Rineke Dijkstra

Foto Els Zweerink/Hollandse Hoogte

Interview

Rineke Dijkstra: ‘Foto’s tonen méér dan het echte leven doet’

Rineke Dijkstra De mens vastleggen vóór stilisten haar beeld komen verpesten. Fotograaf Rineke Dijkstra ontvangt voor haar oeuvre de staatsprijs voor de kunsten.

Fotograaf Rineke Dijkstra (61) gaat voor naar de ziekenzaal in de voormalige oogkliniek van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam, al dertig jaar haar atelier. „Noorderlicht”, wijst ze naar de lichtinval door de hoge ramen. Koel, helder, blauw. Hoog plafond, tegen de witte wanden rijen kartonnen dozen met haar archief. ‘Strand’ staat tussen ‘Moeders’ en ‘Stierenvechters’, drie fotoseries waarmee ze wereldberoemd werd. Ze won er grote prijzen mee, en eind volgende maand krijgt ze, in de Ridderzaal, de Nederlandse staatsprijs voor de kunsten, de Johannes Vermeer Prijs.

Ze knielt bij het koffie-apparaat dat op een krukje staat, en vertelt over het meisje dat vanaf de muur iets schuin over haar schouder op ons neerkijkt. Georgie heet ze, Georgie Henley, en ze is een beroemde, Britse actrice – ze speelde het kleine meisje Lucy in The Chronicles of Narnia – maar met haar doorschijnende huid en onbevangen blik zou ze élk meisje van 16 kunnen zijn. Het was een opdracht voor het Amerikaanse modetijdschrift W. „Die foto heb ik snel even gemaakt vóórdat iedereen het kwam verpesten.” Toen kwam een visagist Georgie opmaken, een stilist kleedde haar aan. „En toen was het weg, alle foto’s van daarna zijn verschrikkelijk. Gestileerd, gekunsteld.” Ze staat op en loopt naar de tafel waarop haar fotoboeken liggen, bladert, tikt op het portret van pasbevallen moeder Tia. Bleek, blauwe kringen van vermoeidheid, intense blik. „Ze dénken bij W dat ze zoiets willen.” Ze lacht hard. „Maar dat willen ze natuurlijk helemaal niet.”

Ze gaat zitten, haar sluike, donkerbruine haren half over haar gezicht, en ze wacht af. Die foto achter haar aan de muur, die twee lachende zestigers in zwempak aan de kust, zijn dat soms haar ouders? Ze draait zich om en knikt. „Dat was een van de eerste strandfoto’s die ik maakte. Een test. Ik had net een nieuwe camera.” Een groot formaat platencamera. Eén negatief per keer erin, zo groot als een halve ansichtkaart. Kijken door de zoeker, het beeld staat op z’n kop en dan: klik. „Lieve foto hè,” zegt ze. Wijzend op de uitgestoken rechtervoet van haar moeder die de linker van haar vader kruist. „De benen laten hun verbondenheid zien.” De foto, gemaakt aan het stand in Castricum, is uit 1991. „Twee jaar later was hij dood.” Hartstilstand. Haar moeder overleed twee jaar geleden. „We gingen elke dag naar haar toe.” Haar zusjes, die nog in Castricum wonen, gingen om en om, haar jongere broer af en toe, en zij zo vaak als ze kon, tussen haar exposities in Londen, New York en Berlijn door.

Met de strandfoto’s die ze begin jaren negentig maakte van kinderen en tieners, brak ze door. In internationale kritieken wordt haar sindsdien van alles toegedicht. Over hoe „empathisch” ze de „kwetsbaarheid” van pubers vastlegt, over hoe humaan of juist meedogenloos ze hun ongemak weet te vangen. „Het gekke is, puberteit is helemaal mijn onderwerp niet.” Al het andere – gezinnen, stelletjes, volwassenen – dat werkte niet. „Ze gaan allemaal zo stáán.” Kinderen poseren niet, in die tijd nog niet althans. „Er zit beweging in hun lijf. Een soort abstractie, misschien omdat hun lichamen nog niet af zijn.”

Georgie Henley, 2010.
Waternimf, meisje gefotografeerd in Brighton in 1992.
0410-034 007-A
Arden en Miran, Londen, 2020.
Odessa, Oekraïne, 1993.
0410-034 002-A
Foto’s Rineke Dijkstra

Als zij door haar zoeker naar ze kijkt – alles ondersteboven – ziet ze geen emoties, maar vormen. Ze pakt de foto van een plompig meisje in een azuurblauwe jurk bij een blauwgroene zee en een grijsblauwe lucht. „De achtergrond, zie je, is onscherp. Ze lijkt los te komen van de achtergrond, alsof je om haar heen kunt lopen.” Zo wordt het, zegt ze, sculpturaal. Een zeenimf. Een standbeeld.

