Mensen zijn dan eerder geneigd de schuld bij zichzelf te zoeken. We zien in onze onderzoeken dat ze dan verdrietig worden, zich bedreigd en wanhopig voelen. Ze zijn gespannen en onzeker of het de volgende keer wel lukt. Ze hebben minder vertrouwen in hun eigen kunnen en gaan in het algemeen minder positief over zichzelf denken.” Ook achten de slachtoffers een gang naar het meldpunt discriminatie kansloos. Bewijs maar eens dat achter een afwijzing bij een sollicitatie discriminatie schuilgaat.

Ellemers’ observatie sluit aan bij de bevindingen van De Groene Amsterdammer over de woningmarkt. Abbie Chalgoum, een van de slachtoffers van de stelselmatige afwijzingen, zegt: „Je begint aan jezelf te twijfelen en dat is nog vervelender dan direct racisme. Hier kunnen ze zich verschuilen achter allerlei smoesjes. Je gaat helemaal kapot van binnen, want je weet dat er gewoon geen gelijke kansen zijn voor iedereen.”

Lees ook: Privacyvoorvechters krijgen SyRI via rechter verboden

‘Kleurenblinde’ technologie

De gedachte dat de werkomgeving rechtvaardig in elkaar zit, kreeg een krachtige impuls door de inzet van nieuwe technologie die kleurenblind zou zijn. Overheidsorganisaties als sociale diensten, het UWV en de Belastingdienst gebruikten steeds vaker computersystemen om misbruik van voorzieningen tegen te gaan. De Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen zag daarin een bron van ‘institutionele vooringenomenheid’. Tegen NRC zei hij in mei: „Het [etnisch profileren] zit in systemen die achter de deur van een computercentrum gegevens uitspugen. Het gaat via algoritmen.”

Inmiddels zijn veel van deze methoden onderwerp van kritiek, zoals bij de Belastingdienst, of wordt zelfs een heel systeem verboden. Begin dit jaar zette de rechter een streep door het geautomatiseerd systeem SyRi, ontworpen door het ministerie van Sociale Zaken. Het was bedoeld om verschillende vormen van fraude op te sporen met uitkeringen en toeslagen. De aanpak leek degelijk en neutraal. In het systeem waren huisadressen opgeslagen. Wie in een multiculturele wijk woonde, kon in een hogere risicocategorie belanden en meer gecontroleerd worden. De rechter betitelde het systeem in februari van dit jaar als „discriminerend”.

In 1980 werd ook al geklaagd over het gebrek aan stages voor jongeren met een Marokkaanse achtergrond

Na zijn eerste gesprek met de antiracisme-activisten, begin september, zei premier Rutte te streven naar een samenleving met „nul racisme”. Met name op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en in de zorg, moeten „grote stappen” worden gezet – instellingen als de politie en de Belastingdienst noemde de premier daarbij overigens niet. En tijdens de Algemene Beschouwingen, twee weken later, kondigen diverse politieke leiders zoals die van D66 forse maatregelen aan: hogere boetes, strengere antidiscriminatiemaatregelen.

Wie terugkijkt op pakweg veertig jaar racismebestrijding, heeft reden tot scepsis over de uitkomst van het nieuwe offensief. In 1980 werd ook al geklaagd over het gebrek aan stageplekken voor jongeren met een Marokkaanse achtergrond. En over discriminerend gedrag bij de politie. Talrijke bewustwordingscampagnes verder, kondigt het kabinet aan nu racisme stevig aan te pakken. Dat gebeurt tijdens een ingrijpende coronacrisis waarin veel werkgevers iets anders aan hun hoofd hebben dan Marokkaans-Nederlandse jongeren aan een baan helpen. Het Malieveld in Den Haag wordt niet meer gevuld door antiracismedemonstranten, maar door demonstranten van Viruswaarheid.

George Floyd

Al voor de dood van George Floyd in de VS kondigde het ministerie van Sociale Zaken nieuwe wetgeving aan. Die verplicht bedrijven op schrift te stellen hoe ze in hun wervings- en selectiebeleid discriminatie tegengaan. Een woordvoerder van het ministerie mailt: „Juist omdat discriminatie vaak onbewust plaatsvindt, is het van belang dat de werkgever zijn werkwijze op schrift stelt. Door de werving- en selectieprocedure vast te leggen, worden werkgevers zich bewust van de valkuilen die tot discriminatie leiden en de mogelijkheden om dit te voorkomen.”

Bedrijven, verenigd in de ondernemersorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland reageren sceptisch. Zij vrezen meer administratieve rompslomp en zetten vraagtekens bij de effectiviteit van deze maatregelen. Dat betekent overigens niet dat werkgeversorganisaties het probleem niet onderkennen. Discriminatie komt breed in de samenleving voor, maar het zijn veelal onbewuste mechanismen die heel lastig zijn te veranderen. Het is „economisch verstandig” om een divers aannamebeleid te hebben, zegt Guusje Dolsma, plaatsvervangend directeur beleid van VNO-NCW en MKB-Nederland. Dat is de reden dat de ondernemersorganisaties bijvoorbeeld de geactualiseerde NVP Sollicitatiecode mede hebben opgesteld – „in overleg met onder meer het College voor de Rechten van de Mens”.

Tegen de scepsis in, vindt het College voor de Rechten van de Mens dat de overheid een heldere norm moet stellen. „Discriminerend gedrag is genormaliseerd”, constateerde het College vorig jaar. Verandering moet volgens voorzitter Adriana van Dooijeweert komen van de overheid, die een „inclusieve Nederlandse identiteit” moet voorstaan. „Er moet helderder tegenstand komen tegen discriminatie, ook tegen vormen die niet binnen het strafrecht vallen.”

Deskundigen als hoogleraar Ellemers hebben hun hoop gevestigd op het succesvolle verzet tegen Zwarte Piet en de massale reacties op de dood van George Floyd. Die hebben een ontwakingsproces op gang gebracht, waarbij het ‘gave land’ van Mark Rutte eerlijker naar zichzelf in de spiegel durft te kijken. „Dingen die veel mensen lang heel gewoon vonden en nooit voor iemand een probleem leken te zijn, zoals Zwarte Piet, blijken ‘ineens’ niet meer te kunnen”, schrijft Ellemers. „De grotere aandacht voor het thema brengt discussies op gang die eerder niet gevoerd werden.”

Correctie (28 september 2020): de passage ‘De korpsleiding onderzocht de kwestie, de appgroep werd opgeheven, maar daar bleef het bij.’ is aangevuld omdat deze niet volledig bleek te zijn.