Wie was de man die NRC honderden brieven schreef?

De laatste bladzijde Honderden brieven stuurde Otto Jongmans (1943-2020) naar de krant. „Als ik NRC lees en denk ‘hé, hé, hé’, dan schrijf ik een briefje.”

Bijna ongemerkt verloor NRC deze zomer een van haar meest prominente en ijverige onbezoldigde auteurs. Brievenschrijver, amateur-historicus en zelfverklaard directeur van het museum van nutteloze weetjes O.L.E. Jongmans overleed op 16 juli 2020 op 77-jarige leeftijd.

Brievenschrijvers als Jongmans maken ze niet meer. Als er een top-10 van inzenders zou worden bijgehouden, zou hij vrijwel zeker op het erepodium eindigen. Zijn ingezonden stukken haalden de afgelopen twee decennia 171 keer de brievenrubriek van NRC Handelsblad. Als de bijdragen, soms directe kopieën, in nrc.next worden meegeteld, overstijgt het aantal brieven ruim de tweehonderd.

„Dingen moeten kloppen, logisch zijn, waar zijn”, zei Jongmans in 2010. „Als ik NRC lees en denk ‘hé, hé, hé’, dan schrijf ik een briefje.”

Tot enkele maanden voor zijn overlijden had Jongmans er „een genoeglijke dagtaak” aan, vertelt zijn 57-jarige nicht Gabrielle Dries. Tijd had hij al jaren genoeg. Op 52-jarige leeftijd ging Jongmans met pensioen. Zijn vrouw ontviel hem veertien jaar geleden. „Hij las de krant van voor tot achter, en de ingezonden brieven aandachtig, en ging dan wat opzoeken voor hij een reactie gaf.”

Feitenkennis putte hij uit een grote bibliotheek op zolder waar Jongmans zich graag terugtrok, vertelt Dries’ zwager Bart Hoogeveen. In zijn grote rode leesstoel, vlak onder het zolderraam werd hij omringd door duizenden boeken, en naast hem op een notenhouten tafeltje een glas wijn. „Het ging van het Nederlands wetboek tot aan filosofie tot aan antropologie, Koningshuis, Eerste Wereldoorlog, Tweede Wereldoorlog, noem het maar op. Overal zaten papiertjes in.”

Eerste brief

Die geleerdheid moest en zou Jongmans met de rest van Nederland delen. Zijn eerste brief, gepubliceerd in maart 1999, was een naar hedendaagse maatstaven lijvig stuk over het uitblijven van de invoering van de anticonceptiepil in Japan, terwijl tegelijkertijd de Viagra-pil breed verkrijgbaar was. Geen onderwerp was Jongmans in die twintig jaar daarna vreemd, maar hij had als gemeenteraadslid en later wethouder (VVD) van de gemeente Wateringen, bibliotheekbestuurder en juridisch medewerker bij Rijkswaterstaat een duidelijke voorkeur voor politiek, openbaar bestuur, geschiedenis en – zoals iedere brievenschrijver – taal.

Geplaatste brieven presenteerde hij trots aan zijn nicht Gabrielle Dries. „Hij knipte ze allemaal uit. Hij bewaarde werkelijk alles. Dozen vol krantenknipsels had hij.” Brieven in Trouw, de Volkskrant, regionale bladen, VPRO Gids en een of twee uit Onze Taal trof zijn vriend Maxim van Ooijen aan in het archief van Jongmans. Ook fabrikanten moesten het ontgelden, zegt hij. „Als hij een nieuw apparaat kocht, vroeg ik altijd of ik vast een ordner langs moest komen brengen. Hij had bijvoorbeeld een groot beeldscherm gekocht voor zijn computer, maar daar bleek dan precies één pixeltje ergens rechtsonder het niet te doen. Dan kon zo’n fabrikant zich wel gaan verschuilen. Dat bleef doorgaan.”

Jongmans schatte dat een op de drie inzendingen daadwerkelijk de krant haalde. Ongepubliceerd werk ging niet verloren, vertelt Van Ooijen. Alle inzendingen en andere gedachten bereikten via eigen nieuwsbrieven een kleinere kring. Een abonnement op de nieuwsbrieven ‘De Jongmans Weekly’ of ‘De Huisvriend’ was „onvrijwillig en niet opzegbaar”, stond op Jongmans’ rouwkaart.

