Knipsels voor de eeuwigheid: zo veranderde NRC het leven van lezers

Lezersverhalen Tientallen lezers stuurden stukjes krant in die van grote betekenis in hun leven zijn geweest.

De Iraanse Samereh Alinejad (rechts) slaat de moordenaar van haar zoon vlak voordat die geëxecuteerd zou worden maar spaart wel zijn leven. Dit tafereel maakte een diepe indruk op Cora Boele, die het op in 18 april 2014 in de krant zag staan.
De Iraanse Samereh Alinejad (rechts) slaat de moordenaar van haar zoon vlak voordat die geëxecuteerd zou worden maar spaart wel zijn leven. Dit tafereel maakte een diepe indruk op Cora Boele, die het op in 18 april 2014 in de krant zag staan. Foto Arash Khamoushi/AP

Emilia Bijlsma las in 1995 het gedicht ‘Verjaardag’ van Rudy Kousbroek op de Achterpagina van NRC en was zo ontroerd dat ze het uitknipte. Als ik ooit een kind krijg, dacht ze, dan zet ik het op het geboortekaartje. Toen ze in 2001 na lang wachten zwanger was, vroeg ze om toestemming voor gebruik. Kousbroek stuurde haar een briefje – „zeer vereerd” – en ze kreeg tal van positieve reacties. „Maar niet van onze dochter”, schrijft Emilia Bijlsma. „Toen ze als zevenjarige de tekst kon lezen moest ze huilen omdat we haar eerder zo hadden gemist.”

Cora Boele zag in de krant van 18 april 2014 een foto die haar nog altijd in het geheugen gegrift staat. „Dat komt”, schrijft ze, „door de enige vrouw in het gezelschap. Haar daad heeft me diep ontroerd.” De fotograaf is bij een openbare executie in Teheran. De ter dood veroordeelde staat met de strop om de nek op een stoel, en de vrouw, van wie de zoon is vermoord, mag die stoel wegtrekken. Oog om oog, tand om tand. Maar ze doet het niet. Ze slaat de moordenaar in het gezicht en spaart zijn leven.

De redactie van NRC vroeg u om dat ene knipsel, die ene zin, alinea of foto in de krant die uw leven veranderd heeft. Of een dag in uw leven. Tegen de tweehonderd reacties waren er en ze gingen over grappen en tragedies, over diepe inzichten, wijze lessen, een vrolijke lach, een ferm besluit. NRC interviewde een aantal van de inzenders.

Vanaf volgende week vertellen lezers op de Achterpagina over ‘die ene zin’.

Een hbs’er gaat rechten studeren

De stamboom van Martin van der Jagt (71) gaat terug tot 1554 en al die voorouders woonden in IJsselmonde. De mannen waren landarbeider, tot een van hen het aandurfde naar Rotterdam te verhuizen. Dat was Van der Jagts grootvader. Hij ging bij scheepswerf Smit werken en kreeg elf kinderen. Nummer tien was Van der Jagts vader. Die werd geboren in 1913 en mocht als eerste van de familie naar de mulo. In de avonduren leerde hij door voor boekhouder. Hij werkte bij graanhandel de Vries.

Martin van der Jagt ging naar de hbs en daarna naar de bibliotheekschool in Amsterdam, wat voor een jongen met zijn achtergrond al tamelijk hoog gegrepen was. En toen, op een avond in het voorjaar van 1968, riep zijn vader hem bij zich. „Hij zat in zijn vaste stoel met de NRC”, zegt Van der Jagt. „Hij zei: ik lees hier dat je nu met hbs ook rechten kunt studeren aan de NEH.” Dat was de Nederlandse Economische Hogeschool, nu de Erasmus Universiteit. „Voorheen”, zegt Van der Jagt, „kon dat alleen als je gymnasium had gedaan.” Hij moest wel eerst nog Latijn leren, maar dat had hij ervoor over. De eerste maanden ging hij naar college in driedelig pak.

Wetswinkel, sociaal raadsman, Bureau voor Rechtshulp, directeur van de Sociale Dienst, directeur bedrijfsvoering bij de rechtbank in Alkmaar en in Haarlem, begeleider van de fusie tussen die twee – dat was Van der Jagts loopbaan. Zeven jaar is hij nu met pensioen en hij moet er vaak aan denken hoe zijn leven geweest zou zijn als zijn vader dat krantenberichtje niet had gezien.

Voor Van der Jagts oudere zus Jip liep het anders. Zij slaagde cum laude voor het gymnasium en wilde geneeskunde studeren. Maar dat was voor een meisje „toch een sprong te ver”. Ze deed Schoevers, werkte als secretaresse en werd later fysiotherapeut. Hoe was het voor Martin van der Jagt om als student te verkeren met de zoons van de elite? „Je had jongens die met de auto uit Kralingen kwamen en het over hun zeilboot hadden”, zegt hij. „Ik sloot me aan bij de jongens die graag zaalvoetbalden.”

