Recensie

Recensie Boeken

De naoorlogse normen waarnaar Nederlandse mannen gevormd zijn

Wessel te Gussinklo De verrassende nieuwe roman (●●●●) van Wessel te Gussinklo gaat over de jonge Ewout (23), die op een statig landgoed in de leer gaat bij een filosofische goeroe. Nog meer gaat het over de naoorlogse normen waarnaar Nederlandse mannen gevormd zijn.

Illustratie: Frann de Bruin

Eigenaardige schrijver, Wessel te Gussinklo. En goed, dat ook. Veelvuldig gelauwerd – van debuutprijs dertig jaar geleden tot oeuvreprijs tot, voor zijn vorige boek nog, een prijs voor de beste roman van het jaar. Maar tot op heden nooit veelgelezen, nog altijd een fijnproeversfavoriet. Want eigenaardig, eigenzinnig, excentriek. Want schrijvend – nee, vertellend is het, je hóórt als het ware zijn stem – in een toonaard die je onmiddellijk herkent als de zijne, geheel eigen, een stijl die al meer dan dertig jaar vrijwel onveranderd is, en nog steeds fris. Een tikje weerbarstig ook. Te Gussinklo’s meerdelige magnum opus, de romancyclus waarvan nu het vierde deel Op weg naar De Hartz is verschenen, is de registratie van de gevoelens en gedachten, de complete binnenwereld in feite, van een jongen, Ewout Meyster.

Ditmaal zien we Ewout als jongvolwassene, voorheen als late puber, jonge tiener, kind. We zien hem telkens weer tastend, grip krijgend op de werkelijkheid in zijn woorden, de woorden wegend, zijn formuleringen aanscherpend en dan ferm concluderend: zó, zo zit het. En al die woorden, die hele interne monoloog, lezen we. Die hele meanderende, kolkende vloed van overwegingen staat in de romans weergegeven, iedere interne trilling wordt vastgelegd, op het neurotische af. Niemand schrijft zoals Wessel te Gussinklo (1941) – tenzij je hem net gelezen hebt, want dan ben je zozeer in zijn personage ondergedompeld geweest dat je een beetje denkt als Ewout en formuleert als Te Gussinklo.

We zien hoe Ewout almaar bezig is met hoe hij wil overkomen, namelijk als sterk, belangrijk, wijs, een persoonlijkheid, een man. Maar tegelijk is hij kwetsbaar, want bezig met hoe de anderen op hem reageren. Jaloers kan hij worden, op groepjes mensen die doodgemoedereerd met elkaar keuvelen, als vanzelfsprekend. Hij ziet het aan, wetend dat de taal kan pantseren, als je het juiste woord maar weet te vinden. Ewout wil schrijver worden, later. Nu al is zijn gevoelsleven met seismografische precisie in woorden gevat.

Snoeverij

Een gemankeerd gevoelsleven, dat wel. Dat dreef Te Gussinklo meesterlijk op de spits in De hoogstapelaar, de roman waarmee hij vorig jaar de BookSpot Literatuurprijs won. Daar was Ewout een jongen van zeventien met een air van iemand die alles al gezien had. Die alles wist. Als iets hem niet beviel, ging Ewout steevast het gedrag van een ander bekritiseren. Hij kleineerde zijn vrienden, die, tja, wegens zijn wijsheid en verbluffendheid hun meerdere erkenden – maar niet heus. In werkelijkheid overschreeuwde en vervreemdde Ewout zich.

De kracht van De hoogstapelaar (en ook de brille, spanning en tragiek) zat hem in het stijlmiddel van de dramatische ironie: wat de hoofdpersoon zelf niet zag, zagen wij, lezers, wel. En dat was: zijn onvermogen om zichzelf te zien. Te zien hoe hij werkelijk overkwam, hoe de anderen over hem dachten. Zijn woorden en overwegingen vormden een beeld, een masker, waar hij zelf in geloofde – en doordat wij het verhaal in zijn hoofd beleefden, begrepen we hem, precies. Aan het eind van de roman was hij een beschamende ervaring rijker, maar geen stap verder. Blind voor zijn onvermogen, maar er soepel overheen redenerend met zijn hoogstapelarij. Of was er toch iets veranderd?

