Reportage

Roemruchte periode vol protest en verandering

Amsterdam 1970 Een kanteljaar, zo zou Geert Mak 1970 voor Amsterdam willen typeren. NRC blikt met een paar hoofdrolspelers van toen terug op een jaar vol boosheid, protesten, knuppelende politie, maar ook: euforie.

Oranje Vrijstaat vergadert, 9 april 1970. In het Willibrordushuis spreekt Roel van Duijn tijdens een vergadering van Kabouters over de gemeenteraadslijst en het toekomstbeleid.
Oranje Vrijstaat vergadert, 9 april 1970. In het Willibrordushuis spreekt Roel van Duijn tijdens een vergadering van Kabouters over de gemeenteraadslijst en het toekomstbeleid. Foto Nationaal Archief

‘De sfeer van Amsterdam in 1970 was een combinatie van wanhoopsstemming en euforie”, zegt Roel van Duijn (77), een van de oprichters van de geruchtmakende Provo en de Kabouterbeweging. Voor Amsterdam Kabouterstad lijst 12 zat hij in die tijd in de gemeenteraad, later was hij wethouder voor de Politieke Partij Radikalen (PPR) en verbond hij zich aan initiatieven als Groen Amsterdam en Groen Progressief Akkoord. „Het jaar ’70 was er een van euforie. Als kabouters kregen we het voor elkaar dat de stad steeds autoluwer werd, met als eerste wapenfeiten de Leidsestraat en het Leidseplein autovrij. We legden daktuintjes aan op auto’s. Maar er heerste een halve eeuw terug ook pessimisme: de milieuverontreiniging nam schrikwekkend toe.”

Voor deze krant is 1970 een beslissend jaar: op 1 oktober 50 jaar geleden verscheen voor het eerst NRC Handelsblad als fusie van twee liberale kranten, de Nieuwe Rotterdamsche Courant (1843) en het Algemeen Handelsblad (1828). Het gebouw waar de redactie en drukkerij van het Algemeen Handelsblad was gevestigd bestaat nog altijd, aan de Nieuwezijds Voorburgwal, pal naast journalistencafé Scheltema. Na de fusie verhuisde de krant naar Rotterdam, naar de Westblaak.

Provo-rellen op het Rokin, Koninginnedag 1970.

Foto Nationaal Archief

Maar hoe zag Amsterdam er een halve eeuw geleden uit, wat speelde in politiek en maatschappelijk opzicht? In de vroege jaren zeventig, kort na de fusie, kwam ik vanuit de provincie in Amsterdam te wonen, in Oud-West. Destijds wekte de stad aanvankelijk een sombere indruk: prostitutie in straatportieken, achter het Centraal Station en in de no-go area van de Oostelijke Handelskade, beginnende kaalslag en sloop van het Waterlooplein en de Nieuwmarktbuurt. In dat jaar ging de eerste paal voor de metro de grond in. Het stadsbestuur vatte megalomane plannen op om snelwegen dwars door de historische binnenstad te trekken, de littekens werden alvast gekerfd en zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar, bijvoorbeeld de Wibautstraat en het Mr. Visserplein met zijn tunnel en heuse „autostrada”, zoals de gemeente schrijft in het Stedelijk jaarverslag van 1970. In verhullend taalgebruik laat ze ook weten dat het jaar „fel, veelkleurig en veelzijdig” was, dat „de kabouters zich roerden” en de „metro het begin van zijn eerste bedding kreeg”. Ook is „de roep om leefbaarheid sterker gaan klinken”.

Demonstratie tegen de woningnood ter hoogte van de Dam, 9 mei 1970.

Foto Nationaal Archief

Het staat er allemaal onschuldig, maar het college gaat voorbij aan de rellen, veelal neergeslagen door hardhandig politie-optreden, en de nieuwe, revolutionaire tijdgeest die ging waaien in steeds bitterder protest tegen de autocratisch bestuurde stad. Huisjesmelkers en speculanten bepaalden het woningaanbod, maar lieten intussen „de huizen verkrotten”, aldus Van Duijn. De Kinkerstraat en De Pijp waren een gribus van dichtgetimmerde woningen en de voorgevels van de veel bezongen Jordaan werden gestut door dennenbomen – je laveerde tussen de stammen door. Het rook er zelfs naar hars.

Lees ook: De pleinen van een zieke stad

De Rozengracht moest net zo’n razende stadssnelweg worden als de Wibautstraat en aan de zuidkant van de Jordaan zouden kantoorcomplexen verrijzen. In de geruïneerde Jodenbreestraat domineerde de betonnen kolos van het Maupoleum, door Amsterdammers „het lelijkste gebouw van Nederland” genoemd. De lijst is eindeloos. Dit alles zorgde voor sociale en maatschappelijke onrust, niet alleen bij de jeugd, ook bij bezorgde bewoners.

