De tegenstelling tussen jong en oud door corona is nog maar een voorproefje

Vergrijzing Vergrijsd Nederland viert feest. De geluksgeneratie van vijftig jaar geleden is met pensioen. Nu groeien de spanningen. Wordt het oud versus jong?

Illustratie Roland Blokhuizen

De toekomst voorspellen? Soms is dat het simpelste wat er is. De vergrijzing is een van dé dominante thema’s de komende tientallen jaren. Nederland is er nog maar net aan begonnen. Wie in 1970, toen NRC en Algemeen Handelsblad fuseerden, in zijn eerste baan aan de slag ging, heeft de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. In het nieuwe decennium volgen nog honderdduizenden.

Begin over de vergrijzing en het gaat, zeker in politiek Den Haag, over de kosten. Dat de gezondheidszorg steeds duurder wordt. Dat de AOW-uitkeringen alleen maar toenemen. Over die kosten praten is een recent fenomeen. Rudi Westendorp (hoogleraar ouderengeneeskunde in Kopenhagen) draaide die discussie in een interview in de Volkskrant in 2014 om. „In de jaren veertig en vijftig stond Nederland voor de taak de babyboomers, 2,4 miljoen kinderen, te onderwijzen en voor te bereiden op hun plek in de samenleving. Totdat jongeren gaan werken, kosten ze de samenleving enorm veel geld. (…) Daar klaagden we toen met ons veel kleinere nationale inkomen niet over.”

Zo is het. De vergrijzing is meer dan een kostenpost. De vergrijzing weerspiegelt de gestegen welvaart, de verbeterde gezondheidszorg, de doorbraken in medisch onderzoek en de bedragen die de samenleving daaraan spendeert, jongeren én ouderen.

Lees ook: Verloren generatie? Na een aantal wanhopige jaren viel het allemaal wel mee

Maar met bovenstaande constatering zijn de spanning en de onmin tussen generaties niet opgelost. Heeft de jeugd nog wel de toekomst? Of is de coronacrisis hun zoveelste pech? Studieschuld. Flexwerk. Woningschaarste in de Randstad. „Jongeren zijn altijd de klos”, poneerde voorzitter Bas van Weegberg van vakbond FNV Young & United in NRC.

Zwitserlevengevoel

Wie in de jaren zeventig en tachtig de fusiekrant NRC Handelsblad ging lezen, behoort – of u het wilt of niet – tot een geluksgeneratie. U bent het Zwitserlevengevoel dat uit de tv-reclame is gestapt en de afgelopen maanden in coronatijd op een elektrische fiets rondreed. Geniet ervan, zegt men dan tegenwoordig.

Natuurlijk, generaties zijn een grove aanduiding. Geluksgeneratie betekent niet dat iederéén in die leeftijdscategorie een bofkont is. Of dat iedereen zich gelukkig voelt. Of altijd aan een zonnig strand verkeert. Maar geluksgeneratie zegt wel dat de materiële omstandigheden uitzonderlijk goed zijn geweest, ondanks de economische crisis in de jaren tachtig, de kredietcrisis (2008) én de coronacrisis.

Kijk maar eens achterom.

Uw grootvaders moesten in dienst bij de mobilisatie van 1914-1918. Daarna kwamen de schrale jaren dertig, met een werkloosheid die opliep tot 25 procent. Uw grootmoeders zaten thuis, met een groot gezin, maar zonder wasmachines of andere apparaten die huishoudelijke taken overname.

Uw vaders doorstonden de Tweede Wereldoorlog en deden daarna dienst in ‘Indië’, terwijl uw moeders weinig opleiding kregen. Want ze gingen toch trouwen. Als ze werkten en vervolgens trouwden, verloren ze veelal hun baan.

Op de motor

De geluksgeneratie beleefde vrede en kreeg langer onderwijs, produceerde én genoot van de groeiende welvaart, van langere vakanties en van elektronica die uw grootouders voor onmogelijk hadden gehouden. Van kleuren-tv tot iPhone.

Meer ouderen dan ooit hebben een auto, ja zelfs een motor. In de leeftijdsgroep 65- tot en met 75-jarigen telde het CBS in 2018 607 auto’s per duizend inwoners. In 2016 waren dat er nog 496. Boven de 75 jaar: 306 auto’s per duizend. Motoren? 21 van de duizend 65-plussers hebben er eentje.

Wie een huis kocht, zag de waarde verveelvoudigen. In de huizenrubriek van Het Financieele Dagblad stond onlangs een (prachtig opgeknapt) huis in de stad Utrecht. Gekocht in 1970 voor, omgerekend, 36.000 euro. Vraagprijs nu: 1.850.000 euro. Uitzonderlijk, maar in zijn extreme prijsstijging het topje van een ijsberg van koophuizen die alleen maar in waarde zijn gestegen. De keerzijde: het vermogen in dat huis is de hypotheekschuld van de jongere generaties.

De levensverwachting van een man die nu 65 wordt, is nog twintig jaar, van een vrouw is dat bijna 23 jaar. Toch is die verwachting niet alleen maar een zegen of uitdaging. De helft van de verwachting bestaat grosso modo uit gezonde jaren, maar lichamelijke en geestelijke aftakeling is onvermijdelijk. Zoals voormalig verpleeghuisarts en schrijver Bert Keizer onlangs in NRC opmerkte: „Het sterftepercentage van de mens is nog steeds 100 procent.”

Zekerheid

De twee trends van langer levende én van meer kwetsbare ouderen hebben allerlei consequenties. Voor wonen. Voor gezondheidszorg. Voor de verhoudingen tussen generaties en de relatie tussen (groot)ouders en kleinkinderen. Maar ook voor het beleid van de rijksoverheid en van gemeenten.