Zelfspot was hem niet vreemd. „Het is kinderachtig, ja. Maar toch”, zei hij over zijn vijftien minuten roem na een geplaatste brief. Toen de Volkskrant hem in 2005 vroeg waarom hij zijn meningen niet voor zichzelf hield, antwoordde Jongmans: „Ik ben heel eigenwijs. En heel ijdel. En het houdt me van de straat. Vandaar.”

In het werkelijke leven stond Jongmans ook graag in het midden van de aandacht, zegt Dries. „Hij praatte ontzettend veel. Je kwam er maar moeilijk tussen. Maar het was ook een heel boeiende verteller. Je kon gewoon gezellig naar hem luisteren.” Hoogeveen heeft er altijd enorm om moeten lachen. „Als hij op verjaardagen eenmaal een ingang had gevonden, dan kon de rest wel inpakken.”

Tegelijkertijd had Jongmans een kort lontje. Hij nam zelden een blad voor de mond, vertelt Bart Hoogeveen. „Met mensen die niet goed nadachten, had hij helemaal niks. En dat zei hij dan ook. Dat is niet altijd tactisch.” Ontstane conflicten legde Jongmans dikwijls per brief bij. „Maar als je ziet hoe de buurt en zijn nichten hem op handen droegen, denk ik: het zit wel goed met Otto.”

Verloofde van dienst

Jongmans was al jaren alleen. Met zijn vrouw Karin had hij vanaf zijn jeugd een ingewikkelde lat-relatie. Hij trouwde zijn „verloofde van dienst”, zoals hij haar steevast noemde, op haar sterfbed – ze had longkanker. Maxim van Ooijen: „In het Delftse ziekenhuis zei ze tegen hem: als je nog wat wilt doen, dan moet je dat snel doen want dit gaat niet heel goed.” Ondanks de trieste situatie werd er op de bruiloft veel gelachen. Vooral toen Jongmans opmerkte dat dit het eerste huwelijk was waarbij de bruid al vóór het trouwen in bed lag. De bruiloft in het ziekenhuis leidde tot een van de zeldzame positieve brieven van zijn hand, herinnert Van Ooijen zich. „Na dat huwelijk heeft hij een complimentenbrief naar het college van B en W van de gemeente Westland gestuurd, voor de ambtenaar die het allemaal zo perfect had geregeld. Neem dit mee in zijn beoordeling, schreef hij.”

Een makkelijke jeugd had Jongmans niet. Hij werd midden in de Tweede Wereldoorlog geboren. Vader Jongmans was notaris en een strenge man. Moeder was een deftige vrouw. Zelf worstelde Jongmans met depressies, die hij met professionele hulp de baas werd. ’s Avonds zocht hij verdoving in een borrel, zegt Gabrielle Dries. „Om zijn hoofd rustig te krijgen en te kunnen slapen.”

Zijn laatste in NRC gepubliceerde brief dateert van 24 maart jongstleden. Een klassieke Jongmans-brief: bondig, met gevoel voor actualiteit, en een originele invalshoek. Midden in de lockdown roept Jongmans op om een dagboek bij te houden „en dan niet over alle officiële gebeurtenissen, maar over het persoonlijk leven van alledag. Dagboeken blijken later dikwijls, zoals die uit de Tweede Wereldoorlog, extra licht te werpen op de officiële geschiedenis.”

Lees ook Jongmans’ laatste briefje in NRC: Hou dagboeken bij

Zelf was hij al begonnen, vertelt Dries. „Dat begon als een dagboek, over wat hij dagelijks tegenkwam aan maatregelen en reacties van mensen en dat soort dingen. Al snel werd het heel persoonlijk. Maar uiteindelijk kon hij het niet meer bijhouden, omdat hij te zwak werd.”

In mei werd alvleesklierkanker bij Jongmans vastgesteld, door het coronavirus wellicht laat gediagnosticeerd. Behandelen had nog gekund, maar daar wilde Jongmans niet meer aan beginnen. Nog geen twee maanden later stierf hij. Enkele dagen na het afdrukken van zijn overlijdensbericht in NRC werd Jongmans in de brievenrubriek gememoreerd door lezer D.C. Steures. „Je brieven paarden welbespraakte redelijkheid aan verrukkelijke eigenzinnigheid. Dank. Rust zacht, Otto.”

Correctie (26 september 2020): in een eerdere versie van dit artikel werd Bart Hoogeveen de zwager van Otto Jongmans genoemd. Dat klopt niet: Hoogeveen is de zwager van zijn nicht, Gabrielle Dries. Dat is hierboven aangepast.