Duizenden spionnetjes

Enkele details uit het straatbeeld herinner ik me goed: de zinken vuilnisemmers, de met ladders beladen handkarren voor glazenwassers op de bruggen en de duizenden spionnetjes in de raamkozijnen ofwel kleine rechthoekige spiegels die iets schuin naar beneden stonden, zodat de bewoners konden zien wat zich op straat afspeelde. Buurmannen en -vrouwen werden aangesproken met „oom” of „tante” en de bloemenverkoopster met hoog opgeschikt, geblondeerd haar aan de Elandsgracht noemde me altijd „schat” als ik een boeket bij haar kocht.

Somber? Misschien toch niet echt.

Vijftig jaar lijkt een oogwenk, maar wie zich in dat jaar verdiept maakt een tijdreis: documenten en foto’s bieden een ongekend andere wereld. Van Duijn schetst het Amsterdam van toen als „een expressieve, vrolijke stad”. In de achtertuin van zijn huis in Slotervaart benadrukt hij dat de „tegenbewegingen” waaraan Amsterdam zo rijk was, de radicale jongeren, de provo’s en kabouters, maar ook de Amsterdammers zelf, met succes de verkrotting, huisjesmelkerij en afbraak van de historische binnenstad bestreden. Ze pleitten voor meer groen, kristalschone grachten en ze legden buurt-, gevel- en schooltuinen aan, lichtten tegels eruit en planten bomen en struiken. Daarop stond destijds een boete. Nu voert dezelfde gemeente actie met leuzen als „tegels eruit, groen erin”.

Van Duijn: „Volgens de heersende macht onder leiding van burgemeester Samkalden moest Amsterdam een echte autostad worden. Er waren zelfs plannen voor een brug over de hele lengte van het Vondelpark parallel aan de Overtoom. De Utrechtestraat zou een vierbaansweg moeten worden, dan kon je in één keer de binnenstad in en weer uit knallen.” Van Duijn hield de gemeenteraad voor dat je dat stedenschoon niet moest verwoesten, want „dan kwamen er geen toeristen meer, en daar was het college gevoelig voor. Als er geen verzet was geweest, dan was de Jordaan zo goed als gesloopt.”

Maar Amsterdam wilde juist het „wereldtoerisme” bevorderen. In 1970 bezochten „bijna anderhalf miljoen vreemdelingen” de stad met drie miljoen overnachtingen en „vier nieuwe hotels brachten het beddenbestand op 12.594”, meldt het jaarverslag trots onder de kop „Toeristenrecords in magnetisch Amsterdam”. Tot op heden is de stad daar uitstekend in geslaagd.

Voor Peter-Paul de Baar (68), oud-hoofdredacteur van Ons Amsterdam, was Amsterdam vooral een „sjofele stad, en veel volkser dan nu”. Als student geschiedenis kwam hij op Wittenburg te wonen, boven een bakkerij. Naast de bloemrijke kleding van de hippies, de coltruien van de nozems, de laklaarzen van de meisjes en de overwegend witte spijkerpakken van de provo’s heersten in het straatbeeld mannen met hoeden of werkmanspetten. De Baar noemt het optreden in die tijd van politicus Van Duijn, antirookmagiër Robert Jasper Grootveld met zijn theatrale performances rondom het Lieverdje op het Spui en Luud Schimmelpennink, uitvinder van het Witte Fietsenplan en de Witkar, „ludiek; de grimmige acties kwamen pas later, met de krakersrellen”.

Een ‘Witkar Station’ bij de Amstelkerk op het Amstelveld.

Foto Stadsarchief Amsterdam

Vooralsnog was Amsterdam „levendig”, aldus De Baar, „de sfeer van de revolutionaire jaren zestig was voelbaar en de geest was hippieachtig. Geleidelijk begon het te gisten. De woningnood nam toe en de jongeren accepteerden niet langer het van bovenaf opgelegde gezag.” De „wanhoopsstemming” die Van Duijn signaleert, legde hij vast in zijn Panies dagboek (1971) waarin hij stelt dat B&W zich liet leiden door „asfaltgedachtes” en dat de consumptiemaatschappij hard op weg was de natuur en dus de mensheid te vernietigen. Nu, bij teruglezing, heeft Panies dagboek niets van zijn apocalyptische kracht verloren, zoals in een passage als deze: „De natuur werd niet meer om zijn mening gevraagd alvorens hij door de mens werd opgegeten, omgehakt, platgewalst, vergiftigd, weggebulldozerd, opgesloten, uitgeroeid.” De provo’s, kabouters en de linkse, anti-autoritaire oppositie kantten zich tegen „milieuverontreinigende artikelen zoals auto’s”, schrijft Van Duijn, en ze wensten meer en goedkoper openbaar vervoer, of zelfs gratis, betere en rechtvaardige huisvesting, meer groen, meer saamhorigheid in de woonwijken en geen anonimiteit in de nieuwbouwbuurten. Voortkomend uit deze rebellie verschenen op de bakstenen muren in de stad witgekalkte leuzen als „Stop Sloop”, „Huisbazenterreur”, „Amsterdam Autovrij”, „Baas in eigen Buik” en „Wij eisen leefbaarheid”.