En daar stond de buurman

Sonja Dielemans (54) woonde op een snikhete etage in Amsterdam-West en zocht al een tijdje naar wat anders toen ze in de NRC van 14 juli 1995 een advertentie zag staan: eenvoudige, eenpersoonswoonruimte in 17de-eeuws pandje in Loenersloot. Ze had haar studie geneeskunde net afgerond en was begonnen als bedrijfsarts.

„Ik las de krant pas op zondagochtend”, zegt ze. „Dus ik dacht: allang weg.” Maar nee. De eigenaar zei dat ze maar door de ramen naar binnen moest gaan kijken en als het haar beviel, kon ze hem vanuit de telefooncel in het dorp bellen. Ze ging met een handvol kwartjes op pad en was meteen verkocht. Het appartementje bleek in een prachtig huis te zijn tegenover Kasteel Loenersloot, waar in die tijd nog een barones woonde.

Twee jaar later stond ze te kijken naar de opgebroken weg tussen haar huis en het riviertje de Angstel aan de overkant, en daar kwam de buurman aangelopen. Zij had hem nog nooit gezien, of in elk geval had ze nooit op hem gelet. Maar hij wel op haar. Hij was geboren op het land van de barones en hij was boer. „Lang verhaal kort”, zegt ze. „Hij was alleen en ik was alleen, we zijn gaan samenwonen en in 2002 zijn we getrouwd.”

De zoon van de barones vond het zo mooi dat hij hen op een net leeggekomen boerderij liet wonen. En daar wonen ze nog steeds, met hun zoon van achttien en hun dochter van dertien. De boerderij is biologisch geworden en nee, Sonja Dielemans hoeft niet te helpen met melken of maaien, al leek het een tijdlang wel leuker om kaas te gaan maken dan om bedrijfsarts te zijn. „Maar ik ben graag dokter”, zegt ze. „Ik heb me laten omscholen tot specialist ouderengeneeskunde.”

Laatst vertelde ze over de advertentie aan haar buren. Ze bedacht dat ze zich destijds niet had kunnen voorstellen wat voor wending haar leven zou nemen doordat ze toevallig die zondagochtend in de krant keek. „In die tijd stonden er in NRC ook nog veel contactadvertenties”, zegt ze. „Maar dit werkte beter.”

De onmetelijkheid van het heelal voelen

Bert Trenning (69) uit Rotterdam is de zoon van een kapitein op de grote vaart en als jongen mocht hij weleens mee. De machinekamer, de besturingssystemen, de navigatieapparatuur – het interesseerde hem allemaal enorm, en hij was vastbesloten om na de middelbare school naar Delft te gaan. Of het werktuigbouwkunde, elektrotechniek of iets anders zou worden, die beslissing schoof hij nog even voor zich uit. Hij moest eerst in militaire dienst.

Toen werd hij uitgeloot. Tussenjaren bestonden in zijn tijd nog niet, dus moest hij plotseling kiezen. „Tot ieders verbazing”, zegt hij, „werd het geneeskunde. Ik wist zelf ook niet goed waarom.” Binnen de geneeskunde specialiseerde hij zich wel in een uiterst technisch vak: de plastische chirurgie. Lipspleten, kinderschedels, reconstructie na huidkanker of een ongeluk – tot de dag van zijn pensionering kon hij er geen genoeg van krijgen. „Vooral handchirurgie deed ik graag. We sloten de bloedtoevoer tijdelijk af, waardoor we in alle rust konden werken. Pezen, bloedvaten, zenuwen, alles kon je zien.” En ondertussen gezellig praten met de collega’s en met de patiënt, die meestal plaatselijk verdoofd was.

Was het compensatie voor zijn oude droom? Een gebeurtenis in zijn jonge jaren die hem hoe dan ook gevormd zou hebben? Bert Trenning ontwikkelde naast zijn werk een fascinatie voor alles wat met ruimtevaart te maken heeft. Die was begonnen met de eerste mens op de maan, 21 juli 1969. Nu brengt hij hele dagen door op zijn werkkamer vol beeldschermen, waarop hij de livestreams van de NASA volgt. „Meekijken door de helmcamera van een astronaut”, zegt hij. „Je ziet de collega’s zweven, je ziet de aarde. Ik vind dat zo eh… ontroerend is een groot woord, maar dat is het wel.”

Nu het krantenstuk dat hem plotseling tot nieuw inzicht bracht. Het dateert van 8 november 2003 en het ging over ruimtereis van de Voyagers 1 en 2. „Ik was gewend aan grote getallen en afstanden”, zegt hij. „Lichtsnelheid, lichtjaar, astronomische eenheid – verstandelijk kon ik ermee omgaan en ik kon logisch-technisch nadenken over de oerknal, zwarte gaten, het uitdijende heelal. Maar echt besef van die bizarre afstanden kreeg ik toen ik dat verhaal las. De Voyagers waren toen al 26 jaar onderweg naar de randen van ons zonnestelsel en ze komen daar over 40.000 jaar aan. Dan hebben ze er twee lichtjaar op zitten, de hélft van de afstand naar Proxima Centauri, onze naaste buur onder de sterren.” Het understatement in de slotzin trof hem nog het meest: ‘Het heelal is groot.’ Toen vóélde hij de onmetelijkheid.

