Lux et libertas in een opblaaskano

Essay Sinds een kajak heeft voelt hij zich evenwichtiger en zorgelozer. „Ik bereikte moeiteloos een staat van zen.”

llustratie Ike Schulte

Een paar maanden geleden kocht ik op internet voor 269 euro een knaloranje, tweepersoonsopblaaskajak. Dat lijkt misschien veel geld voor een stuk plastic gevuld met lucht. Maar het is misschien wel de beste aankoop die ik ooit heb gedaan. Ik dacht vroeger dat alleen goden en goede boeken een leven kunnen veranderen, maar een opblaaskano kan dat evengoed. Sinds ik de bezitter ben van dit bootje voel ik me een beter mens: evenwichtiger, lichtvoetiger, zorgelozer en vooral: kalmer.

Dit voorjaar slenterde ik nog vaak rusteloos en met mijn ziel onder de arm door de straten van Rotterdam. Dat kwam natuurlijk door het virus, dat in die dagen op stoom begon te komen. Het was de tijd van afgelastingen, code oranje en neerdalende rolluiken. De wereld sloot zich.

Op een van die rusteloze dagen kwam ik langs de kade waar normaal gesproken bijna altijd wel een cruiseschip lag aangemeerd, of zelfs twee. Maar nu was de kade leeg en de rivier zelf leek ook kaler en bleker dan gewoonlijk.

Uitnodigend leeg, bedacht ik opeens. Want ik dacht aan hoe ik jaren geleden – ik woonde in de VS – met een vriend dagenlang over de Missouri en de Mississippi had gepeddeld. We hadden allebei geen benul van rivieren, we hadden alleen een kano van gebutst aluminium. Dat bleek ook genoeg. Zelden voelde ik me zo vrij en licht als die dagen op dat machtige water.

Waarom had ik sindsdien nooit meer gepeddeld? Waarom had ik hier geen kano? Als er één land geschikt voor is… Ja, ons huis is nu te klein voor zo’n aluminium bakbeest. Maar daar moest een mouw aan te passen zijn. Ik herinnerde me vaag het bestaan van antieke vouwkano’s. Je had het Oost-Duitse merk Klepper: houten, inklapbare frames met daarover rubber gespannen. Loodzwaar waren die boten en ze vroegen een bijna militaire toewijding.

Maar het menselijke vernuft staat niet stil, merkte ik na wat zoekwerk. Tegenwoordig bestaan er elegante vouwkajaks die zo licht als veertjes zijn, je klapt ze in drie minuten uit, simpel als een pop-upwenskaart.

Ze waren wel prijzig, die origamischeepjes, zo rond de 1.000 euro. Dus keek ik verder bij de opblaaskajaks.

Opnieuw viel mijn mond bijna open. Er bestaan nu packcrafts van slechts een paar kilogram, ze passen bijna in de palm van je hand; toch zijn ze zo sterk dat je er watervallen mee kunt trotseren.

Ik keek een YouTube-filmpje van een man die veertig opblaasbare kajaks bezat, en nog had hij niet genoeg. De keuze was reuze. De kajaks kosten ook bijna niets meer. En toch varen ze vaak uitstekend: zelfs de goedkoopste opblaaskajaks van de Decathlon doorklieven het water als klippers. Misschien een wat heftig voorbeeld, maar wel tekenend voor de zeewaardigheid: regelmatig slagen vluchtelingen erin om van Calais naar Engeland te peddelen in zo’n goedkope huismerkkajak.

Maar ook in minder extreme omstandigheden blijken de rugzakbootjes grenzen te verleggen. Zo las ik over een man in Londen die de stampvolle metro’s zat was en voortaan maar over de Thames in een opblaaskajak naar zijn werk peddelde, keurig in pak trouwens.

Overal ter wereld forenzen stadsmensen per kajak. Een vrouw uit de buurt van Seattle bijvoorbeeld peddelde elke dag naar haar werk in haar zelfgebouwde kajak. Ze deed er anderhalf uur over, in plaats van twintig minuten met de auto. Maar toch kwam ze uitgeruster aan, beweerde ze.

Vaak, viel me op, spraken die forenzen over hun kanotochten als een mystieke ervaring. Het ging over ochtendlijke peddeltochten over verstilde wateren van spiegelglas, over ijle mistbanken waar het roze-oranje ochtendlicht doorheen sijpelde. Er klonk gekwinkeleer van watervogeltjes, het geplons van opspringende visjes. Het had te maken met de nietigheid van een mens dobberend op een massief wateroppervlak; over de vloeibare onvoorspelbaarheid van het leven – ja, die kajakkers klonken vaak als bekeerlingen.