Ja, misschien toch, denk je aan het begin van Op weg naar De Hartz – instappen in de cyclus zonder voorkennis van voorgaande delen gaat overigens probleemloos, dat bevordert zelfs de verrassing: de kanten van Ewouts persoonlijkheid die hemzelf steeds weer onaangenaam treffen, zijn voor gevorderde Te Gussinklo-lezers welbekend. De roman opent ergens begin jaren zestig, met Ewouts naderen van een landgoed, in het groen, waar licht gloort aan het einde van een niet eens zo heel spreekwoordelijke tunnel: ‘De donkere wel een kilometer lange, smalle oprijlaan, overhuifd door vliegdennen en sparren, die zich als een koker door het bos geboord had, slechts met een enkele lichte loofboom hier en daar, opende zich.’ Mooi: daar verrijst De Hartz, het landgoed waar in een paleisachtig gebouw een ‘Grote Man’ resideert, een filosofisch genie, van goeroe-achtige allure, die daar onderwijst in diens ‘Hogeschool’. Ewout tintelt van opwinding. Hij is drieëntwintig en kan zich eindelijk laven aan de kennis en wijsheid waarnaar hij zo heeft verlangd, en waar hij, vindt hij, toch ook voor in de wieg is gelegd.

Biologische factoren

Hetzelfde Ewout-liedje, maar met een nieuw decor en hernieuwde moed. Maar wel hetzelfde liedje, van onverholen bewondering, voor de Grote Man, Babinsky genaamd, die hij één keer eerder had gezien en hem toen imponeerde: ‘Dat iemand zo’n macht had, zo’n kracht. Alsof hij een hand uitgestoken had en allen vasthield in zijn greep. Het verbaasde hem, Ewout. Zo was dat dus echt, zo gebeurde dat. Ook Hitler moest zo geweest zijn, en Churchill of Roosevelt.’ Churchill, Roosevelt – die bewonderde hij altijd al. Hitler komt daarbij. Zo was Babinsky: ‘Hier was de waarheid, die stem zei het, die ogen.’ Eindelijk heeft hij toegang tot grootsheid, en de weg vóór hem zal geplaveid zijn.

Illustratie: Frann de Bruin

Maar zover is het nog niet. Te Gussinklo vermengt in de roman twee tijden: het bezoek aan De Hartz en de voorgeschiedenis. Een groot deel van de roman speelt zich af vóór het langverwachte bezoek (zie ook de titel), namelijk wanneer Ewout nog een snoevende achttienjarige neuroot is. Cruciaal is ene dokter Somsen, proféssor Somsen, van bedenkelijk allooi, al vindt Ewout hem geenszins bedenkelijk. Ewout wordt zijn leerling en assistent. De wijze leermeester Somsen raadt hem aan te stoppen met ‘al die opzichtige houdinkjes en fratsen, die aanstellerij’, draagt hem op nederig, bescheiden en dienstbaar te worden. Te rijpen. Ja, er zit wat in, denk je als lezer.

Dat is tekenend voor misschien wel de slimste, en in elk geval de geniepigste vertelstrategie in Op weg naar De Hartz, een sublimering van Te Gussinklo’s dramatische ironie: de personages en hun gedragingen zijn nooit eenduidig te beoordelen. Nooit zijn ze zwart óf wit, geheel betrouwbaar óf geheel bedenkelijk.

Dat werkt het sterkst in een uitdagende en enigszins sensationele passage die zich op het landgoed afspeelt, en waar Ewout – overmoedig, denk je eerst – met een nuffige hoogleraar in discussie gaat over diens opvattingen over karaktervorming. Wordt een karakter bepaald door aanleg, door biologische factoren, zoals hoogleraar Lamberti betoogt? Hoogstens deels, betoogt Ewout. ‘Want niet de chromosomen of de hersens bepalen de uitkomst, het resultaat; datgene waarin ze zich uit moeten drukken, zich moeten verwezenlijken bepaalt dat.’ Dus: de opvoeding, de specifieke omgeving en tijd waarin je opgroeit. Niet alleen natuur, evengoed cultuur.

Broek aan

Anders zou je volledig opgesloten zitten in aangeboren gegevenheden, machteloos die ook maar enigszins te beïnvloeden – een actueel twistpunt ook, in tijden van identiteitsdiscussies rond kleur, etniciteit, gender. Al voel je je ook op glad ijs bewegen door mee te gaan met de ideeën van Ewout, die we immers niet kennen als de allerbetrouwbaarste verteller.

