Opinie

Durf nou eens te kiezen bij die cultuurbudgetten!

Opinie 010 Rotterdam krijgt maar een heel klein deel van de landelijke cultuursubsidie. Maar dat heeft de stad ook aan zichzelf te danken. De gemeente durft niet echt te kiezen en te investeren in bijvoorbeeld diversiteit, blijkt nu ook weer uit het gemeentelijke cultuurplan 2021-2024, zegt Hajo Doorn.

Illustratie Rick Schagen

Elke vier jaar wordt hij weer gehouden: de culturele stoelendans om het geld. En iedere keer komt er weer een nieuw konijn uit de hoed. Eerst was er een omstreden ‘zaaglijn’, de vorige ronde zou het wereldmuseum sneuvelen (het werd ‘uitverkocht’ aan Leiden voor 5 miljoen per jaar uit het beruchte knelpuntenpotje) en nu is Museum Rotterdam de klos om de miljoenen vrij te maken die nodig zijn om de beloofde vernieuwing te kunnen realiseren.

Die vernieuwing is een zogeheten Rotterdamse Basis-infrastructuur die er moest komen om de grote instituties te verlossen van (schijn)onzekerheid. Overigens kregen vrijwel al die instituties een mager rapportcijfer en heeft de systeemverandering nog niet echt geholpen om de sector beter op de stad te laten aansluiten, wat de bedoeling was.

De helft van het beschikbare budget is nu 'vastgezet' en zo is er geen mogelijkheid om bijvoorbeeld Boijmans-geld-in-sluitingstijd tijdelijk (voor 6 jaar) over te hevelen naar andere makers en instellingen om gerichte impulsen te geven. De miljoenen van Museum Rotterdam lijken nu vooral gebruikt om het rammelen aan de poort door de nieuwe generatie een beetje te doen verstommen: allemaal een tonnetje en nu vier jaar lekker aan de gang.

Rotterdam besteedt behoorlijk veel geld aan kunst en cultuur, maar landelijk scoort het niet zo best. Voor de redding van Scapino ging ongeveer 12 miljoen – van de kleine 200 miljoen – naar deze stad. Amsterdam scoort vier keer zo hoog. Gelukkig is het met de recente toekenningen van het Mondriaanfonds en Fonds Podiumkunsten, zeker na de recente reparaties, iets beter geworden, maar nog steeds blijven de bedragen flink achter. Van de vergelijkbare instituten scoren wij steevast het slechts (Theater Rotterdam, RPhO bungelen onderaan in de financiële rijtjes en Scapino werd bijna het kind van de rekening van de ‘geografische spreiding’).

Dit heeft natuurlijk meerdere oorzaken. Grote landelijke cultuurinstituten zitten nu eenmaal traditioneel meer in Amsterdam, rücksichtlose provincialen kiezen eerder voor de hoofdstad als vestigingsplaats en men is ook handiger in kletsen en lobbyen zelfs/juist met een zachte g. Toch moeten wij vooral ook de hand in eigen boezem steken. Het Rotterdamse beleid is al decennia een vorm van pappen en nathouden. Door mee te buigen met alle winden bouw je niks structureels op. De recente nadruk op diversiteit is weliswaar terecht, maar de lokale uitvoering is dogmatisch van aard. Het leidt in praktijk tot kneuterigheid en mist daardoor creatieve explosiviteit naar (inter)nationale maatstaven. We kunnen als Rotterdammers vinden dat we goed bezig zijn, maar de harde cijfers vertellen een ander verhaal. Ook is er onvoldoende focus op groei en prioriteiten, bijvoorbeeld ten aanzien van diversiteit.

Als er gekeken wordt naar kansen dan is diversiteit bijvoorbeeld een van de weinige unique selling points voor Rotterdam. Maar de toelating van HipHopHuis in de landelijke BIS werd lokaal ontvangen met een houding van: nu moeten ze het ook maar eens laten zien. Een typische straatreflex, en daar gaan we het niet mee redden. Wij als stad zullen een gezamenlijke inspanning moeten doen om een divers aanbod stevig te positioneren, artistiek inhoudelijk te coachen, goed te organiseren en een ambitieuze lobby te voeren naar politiek en ambtelijk Den Haag. Het begint met een goed aanbod en goede producenten, dan volgt een infrastructuur. (De lappendeken van Rotterdam Festivals kan in dat kader post-Corona eens goed tegen het licht gehouden worden).

Een politiek correcte houding is hierbij contraproductief, die vervreemdt de kunstenaars en bezoekers die zich buitengesloten voelen. Ik ken er velen. Er is nood aan een positieve drive, niet ingegeven door de angst om het niet goed te doen, zoals tegenwoordig gebruikelijk in de cultuursector. Niet omdat het moet, maar omdat het de enige kans is voor ons als stad om landelijk een verschil te maken. Geen 350.000 voor HipHopHuis, maar 3,5 miljoen. Serieus geld voor een serieuze tak van sport. Dat begint met jezelf in ieder geval ernstig te nemen voordat je naar Den Haag afreist.

Er is dus daarom een wederkerige inclusiviteit nodig, een gezamenlijk gevoel dat niet ‘uitsluitend’ werkt voor of de nieuwe lichting of de oude garde, maar die de twee in gezamenlijkheid verbindt met een gemeenschappelijk doel. In veel opzichten kan de nieuwe generatie iets leren van de oudjes. Wellicht kunnen de oudjes dan wat makkelijker een stapje opzij doen om met alle egards ruimte te geven aan de veranderde tijd met de hedendaagse normen en smaak. En dat is dus niet een dj met een orkest of wat hiphopkleding in de Kunsthal, want daar krijgt de nieuwe generatie stevige znoen van en het heeft geen enkele clout.

, oprichter en voormalig directeur WORM, theatermaker en bestuurslid bij diverse Rotterdamse instellingen waaronder het HipHopHuis