Iedereen op zijn knieën om dieren te tellen in de tuin

Natuur Vogels, spinnen, egels… Voor tal van typen tuinleven bestaan tellingsdagen. Dit weekend zijn de bodemdierendagen. Welke inzichten geven zulke initiatieven?

Illustratie Aart-Jan Venema

Er kruipt een ruwe pissebed door de moestuin van Gerard Korthals in Vinkeveen. Even draalt het diertje bij de rode biet, dan schiet hij weg onder een afgevallen appel. „Daar is het lekker koel en vochtig”, zegt Korthals, bodemecoloog bij het Nederlandse Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). Hij is een van de initiatiefnemers van de Bodemdierendagen, die dit jaar voor de zesde keer worden georganiseerd.

Doel is om Nederlanders te enthousiasmeren om van 25 september tot en met 7 oktober in hun tuin op zoek gaan naar naaktslakken, regenwormen, pissebedden en ander leven in en op de grond. De resultaten kunnen ze vervolgens doorgeven via Bodemdierendagen.nl.

Korthals: „We hebben een geïllustreerde zoekkaart gemaakt, waarmee deelnemers makkelijk de meest voorkomende soorten op naam kunnen brengen. Je hoeft dus absoluut geen bioloog te zijn om mee te doen.”

De telling is niet de enige in z’n soort. Wie wil, kan elk weekend dieren tellen voor de wetenschap, in en rond de eigen tuin. Huismussen en merels eind januari, tijdens de Nationale Tuinvogeltelling. Gehoornde metselbijen en roodgatjes bij de Nationale Bijentelling in april. Vlinders in juli. Egels, spinnen en bodemdieren hebben elk hun eigen telmoment in het najaar. Staat een weekend níét in het teken van bovenstaande soorten? Geen nood: wie meedoet aan de Jaarrond Tuintelling mag 52 keer per jaar resultaten doorgegeven – over libellen, amfibieën, vogels of andere zelf te kiezen soorten.

Zo’n telling is natuurlijk een mooie aanleiding voor een safari in eigen tuin: wat leeft er allemaal tussen de bladeren, onder de tegels, in de composthoop? Buiten krioelt het van het leven, maar je moet er soms wel oog voor hebben. Korthals: „Onbekend maakt vaak onbemind. Door het ondergrondse leven zichtbaar te maken krijg je oog voor de enorme soortenrijkdom in je tuin.”

Interessant voor de tuinbezitter kortom, maar hebben al die teldata ook meerwaarde voor de wetenschap? Zijn er duidelijke ecologische trends te ontdekken, bijvoorbeeld in toe- of afname van soorten?

„Als je met wetenschappelijke blik kijkt dan is het nut van één jaarlijks telweekend gering”, zegt de Nijmeegse hoogleraar dierecologie Ruud Foppen, die vanuit zijn werk voor Sovon Vogelonderzoek betrokken is bij de data-analyse van de Nationale Tuinvogeltelling. Afgelopen januari werd die voor de zeventiende keer georganiseerd. In één weekend (vrijdag t/m zondag) telden 90.264 mensen samen in totaal 1.581.156 tuinvogels. Daarmee heeft de Tuinvogeltelling veel meer participanten dan de andere Nederlandse tellingen, maar toch is het lastig om daar gedetailleerde, wetenschappelijk relevante data uit te destilleren. Foppen: „Lastig is dat je zoveel variatie hebt. Tussen jaren, tussen tuinen, tussen deelnemers… Als je biologisch onderzoek in een laboratorium verricht, dan probeer je de omstandigheden zoveel mogelijk gelijk te houden, anders krijg je te veel ruis in je data. Maar in een tuin kun je niet alle variabelen constant houden. Het ene telweekend is het guur en komt de regen met bakken uit de hemel, het volgende jaar is het een zonnig, windstil januariweekend. Komen verschillen in resultaten dan door de weersomstandigheden, door een toename of afname van bepaalde vogelsoorten, of door de telervaring van deelnemers? Je weet het niet.”

Bodemdierenzoekplaat

Illustratie Aart-Jan Venema

De Bodemdierendagen zijn van 25 september tot en met 7 oktober. Iedereen kan tellen – in de tuin, op het balkon of in het park. En op papier, want de drie soorten hieronder zijn ook in de prent hierboven vele keren te vinden. Wil je weten waar? Kijk op nrc.nl/zoekplaat voor het antwoord.

Van links naar rechts: rode wegslak, grote aardkruiper, ruwe pissebed.