Haha, lacht ze, wat zei die dichter ook alweer? Adriaan Morriën, bedoelt ze. Toen haar strandfoto’s voor het eerst gepubliceerd werden in Vrij Nederland, schreef hij erbij: „Mijn god, wat zijn die mensen, die jonge kinderen lelijk.”

Vond je dat erg?

„Ja, nee, nou ja, het voelde niet als een aanval. Ik dacht: zo kijk jij.”

Hij schreef ook: „Het lijkt of de fotograaf een rekening uit de eigen puberteit te vereffenen heeft met de kijker.” Was dat zo?

Ze lacht. „Hij was een vrouwenliefhebber, dat weet ik wel.” Resoluut: „Hij zegt niet: de foto is mooi of lelijk, maar de ménsen zijn lelijk. Het zegt meer over hem, hij kijkt met een veroordelende blik.”

Koffie, koekje, stilte. Die ándere foto achter haar, naast die van haar ouders…? Ze draait zich om. „David Hockney.” Beroemde, Engelse pop-artkunstenaar. Ze was nerveus van tevoren, zegt ze. „Je zoekt dat éne moment dat je wil vangen. Je kunt veel voorbereiden, maar veel ook niet.” Wat ze niet in de hand had: zijn kleren. „Hij had ze de hele week al aan.” Knalblauw vest, groen vest eronder, rode das, gele bril. En waar moest ze hem neerzetten? Zijn zitkamer, propvol. Zijn atelier, nog voller. Terwijl zij juist rust zoekt in haar beeld. Ze zette hem voor de kartonnen wand waar hij zijn schilderijen in wording hangt, op de stoel waar zijn modellen zitten. „Hij gaat zitten en zakt meteen in. Al die levendige energie van hem, wég.” Ze merkte, zegt ze, dat hij het ook niet fijn vond om gefotografeerd te worden.

Lees ook wat David Hockney over poseren zegt in het artikel: De fotograaf en de schilder

Je zegt: ook. Vind jij het vervelend om op de foto te gaan?

„Wat is vervelend? Het is ongemakkelijk. Het is vervelend dat je je ongemakkelijk voelt.”

Ben je bang dat iemand iets van je vastlegt dat je niet wil laten zien?

„Een foto is stilstaand beeld. Je ziet alles, veel meer dan je in het echte leven ziet. Het is een uitvergroting van iets. Als ik al gefotografeerd moet worden, dan liefst door een vrouw.”

Wat doet een vrouwelijke fotograaf anders?

„Hoe moet ik dat zeggen? Als ik zelf een portret maak, voel ik de kwetsbaarheid wel, maar ik ben er niet naar op zoek. Ik wil eerder iemands kracht vastleggen. De intentie van de fotograaf is heel belangrijk.”

En de intentie van een vrouw is…?

„Laat ik het zo zeggen: ik heb zelf nooit het gevoel dat ik een voyeur ben als ik fotografeer.” Ze springt op. „Er is een foto die ik elke dag bekijk…” Ze bladert in een boek van Diane Arbus, Amerikaanse fotograaf, wereldberoemd geworden met zwart-witte straatportretten. Bepaald geen flatteuze foto’s, zegt ze. „Soms best wel hard, en toch zit er bewondering, of nee, compassie in. Alsof ze die mensen begrijpt.” Ze stopt bij een paginavullend portret van een oudere vrouw in New York, gemaakt in 1968. Haar gezicht wat pafferig, de huid glimmend, haar blik veelzeggend, maar lastig te omschrijven. „Deze vrouw zou je op straat zo voorbijlopen, maar zoals Arbus haar fotografeert, zie je iets wat je anders nooit zou zien.” De vrouw krijgt een gezicht. Een verhaal. Ze houdt haar vinger bij het randje bontkraag dat nog net zichtbaar is. „Dat bontje vertelt je dat ze ooit een goed leven had.”

