Opinie

Het ‘neutrale’ museum is achterhaald en onhoudbaar

Kunst Op een expositie in het Kröller-Müller Museum ziet enkel werk van witte kunstenaars. ‘Waardevrij’ kun je dat niet noemen. Het is tijd voor meerstemmigheid.
Werk van de conceptuele kunstenares Adrian Piper.
Werk van de conceptuele kunstenares Adrian Piper. Foto Tom Landers/ The Boston Globe via Getty Images

Afgelopen weekend is de tentoonstelling Paint it black in het Kröller-Müller Museum geopend. Een mooie titel, ontleend aan een nummer van de Rolling Stones uit 1966, die „verwijst naar persoonlijk leed, maar ook naar de onvrede van een jonge generatie met de toenmalige politieke en maatschappelijke verhoudingen”, aldus de zaaltekst. De meeste werken uit de tentoonstelling dateren van de jaren zestig, het decennium van de eerste Maagdenhuisbezetting, de Vietnamoorlog, de tweede feministische golf, de dekolonisatie van het Afrikaanse continent, de Black Panthers, de Civil Rights Act en de protesten onder leiding van Martin Luther King. Een periode die, in de woorden van het museum, getypeerd wordt door „onvrede die ook leidde tot grote omwentelingen in de kunst”.

Het valt op dat in Paint it black eenzijdig wordt gereflecteerd op de jaren zestig. Het is een decennium waarin BIPOC (Black, Indigenous and People of Colour)-stemmen luider klonken dan ooit tevoren en antiracisme hoog op de agenda stond. Toch bevat de tentoonstelling, een selectie van werken uit de eigen museumcollectie, enkel werk van witte kunstenaars. Bovendien worden woorden als ‘slavery’ gebruikt zonder toelichting over de historische betekenissen die hieraan kleven.

Dit is symptomatisch voor het beleid van het Kröller-Müller. Het museum maakt sterk de indruk bepaalde perspectieven achterwege te laten omdat het ‘neutraal’ wil zijn. De bezoeker zou waardevrij moeten kunnen kijken naar kunst. Maar hoe neutraal is deze mentaliteit en wie is hierbij gebaat?

Status quo bevestigen

„Dat hele ‘neutraal-’sprookje van veel instituten en instellingen moet ontkracht”, zegt schrijver Massih Hutak op Instagram in de eerste storm van Black Lives Matter-protesten dit voorjaar. „Als je jarenlang structureel verhalen hebt verteld vanuit een dominant wit perspectief, door voornamelijk makers en personeel uit de witte dominante groep, ben je allesbehalve neutraal”.

Je niet willen uitspreken over politieke kwesties is, kortom, op zichzelf een politieke keuze die de status quo bevestigt. Bovendien is het huldigen van die ‘neutrale’ positie een privilege. Immers, een museum met hoofdzakelijk wit personeel kan ervoor kiezen om ‘ongemakkelijke kwesties’ uit de weg te gaan en het voornamelijk witte en hoogopgeleide publiek daar niet mee ‘lastig te vallen’.

Lees ook: Laat de zwarte Corbusier opstaan

Veel culturele instellingen zien sinds kort in dat het neutraal-sprookje niet meer het vertellen waard is. Zij zetten in op structurele veranderingen binnen hun organisaties, zodat deze beter aansluiten bij de maatschappelijke behoefte aan meerstemmigheid en inclusiviteit. Stappen die horen bij een tijd waarin geen genoegen meer wordt genomen met geleidelijke vooruitgang. Een tijd waarin het woord ‘Black’ niet in de mond genomen kan worden zonder de sterke bijsmaak van onrecht. Dit inzicht is net zo min terug te vinden in Paint it black als in de collectie van het Kröller-Müller, waar het werk van voor de hand liggende kunstenaars als Adrian Piper, David Hammons of Carmen Herrera ontbreekt. De tentoonstelling legt daarmee onbedoeld bloot dat het museumbeleid weinig op heeft met de BIPOC-perspectieven.

Zet internationale reputatie in

Ik zou wensen dat het Kröller-Müller een museum wordt dat zijn internationale reputatie en professionaliteit inzet om over die schijn van neutraliteit heen te stappen. Met tentoonstellingen waarin de (kunst)geschiedenis niet eenzijdig wordt verteld maar aan de hand van verschillende perspectieven. Zo niet, dan dreigt het ontdaan te worden van zijn relevantie. Want uiteindelijk zal deze ‘neutraliteit’ betekenen dat het museum de aansluiting met toekomstige generaties verliest en daarmee zijn eigen doodvonnis tekent.

De collectie van het Kröller-Müller getuigt van een traditioneel vooruitstrevende en brutale mentaliteit, maar is nu achterhaald geraakt. Het is tijd om die mentaliteit op te poetsen, zich bewust te worden van blinde vlekken en te erkennen dat het museum moet veranderen. En nee, dat hoeft niet ten koste te gaan van kwaliteit. Het is wel nodig om de jarenlang gehanteerde definitie van kwaliteit te herzien.

In onze samenleving is er weinig gelegenheid om te leren ons in te leven in mensen wier paden de onze nooit kruisen. Daarom is het belangrijk om het museum niet langer te zien als autoriteit met één stem, maar als podium voor de uitwisseling van verhalen die de meerstemmige samenleving weerspiegelen. Want als het museum, het huis van de verbeelding, niet de plek is om ons te verplaatsen in de verhalen van anderen, wat dan wel?

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.