Soms lijkt het er bijna op alsof die ontwikkelingen de samenleving overkomen, alsof bestuurders verrast zijn door de vergrijzingstrend die je al tientallen jaren kon zien aankomen. Maar misschien zijn de gevolgen ook wel te complex voor een beleidsreactie van de overheid. Vergrijzing staat sinds 1945 als zekerheid in de agenda, maar op deze schaal is er geen ervaring mee. En soms lijkt de overheid ook niet te willen leren van dingen die niet werken.

Meer grootouders zullen op hun kleinkinderen willen of moeten passen om hun kinderen in staat te stellen buitenshuis te werken

Zelfredzaamheid van elke burger is een liberaal concept. Maar niet elke Nederlander is een internetadept. Niet elke Nederlander communiceert soepel met een digitaal loket in plaats van met een mens aan een balie. Niet elke Nederlander snapt de overheidstaal van de formulieren die hij nodig heeft om een voorziening te regelen om thuis te blijven wonen.

Zingeving

Anders gezegd: uw vergrijzing is ook een maatschappelijk experiment zonder weerga voor u én voor uw (klein)kinderen. Wat kun je zien aankomen? Meer vitale ouderen betekent bijvoorbeeld een impuls voor vrijwilligerswerk, corona volente. Dat is een van de manieren om zingeving een nieuwe inhoud te geven als werk er niet meer is.

Meer grootouders zullen op hun kleinkinderen willen of moeten passen om hun kinderen in staat te stellen buitenshuis te werken en geld te verdienen om die gestegen huizenprijzen te betalen. Worden de rollen vervolgens omgedraaid als de kwetsbaarheid groeit? Spelen dochters dan toch weer de rol van verzorgende, zoals hun moeder dat voor haar moeder deed?

Misschien vertrekken er wel meer ouderen uit de Randstad om zich in dunner bevolkte delen van het land te vestigen. Moet de overheid dan de voorzieningen terugbrengen die in krimpregio’s juist gesloten worden? Verhuizen ouderen naar Blauwestad in Groningen? Of emigreren ze naar zonniger oorden, in Italië of Griekenland – zoals oudere, rijkere Amerikaanse oostkustbewoners naar Florida vertrokken?

De behoefte aan zingeving zal zich politiek blijven manifesteren. De verkiezingsoverwinning in 1994 van de ouderenpartijen (zeven Tweede Kamerzetels) eindigde in splitsingen. De huidige twisten rond 50Plus (drie Kamerzetels) lijken daar een beetje op. Maar feit blijft: ouderen zijn een groeiend kiezerspotentieel. Juist het gevoel van machteloosheid en van ‘afgedankt’ zijn, te horen krijgen dat je ‘dor hout’ bent; dat kunnen voor ouderen sterke drijfveren zijn om zich te organiseren en zich te laten horen.

De strijd brandt los

Tegen die achtergrond is de tegenstelling tussen jong en oud in de coronacrisis nog maar een voorproefje. Meer spanning ligt voor de hand. De economische gevolgen van de pandemie zijn verstrekkend: gestegen staatsschuld, lagere economische groei (ook al door de vergrijzing) en op enig moment de noodzaak van een volgend kabinet om het huishoudboekje op orde te brengen.

Dan brandt de strijd om de schaarse middelen pas echt los. Als er minder geld te verdelen is dan verwacht, welke uitgaven moeten dan prioriteit krijgen? De prioriteiten van tieners, twintigers en dertigers: kinderopvang en onderwijs? Of grijze thema’s: gezondheidszorg en AOW? Wie wat verder sombert, ziet de contouren van een nieuwe generatiestrijd, met de protestgeneratie van de jaren zestig en zeventig als de ouderen van nu die op hun rechten staan. En hun mondig opgevoede kinderen die hun eigen toekomst vooropstellen.

Meer ouderen dan ooit hebben een auto, ja zelfs een motor

Maar bínnen de geluksgeneraties zullen de opvattingen vast en zeker ook verschillen. Sommige ouderen voelen zich misschien schuldig over de erfenis van de opwarmende aarde die ze hun kleinkinderen nalaten. Of over de verschraling van de natuur. Of de overbevolking.

De stemming over de materiële toekomst van de huidige jongere generaties is, afgaande op peilingen, nu al diep pessimistisch. Nederland staat daarin niet alleen, het beeld geldt voor de bijna hele westerse wereld.

In 2018 peilden onderzoekers van de Amerikaanse denktank Pew Research de opvattingen van burgers in 27 landen met vragen als: ‘Zijn uw kinderen straks beter af dan hun ouders?’ Nergens was het antwoord op die vraag zo pessimistisch als in Nederland.

Een recenter voorbeeld: eind vorig jaar ondervroeg onderzoeksbureau Ipsos burgers in 33 landen over de toekomst van jongeren. De jeugd nu heeft minder kans op een vaste baan dan hun ouders, zei 53 procent. En 61 procent verwacht dat jongeren geen eigen huis kunnen kopen.

En dat was nog vóór corona.

De geluksgeneratie die opgroeide in het optimisme van haar ouders deelt met hun (klein)kinderen een pessimistischer toekomstbeeld. Waar zijn de tijden gebleven dat je vijftig jaar geleden als tiener of twintiger kon meezingen met Roger Daltrey van The Who? I hope I die before I get old (talkin’ ‘bout my generation). Niet beseffende dat uitgerekend uw generatie een geluksgeneratie zou worden.