Iedereen kan meedoen aan een tuintelling – wie geen tuin heeft, mag meedoen op het balkon, op het schoolplein of zelfs in het park. Leuk, laagdrempelig, maar ook lastig bij het interpreteren van de data. Foppen: „Je hebt een enorme groep tellers, maar sommigen van hen zullen wellicht nog geen mus van een groenling kunnen onderscheiden. Daardoor moet je heel voorzichtig zijn met het interpreteren van die data.”

Groene of bestrate tuin

Tegelijkertijd bieden tuintellingen ook nieuwe kansen voor wetenschappelijk onderzoek, zegt Gerard Korthals. „Het mooie is dat we door de Bodemdierendagen inzicht krijgen in biotopen waar je normaal nauwelijks komt. Je loopt niet zomaar iemands tuin in met de vraag: mag ik even een schep in uw bodem steken?” Bij de Bodemdierendagen worden verschillende soorten tuinen onder de loep genomen, waaronder een bestrate tuin, een halfgroene tuin en een moestuin. „Mensen geven aan welk tuintype ze hebben. Niet van elk type krijgen we natuurlijk evenveel meldingen binnen. Wie een onderhoudsarme tegeltuin heeft zonder een sprietje groen, zal vermoedelijk ook minder snel aan een telling meedoen.”

Als er nu heel veel NRC-lezers gaan meedoen, dan zal dat gevolgen hebben

Casper Albers statisticus

Dat laatste maakt niet uit, als alle gegevens maar goed gedocumenteerd worden, zegt Casper Albers, hoogleraar toegepaste statistiek en datavisualisatie aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Als er nu na dit artikel heel veel NRC-lezers gaan meedoen aan de Bodemdierendagen, dan zal dat ook gevolgen hebben voor de resultaten. Stel: het merendeel van de lezers bezit een grote groene tuin aan de rand van een stad. Dan vind je daar wellicht meer soorten dan op een dakterras in de binnenstad. Daar kun je voor corrigeren door een paar gerichte vragen te stellen.”

Albers noemt de tuintellingen een „toegankelijke, efficiënte manier” om veel data te verzamelen, maar ziet ook valkuilen. „Natuurlijk heb je bij onervaren deelnemers meer kans op classificatiefouten – ze zien een spreeuw aan voor een merel, of andersom. Maar je moet bij het analyseren van de data ook oppassen dat je niet ten onrechte allemaal patronen gaat zien. Als het aantal tellingen groot genoeg is, dan zal er altijd wel een patroon te vinden zijn – misschien zit er in elke tuin van 10 vierkante meter bijvoorbeeld wel een halsbandparkiet. Dat is geen causaal verband, je kunt er geen harde conclusies uit trekken. Dus bedenk als onderzoeker vooraf waar je naar op zoek bent, en laat die vraag leidend zijn.”

Watermonsters

Plannen om de gegevens wetenschappelijk nog relevanter te maken zijn er zeker. Froukje Rienks, mede-organisator van de Bodemdierendagen: „We willen in de toekomst meerdere ijklocaties aanwijzen waar bodemecologen waarnemingen doen. Door de Bodemdierendagendata met die officiële waarnemingen te vergelijken, kunnen we zien of er grote afwijkingen zijn. Dat gebeurt nu al bij het citizen-scienceproject Watermonsters, over waterkwaliteit, waarbij we vanuit NIOO-KNAW ook betrokken zijn.” Foppen: „In sommige tuinen plaatsen mensen automatische meetapparatuur – bijvoorbeeld batdetectors of nestkastcamera’s. Die bieden ook aanvullende informatie.”

In het ideale geval zou deelname aan een tuintelling volgens Albers niet jaarlijks maar wekelijks moeten plaatsvinden. „Daarmee ondervang je grotendeels het probleem van wisselende weersomstandigheden.” Wat dat betreft biedt de Jaarrond Tuintelling uitkomst. Sinds 2015 worden, in navolging van de Britse Garden BirdWatch, wekelijkse gegevens verzameld via de website Tuintelling.nl. De website is een initiatief van zeven Nederlandse natuurorganisaties (EIS Kenniscentrum Insecten, Floron, Ravon, Sovon, de Vlinderstichting, Vogelbescherming Nederland en de Zoogdiervereniging) en kent een strikter protocol dan de overige tellingen. Je kunt op die website kiezen om mee te doen aan ofwel een weektelling (waarbij je meerdere keren per week telt) of een tijdstiptelling (waarbij je op een bepaald moment voor een bepaalde tijdsduur telt, liefst ook elke week). Wie wil, kijkt naar meerdere soortgroepen tegelijk, bijvoorbeeld amfibieën én vogels én vlinders. Foppen: „Bij die jaarrondtellingen heb je het voordeel dat je de variatie vangt, en dat je een toegewijde groep tellers opbouwt. Inmiddels zijn er al meer dan 23.000 tellers aangesloten.” Het recordaantal soorten in één tuin staat bij de Jaarrond Tuintelling op 1.615, gemeten in het Gelderse Terborg, in een tuin met onder meer rietkragen, houtwallen en een kleine boomgaard.