Ze was 24 toen ze de foto’s van Arbus ontdekte, zegt ze. Ze zat nog op de Rietveld Academie, in een klasje van vijf fotografen. „De geënsceneerde fotografie kwam toen op.” Niks voor haar, ook al heeft ze het „krampachtig” geprobeerd. „Ik was van de werkelijkheid.” Ze was nogal „vastgelopen”, zegt ze, tot haar docent haar naar foto-opdrachten stuurde voor het nieuwe zakenblad Quote. „Hij zei: gebruik een standaardlens, want dat is wat je ogen zien.” Dus als je iemand close wil fotograferen, moet je zelf dichterbij gaan staan. Intensiteit, concentratie en vooral heel goed kijken. Pas dan vang je, leerde ze, „iets wezenlijks”.

Videostill uit ‘Ruth Drawing Picasso’.
Vondelpark, 2005.
Kolobrzeg, Polen, 1992.
Foto’s Rineke Dijkstra

En wat vang je dan?

Woorden zitten haar in de weg, ze zoekt steun bij Diane Arbus’ foto van de vrouw met bontje. „Er is een soort… Er is geen conclusie. Arbus laat deze vrouw de ruimte om zichzelf te laten zien en wij, de kijker, mogen haar verhaal invullen. De foto is geen oordeel.”

Geen oordeel vellen, betekent sindsdien bij Rineke Dijkstra: „Heel veel weglaten.” Geen toeters en bellen op de achtergrond, geen onechte poses, zelfs liever geen gezichtsuitdrukking. De emotie ontstaat in het oog van de kijker die herkent, of denkt te herkennen, wat de gefotografeerde ‘zeggen’ wil. „Iedereen ziet wat anders.”

Wie, in 2005 en 2010 in NRC, nogal lovend schreef hoe precies en toch terloops haar werk is, hoe ze met technische perfectie menselijke imperfectie in beeld brengt, en met weinig details heel veel laat zien, is kunstcriticus Hans den Hartog Jager, haar huidige geliefde. „Dat schreef hij vóór we wat hadden,” zegt ze.

Fijn, iemand die je zo goed begrijpt?

„Hij was een van de eersten die op een andere manier keek.”

Hij was ook kritisch.

„Ja.”

Je serie van moeders kort na de bevalling, en de serie van stierenvechters direct na de strijd, die vond hij…

„Anekdotisch.” Ze kan er nu om lachen.

Lees ook over andere Vermeerprijswinnaars Steve McQueen (2016) en Janine Jansen (2018)

Snel terug naar haar werk, en de contradicties erin en ertussen. Via haar galerie in New York kreeg ze de opdracht om de kleinkinderen van kunstverzamelaar Denise Saul te fotograferen. „Cadeautje van haar schoonzoon voor haar 65ste verjaardag.” Hij had bedacht dat het misschien leuk zou zijn om de foto op Times Square te maken. „Ik?”, lacht ze. „Op Times Square.” Dat nooit. Zij naar het appartement aan Fifth Avenue, kinderen „poepchic” aangekleed. Drie jongens, één meisje met een baby op schoot, bloedserieuze blikken. „Door dat hoge plafond lijken het mini-volwassenen.” Het meisje drukt de neuzen van haar lakschoentjes tegen de parketvloer. „Aandoenlijk.” De foto hangt nu bij de familie in de keuken. „Naast de Kiefer.” Anselm Kiefer, Duitse schilder. Een museumstuk.

Heel anders en toch vergelijkbaar is haar serie over Almerisa, een Bosnische vluchteling. Op de eerste foto van haar, in het asielzoekerscentrum, was het meisje vijf, nu is ze 33. Elk jaar een foto, je ziet haar persoonlijkheid ontluiken. Van bedrukt naar stoer, gelaten naar uitdagend, van migrant naar westers. „Die stoel waarop ze zit, zie je, die gaat in de loop der tijd óók een rol spelen.” Armoedig, oncomfortabel, gestoffeerd, huiselijk.

En nu? Bij de Johannes Vermeer Prijs hoort een bedrag van 100.000 euro. Heeft ze al een idee? Ze scrollt nu door haar telefoon op zoek naar een foto van het zoontje van Almerisa, twee jaar oud. Hij ligt opgekruld op de bank en speelt een spelletje op de telefoon. Ze denkt erover het jongetje te filmen. Ze maakte eerder korte video’s; een schoolklas die naar een schilderij van Picasso kijkt, groepjes mensen bij Rembrandts Nachtwacht. Nee, schrikt ze, wat zij voor ogen heeft, heeft niets te maken met kritiek op jonge kinderen en schermpjes. „Mij gaat het puur om zijn concentratie. Het schermlicht op zijn gezicht dat steeds verandert, de tijd die verglijdt.” Ze laat haar telefoon nog een keer zien: „Kijk hoe hij ligt, die beentjes. Net een beeldhouwwerk.”