De passage staat ook op een gekke plek, relatief vroeg in de roman – als het hele verhaal van Ewouts ‘opleiding’ bij Somsen nog verteld moet worden. Maar die plaatsing is, moet je achteraf concluderen, een gelukkige en hoogst gewiekste opzet van Te Gussinklo geweest. Met Op weg naar De Hartz heeft hij misschien niet De hoogstapelaar overtroffen (dat strakker in z’n jas zat en een tandje scherpzinniger was – en daardoor onweerstaanbaarder), maar wel een overtuigende extra dimensie en weerbarstige diepte aan Ewouts verhaal toegevoegd.

Belangrijk in de voorgeschiedenis is Ewouts eerste grote liefde, die de tweede helft van de roman bepaalt. Sylvia heet ze, jeugdig bibliothecaresse, en Ewout treedt haar, geheel volgens Somsens voorschriften, dienend en bescheiden tegemoet. Vereren en beschermen moet hij haar, hoofs moet hun liefde zijn, dus de handen blijven voorlopig thuis en de broek aan. Geen gevoos, decreteert Somsen: ‘Dat is alleen maar zelfbevrediging als je zo doet, seks alsof je in een vrouw masturbeert. En niet de versmelting, de eenwording die echte liefde is.’

Ewout slikt het, gelooft het. Achterlijk, achterhaald, kun je als hedendaagse lezer dan oordelen, ware het niet dat dit soort seksuele opvattingen bij uitstek op het spel staat in de roman, bevraagd wordt. Ze maken deel uit van een complex van opvattingen waarmee Somsen Ewout indoctrineert – bij wie ze in vruchtbare aarde vallen. En tja, denk je dan, in zijn kringen en in die tijd, nog vóór de seksuele revolutie, werd ook redelijk gevonden wat tegenwoordig nog enkel onder ultraconservatieven, incels en mannelijkheidsgoeroes bon ton is. Waar is deze eigenaardige schrijver precies mee bezig?

Grimmiger wordt het bij de fascistoïde verering van die ‘Grote Man’ Babinsky, wiens ideeën notoir vaag blijven, en van Somsen die voor de vaderloze Ewout ‘als een vader was’. Ronduit alarmerend is weer een figurantenrol van Hitler, die Somsens guitig kwalificeert als ‘boef’, waarop dan, tussen haakjes maar harder dan een hondenfluitje, de niet nader toegelichte bijstelling volgt: ‘(ja, Somsen wist van zijn vader en ook van zijn ooms)’ – een aanwijzing dat Te Gussinklo misschien nóg een Ewout-roman in petto heeft. Werkelijk twijfelachtig wordt de ‘opvoeding’ wanneer Somsen diagnosticeert dat Sylvia een ‘ernstig beschadigde jonge vrouw’ is, en dat zij baat heeft bij privétherapie, waarbij Somsen haar borsten betast. Sylvia giechelt ongemakkelijk, als ze erover vertelt.

Mannelijkheidsnormen

Daarmee wordt een sluimerend gevoel bevestigd: Te Gussinklo’s roman gaat in wezen over de patriarchale structuur van de cultuur en de dominantie van mannelijkheidsnormen – wat welbeschouwd voor de hele cyclus geldt. Want geen lezer van De opdracht (1995) was vergeten welke dubbelzinnige aantrekkingskracht roze meisjesbroekjes op de veertienjarige Ewout hadden. Niemand was bovendien de peilloze paniek vergeten van de zeventienjarige Ewout die in De hoogstapelaar gevraagd werd of hij niet ‘een homo’ was. Behalve Ewout zelf; die verdringt het allemaal, op voorspraak van de wijze mannen. Ook nu doet hij dat weer, wanneer het liefdesverhaal culmineert in de laatste honderd pagina’s, op een manier die je toch nog flink verrast; want hoeveel afstand en weerstand alle opvattingen ook opwierpen, het liefdesverhaal kon je ook meevoelen, verkerend in Ewouts hoofd.

Maar vooral denk je dan aan die vroege passage, die discussie met die hoogleraar over de bepaaldheid van karakters – die chronologisch pas vier jaar plaatsvindt ná de climax van de roman. Zijn het chromosomen, of cultuur en vrije wil, die de mens vormen – Ewout weet het. Maar ziet hij daarmee de werkelijkheid, of zijn perspectief op zichzelf? Word je als man geboren of tot man gemaakt? Het antwoord staat toch weer op losse schroeven.