Robuuste conclusies

Voordat je robuuste conclusies over toe- en afname van soorten kunt trekken op basis van telgegevens, ben je algauw een jaar of tien verder, zegt Foppen. „Eerst moet je een basisreferentie opbouwen: hoe ziet het patroon van soorten eruit gedurende een jaar, zie je bijvoorbeeld stelselmatig verschillen tussen voor- en najaar? Op den duur ga je dan de trends eruithalen, en kun je ook kijken naar de relatie met omgevingsfactoren. Dan kun je bij wijze van spreken de tuinvogeldichtheid uitzetten tegen de insectendichtheid, of tegen de kattendichtheid.”

Rienks: „Wij zijn bij de Bodemdierendagen ook geïnteresseerd in de biodiversiteit in de bodem, en in de relaties tussen soorten. Dan gaat het er dus niet per se om welke aantallen je vindt, maar wil je ook weten welke soorten samen voorkomen.”

Soms kunnen teldata zelfs inzicht bieden in ziekte-uitbraken, zegt Foppen. „Sterk afwijkende resultaten vormen dan een early warning. Dat zagen we bij het usutuvirus dat eind 2016 voor het eerst opdook onder merels. Opeens was de trefkans voor merels uitermate laag, merkten we bij de Tuinvogeltelling. Bij zo’n abrupte, abnormale situatie gaan dan algauw alarmbellen af: hier is iets aan de hand.”

Maar het nut van tuintellingen ligt breder dan het verzamelen van zoveel mogelijk gegevens, vindt bioloog Jinze Noordijk. Als bodemfaunaspecialist bij EIS is hij jaarlijks medeorganisator van de Nationale Spinnentelling, waarvan vorig weekend de achtste editie plaatsvond. Dit jaar deden er 169 tuinen mee, in 2019 ging het om 102 tuinen. Er werden toen zestig verschillende spinnensoorten gevonden. „Natuurlijk zijn dat niet bijster veel deelnemers. Maar grote patronen zijn er door de jaren heen wel uit te halen: nieuwe soorten die hun intrede doen, bijvoorbeeld.” Dit jaar werden in de spinnentelling onder andere de marmertrilspin en de valse wolfspin waargenomen: twee exoten die nog niet vaak in Nederland waren gezien.

Met z’n tienen

Bijkomend voordeel van de telling is de extra mankracht. Noordijk: „In Nederland zijn er zó weinig mensen die vanuit hun professionele achtergrond naar spinnen kijken – ik denk dat we hooguit met z’n tienen zijn… Daarom kunnen we als onderzoekers best wat hulp gebruiken bij het inventariseren. En je hoopt natuurlijk altijd dat er een jeugdige deelnemer tussen zit die juist hierdoor besluit arachnoloog te worden.” Ook hoopt Noordijk dat mensen door mee te doen met tellen minder bang worden voor spinnen. „Van dichtbij zie je hoe mooi sommige exemplaren zijn, en hoe ingenieus die webben in elkaar zitten.”

Van de resultaten van de Nationale Spinnentelling wordt elk jaar een top-10 gemaakt, net als bijvoorbeeld bij de Nationale Tuinvogeltelling. Noordijk: „De kruisspin staat altijd op nummer 1, maar dat komt ook doordat die soort nu eenmaal duidelijk zichtbaar is.” Albers: „Met zo’n top-10 moet je inderdaad terughoudend zijn. Zelfs als de kruisspin opeens op nummer 3 zou belanden, hoeft dat niet te betekenen dat het slechter met de soort gaat. Het wijst er dan alleen op dat er andere soorten zijn die nog vaker zijn waargenomen.” Om te weten hoeveel vaker grote spinnen worden geteld dan kleine, zou je van tevoren een experiment kunnen doen. „Dan ga je tellen in een gecontroleerde omgeving waarvan je weet hoeveel grote, middelgrote en kleine spinnen er precies lopen, en kijk je hoe groot de trefkans voor elk van die drie groepen is.” Niet alleen de grootte van de spin maar ook die van de waarnemer speelt mee, zegt Noordijk. „Een kleuter zit dichter bij de grond dan een volwassene en zal daardoor wellicht andere soorten zien.”

In Vinkeveen is Gerard Korthals ondertussen enthousiast zijn composthoop ingedoken. Tussen duim en wijsvinger houdt hij een duizendpoot omhoog. „Een grote aardkruiper! Kijk wat een mooie goudgele kleur hij heeft. Soms is bodemdieren inventariseren net schatzoeken…”