Een opblaaskajak is een vakantie die niemand kan cancelen

Dat waren ze soms ook letterlijk, trouwens. Zoals de man uit het getto van Chicago, wiens leven was veranderd sinds de aanschaf van een kajak. Al peddelend ontmoette hij behalve vogels en schildpadden ook God. Hij schreef er een boek over, The City Paddler, waarin hij iedereen – maar vooral zwarte Amerikanen – aanmoedigde ook te gaan kajakken.

Jesus is my paddle’, schreef hij, ‘He keeps me balanced in my boat.’

Ik wilde intussen ook wel bekeerd worden en kocht een Intex Excursion Pro. Je kunt er ongelofelijk veel bagage in kwijt, alsof er ruimte is uitgespaard om een eland of bizon als jachtbuit mee te torsen. Of gewoon je hele gezin, een koelbox en een tentje. Je kunt ’m ook optuigen met een zeiltje of er zo’n staafmixer-achtig buitenboordmotortje aan hangen. Maar vooral dat ‘Pro’ in de naam had me overgehaald. Dat niemand zou denken dat ik in een speelgoedbootje zat.

De eerste keer dat ik in Rotterdam te water ging, voelde ik me echter bepaald geen pro. De Maas had me nog wat te gevaarlijk geleken, dus ik was met de kajak in mijn rugzak naar Crooswijk gefietst, een volkswijk aan de Rotte – dat onooglijk stinkende afwateringsslootje, waar kroos en dode duiven in drijven, en waar de stad haar naam aan dankt.

Toen ik de kajak op de stoep begon op te pompen voelde ik me zoals Noach zich gevoeld moet hebben toen hij midden in de woestijn timmerde aan dat houten megaschip.

Maar na een kwartier zat ik al op het water. En toen ik eenmaal over de Rotte peddelde, dwars door de stad richting de Markthal, kwam al gauw de triomf. Vanuit een kajak zie je de wereld vanuit een andere hoek, het gezichtspunt der zwanen – het is een subtiele kanteling, maar het lijkt alsof er voor je ogen een geheel nieuwe stad wordt geverfd, groener, fonkelender en volmaakt. Het geraas valt weg, al ben je op weg naar hartje centrum.

Ik voelde al gauw een diepe meelij opkomen met de mensen op de oever, de opblaaskanoloze mensen, de niet-ingewijden, de aan land gekluisterden, de niet-amfibieën.

Enfin, er volgden die zomer meer tochten en tochtjes over meertjes en sloten, van de Betuwe tot de Biesbosch. Alles ging op slot, maar mijn wereld ging open, ik kreeg er een tweede stad bij. En al bij het zien van een regenplas kreeg ik zin om te peddelen.

Waar ik ook te water ging – sloot, zee of plas –, iedere keer gebeurde er hetzelfde. Na drie, vier peddelslagen gleden alle gevoelens van afgunst, nijd, angst en chagrijn van me af. Nog eens vijf, zes slagen en ik bereikte moeiteloos een staat van zen. Er zijn oosterse en westerse monniken die hun hele leven vergeefs mediteerden voor wat je met één peddeltocht bereikt.

Zo peddelde ik eens op een zondagavond een stukje door de Biesbosch. Toen ik na een kwartiertje stopte, althans zo voelde het, bleek ik al uren gevaren te hebben. In een sportschool zou ik al na tien minuten zijn gestopt.

Alles ging op slot, maar mijn wereld ging open, ik kreeg er een tweede stad bij

Hier helpt een goede peddeltechniek: je moet met je romp meepeddelen, leerde ik eens van een ervaren, behulpzame kajakker, anders verzuren je armspieren te snel. Maar er speelt ook iets anders. De ritmische beweging van de peddelslagen, dat kalme, repetitieve geklots: het werkt hypnotiserend, het is het geluid van meditatie-apps.

De meeste sporten confronteren je genadeloos met de logheid van je eigen lijf, de kilo’s te veel, maar in een opblaaskajak is je lichaam lichter, het water heft je op. Je kunt het levitatie noemen, of een mysterie, of de wet van Archimedes; in elk geval ben ik nu zelf ook zo’n bekeerling.

Er is ook gewoon geen betere manier om de massa te ontlopen. Fietspaden zijn tegenwoordig racecircuits vol fanatici en testosteronpelotons. In een bos wandel je in colonne door moeder natuur, over knerpende restanten van illegale technofeestjes. Maar het water, het water is van niemand en dus is het allemaal van jou. Met je billen vlak onder de waterspiegel ben je letterlijk één met de natuur. Er zijn paden noch hekken. Terwijl je voorbijglijdt over kristalhelder water waar geen scheepsschroef ooit heeft gewoeld, knikken alle dieren je vriendelijk toe.