Gastarbeiders aan hun lot overgelaten

Rond het jaar 1970 was het aantal gastarbeiders in de stad, afkomstig uit Turkije, Griekenland, Italië en Marokko, zeer hoog. Met lede ogen zag Van Duijn dat de mensen aan hun lot werden overgelaten en leefden in isolement, culturele achterstand en slechte omstandigheden. Als gemeenteraadslid stelde hij voor dat de immigranten een taalcursus kregen.

Ook in 1970 deed de tweede feministische golf van zich spreken, de Dolle Mina’s, die nauwe banden had met de provo- en kabouterbeweging. Journaliste en schrijfster Lisette Lewin (81) was als „een onzer redacteuren”, zoals dat destijds heette, verbonden aan het Algemeen Handelsblad en was verantwoordelijk voor de Amsterdamse pagina van die krant. Ze deed onder meer verslag van de raadsbijeenkomsten en hield de hoofdstedelijke gebeurtenissen bij.

„Het was een sensationele tijd”, zegt ze, „ik ben blij dat ik er deel van uitmaakte. Ik stond aan de kant van de Nieuwmarktbewoners die zich al begonnen te verzetten tegen aanleg van de metro en voor behoud van hun wijk.” Er werd echter door de politie heel wat „afgeknuppeld”. Tijdens een van de botsingen tussen politie en provo’s werd Lewin geraakt door de wapenstok, een andere keer was ze, vanuit Café Hoppe, ooggetuige hoe de politie het Spui schoonveegde uit angst voor weer een provocerende happening, en willekeurige voorbijgangers in elkaar sloeg. Ze herinnert zich dat er werd omgeroepen: „Dames en heren, hier is het waterkanon!” In de door mannen overheerste wereld kwamen de seksuele revolutie en Dolle Mina „als een geschenk uit de hemel”.

Hoe stond de krant tegenover bewegingen als Dolle Mina, kabouter, provo? „Tamelijk rechts en behoudend”, aldus Lewin, „er werd weleens iets in mijn stukken veranderd.” Dolle Mina heeft „veel goeds opgeleverd”, zegt ze, zoals kindercrèches en gelijkberechtiging voor vrouwen, zaken die in het na-oorlogse Nederland niet vanzelfsprekend waren. „De opvattingen en verworvenheden van de jaren zestig duurden tot halverwege zeventig voort”, aldus Lewin. „Als je rekent tussen 1965 en 1975 bevindt 1970 zich daar precies tussenin.”

De Jodenbreestraat met het Maupoleum, ‘het lelijkste gebouw van Nederland’.

Foto Stadsarchief Amsterdam

„Het was een kanteljaar”, aldus schrijver en historicus Geert Mak (73). „Zowel jongeren als ouderen vroegen zich bij al die kaalslag, grootschalige stadsvernietiging en leegloop af: wat gebeurt hier in godsnaam? En ook: van wie is de stad? In 1970 verloor Amsterdam zijn havenfunctie, omdat de handel met Indië ophield. Amsterdam telde toen twaalfduizend bedrijven met minder dan tien man personeel. Die verdwenen allemaal uit de binnenstad, met pijnlijke leegstand tot gevolg.”

In Een kleine geschiedenis van Amsterdam (1995) beschrijft Mak dat hét stedenbouwkundige debacle van de vroege jaren zeventig de Bijlmermeer was, bedoeld als „stad van de toekomst” maar al snel, na oplevering van de eerste bouwblokken in 1970, „verdronken de bewoners in de massaliteit en de anonimiteit” en bleken de parkeergarages „een broeiplaats voor criminaliteit”. De zich onaantastbaar wanende beleidsmakers, stadsplanners en autoriteiten van toen hadden geen enkel idee van de woonwensen van Amsterdammers.

Prikkelend gedachtengoed

Volgens Mak zorgden de historische vergissing van de Bijlmer en de protestacties ervoor dat de gemeente sloop als voorwaarde voor stadsvernieuwing uiteindelijk losliet. „Ondanks alle onderlinge verschillen waren zowel de provo’s, de kabouters, de Nieuwmarkters en de krakers typisch stedelijke sociale bewegingen”, concludeert Mak. „Ze huldigden dezelfde opvattingen over leefbaarheid versus economische groei, zelfbestuur tegenover bureaucratie en behoud van het bestaande jegens massaconsumptie en grootschalige afbraak.”

„Als ik in de tram door Amsterdam rijd”, zegt Van Duijn, „en ik zie de zorg voor het groen, mensen die in de gracht zwemmen, aandacht voor duurzame energie en het terugdringen van autoverkeer, dan heb ik het idee dat het prikkelende gedachtengoed van destijds veel heeft betekend voor de stad.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.