Die dag werd ik moedig

Malgorzata Bos-Karczewska (61) weet nog goed dat ze voor het eerst met haar ouders naar Spanje reisde, in een Polski Fiat die ze hadden volgestouwd met blikken eten. Het was midden jaren zeventig en in Polen, waar ze vandaan komt, was de communistische dictatuur wat losser aan het worden. Ze mochten de grens over. „De kleuren in het westen”, zegt Malgorzata Bos-Karczewska. „De vrolijkheid, de mooie kleren!”

Ze studeerde economie in Gdansk toen ze haar latere man ontmoette. Hij studeerde ook economie, in Groningen, en deed mee aan een studentenuitwisseling met Polen. Ze werden verliefd en twee jaar lang schreven ze elkaar brieven. In 1979 ging ze met haar tweelingzus naar Londen om zwart te werken als kamermeisje. Met het geld nam ze de boot naar Hoek van Holland. „Naar mijn geliefde!”

Een jaar later waren ze getrouwd. Ze kon in Amsterdam haar studie afmaken en ze ging schrijven voor het faculteitsblad Rostra Economica – „mijn man corrigeerde mijn kromme Nederlands” – en later voor het blad Oost-Europa Verkenningen. Toen werd het 9 november 1989: de val van de Berlijnse Muur. „De eerste dominosteen was in juni al gevallen in Warschau”, zegt ze, „en Solidarnosc had in Polen de verkiezingen gewonnen, maar dit had ik niet verwacht. Dezelfde muur die ik zo vaak gepasseerd was op doorreis naar mijn moederland? Die nacht huilde ik van vreugde.”

En nu komt het. Ze zou gezworen hebben dat de zin ‘Wir sind das Volk’ op de voorpagina van de NRC haar een eureka-moment had bezorgd. Maar dat kan niet, want de NRC opende op 10 november met nieuws over V&D. En met het bericht dat er op 15 december een extra partijcongres in de DDR zou zijn. ‘Wir sind das Volk’, dat stond in de krant bij alle herdenkingen later.

Toch veranderde haar leven die dag. Ze besloot op de bonnefooi naar Oost-Europa te reizen en verslag te doen van de revolutie. Ze ging naar Praag en interviewde de nieuwe Tsjechische minister van financiën, Vaclav Klaus. Ze ging naar Polen voor het congres van Solidarnosc. Ze werkte anderhalf jaar voor de Volkskrant. „Door de val van de Muur ben ik journalist geworden.” Voor een verhaal in NRC later ontving ze een Poolse persprijs.

Ga niet naar bed met de gastvrouw

Agnes Andeweg (49) had haar proefschrift al geschreven toen ze in de krant van 29 november 2010 de column van M. Februari las. De eerste zin: ‘Draag nooit juwelen voor vijf uur ’s middags.’ „Zo beginnen”, zegt ze, „dat is zo knap. Een concreet beeld dat een absurde wereld opent en je meteen de tekst in trekt.”

En dan de titel erboven: ‘Word simpeler.’ „Die vat precies samen wat je bij het schrijven moet doen. De wereld is vol vaagheden en abstracties, vol grote woorden en onduidelijke begrippen. Probeer zo concreet mogelijk te zeggen wat je te zeggen hebt. En blaas jezelf niet op.” Niet dat Agnes Andeweg dit niet allang wist, maar zoals Februari het verwoordde trof haar recht in het hart. Ze knipte de column uit en hing hem boven haar bureau.

Ze komt uit Hattem, Gelderland. Ze ging in Zwolle naar het gymnasium en was de eerste in de familie die ging studeren. Een jaar milieuhygiëne in Wageningen, daarna Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht. Literatuur had haar altijd al het meest geboeid, maar haar ouders maakten zich zorgen. Zou ze daar wel werk mee vinden?

Ze promoveerde bij literatuurwetenschapper en hoogleraar genderstudies Maaike Meijer in Maastricht, sinds 2013 is ze docent aan het University College Utrecht. Ook daar, zegt ze, draagt ze het belang van goed schrijven en lezen uit. „Goed geschreven tekst doet iets anders met je dan beeld.”

Neem de derde zin in Februari’s column van november 2010: ‘Ga tijdens een weekendpartijtje niet naar bed met de gastvrouw, tenzij dat werkelijk nodig en welhaast onvermijdelijk is’. „Februari citeert de Duke of Bedford in zijn Book of Snobs, die zich natuurlijk richt tot zijn mannelijke lezers. Ik moest er destijds om lachen omdat je het ook lesbisch kunt lezen. Je zou er een boek over kunnen schrijven, waarom die zin zo grappig is.”