Een opblaaskajak is een vakantie die niemand kan cancelen. Je hoeft er niet rijk voor te zijn, je hebt geen vaarbewijs nodig, je hoeft zelfs het verschil tussen een kano en een kajak niet te weten. Stookolie is al helemaal niet nodig. De opblaaskajak is een poor man’s cruiseschip maar beslist niet armoedig.

Op een doordeweekse zomeravond was ik met een goede vriend in Giethoorn, die toeristenfuik. De drommen toeristen en dagjesmensen waren al in de bus terug, wij peddelden door verlaten waterwegen. Rondom ons floepten lichtjes aan. Aan boord deed een blikje psst. Verder alles stil en vredig, alsof we Venetië voor onszelf hadden.

En inderdaad past zelfs het hele gezin in de boot, ontdekte ik op een meertje in Frankrijk: aan boord was het gezelliger dan in welke partyboot ook.

Maar vaak peddel ik gewoon in mijn eentje. Mijn kajak is een opblaasbaar stiltegebied, mijn chill pill. Soms is het er zelfs zo stil dat ik ga zingen. Of ik peddel even met de ogen dicht, de lage zon op mijn oogleden.

En dan verbeeld ik mij dat ik in het alleroudste vaartuig zit dat archeologen ooit op aarde hebben aangetroffen. De zogeheten Pesse-kano. Deze kano komt uiteraard uit Nederland, waterland. Uit Drenthe om precies te zijn, je kunt daar de houten restanten nog in een museum bezichtigen. Een meting met de C14-methode wees uit dat de kano ongeveer tienduizend jaar geleden moet zijn gebouwd uit een uitgeholde stam van een grove den. Het scheepje mat iets meer dan drie meter.

Mijn opblaaskajak is ongeveer even lang. Ik hoefde ’m niet met de vuistbijl uit te hakken, een paar welgemikte muisklikken waren genoeg, maar het principe is precies hetzelfde. Peddelen en gaan.

Ik weet ook vrijwel zeker dat zo’n ijzertijdmens tijdens het jagen en vissen heus wel eens de peddel liet rusten en de ogen sloot. En dat-ie dan exact dezelfde sensorische ervaring had die ik nu beleef:

Het fluisterend riet.

Het zoeven van de vleugels van een traag wegwiekende reiger.

De hele trage deining van het water als de borstkas van een gelukkige slaper.

Op zulke momenten word ik overvallen door een sterk besef van continuïteit in de geschiedenis, een diep gevoel van verbondenheid met alle kajakkers aller tijden en plaatsen. De mensheid peddelt wel door, of het nu op bootjes is van berkenbast, zeerobbenvel of polypropyleen.

Dat stemt kalm. Maar, je moet niet in slaap sukkelen en wel blijven nadenken.

Afgelopen zomer bijvoorbeeld, we waren in Bretagne op vakantie bij een kleine baai. Op een avond, de zon stond al laag, het zand gloeide nog na, werd ik bevangen door het verlangen nog even de ondergaande zon aan te tikken. Haastig, al te haastig, pompte ik de kajak vol. Er brak iets in de handpomp en ik kreeg ’m niet meer aan de praat – het blijft fragiel spul, zoals al het materiële.

Enfin, geen nood, dacht ik. Met mijn eigen longen blies ik toen de luchtkamers vol. Ik duwde de halfzachte boot de branding door en peddelde over een donkere zee richting een rotseilandje dat zwart afstak tegen de oranje gloed.

Ik tikte de zon gauw aan.

Maar toen ik terug wilde peddelen, leek ik stil te staan, als in zo’n droom waarin je wel rent en toch stilstaat. Eén seconde was ik een boterhamzakje midden op de oceaan. Maar toen bedacht ik: het moest gezichtsbedrog zijn. Want ik peddelde nu met de golven mee, in plaats van ertegenin, waardoor het leek alsof ik stilstond. Laat je niet gek maken, keep calm, en peddel door, prevelde ik. En inderdaad vonden mijn tenen al gauw het zand.

Dat is de les van de opblaaskajak: dat je kalm moet blijven, zelf moet blijven nadenken, op je eigen adem durven vertrouwen – zeker als je op je eigen adem drijft.

Het virus zal nog wel even rondwaren, en na het virus zullen nieuwe virussen verschijnen, terwijl de zeespiegel intussen niet zal stoppen met stijgen. Daarom wens ik iedereen de lux, de libertas en vooral ook de lichtheid van een opblaaskajak toe. Ieder die er nog geen bezit, wil ik dringend aanraden er onmiddellijk één aan te schaffen. Je hebt al een uitstekend exemplaar voor 89 euro, inclusief peddels en pomp.

Dit artikel is vanaf 1 oktober ook te beluisteren in de speciaal voor het 50-jarig jubileum van NRC gemaakte podcastserie Proost! De serie begint zaterdag 26 september en heeft zeven afleveringen.