Opinie

Kabinet gokt met klimaatbeleid te vaak op goede afloop

Broeikasgassen

Commentaar

Nederland legt „de lat hoger” dan de Europese Unie. Met die woorden begon het huidige kabinet in 2017 het hoofdstuk over klimaat in het regeerakkoord. Sinds vorige week zijn ze achterhaald. Terwijl het Nederlandse kabinet streeft naar 49 procent minder CO2-uitstoot in 2030, wil de Europese Commissie naar een afname van 55 procent: noodzakelijk voor het klimaatakkoord van Parijs.

De verhoudingen zijn kenmerkend voor het Nederlandse klimaatbeleid. Meermalen heeft Nederland de ondergrens opgezocht van wat noodzakelijk wordt geacht om de opwarming aan te pakken. Zo ging het met het Urgenda-vonnis. En het lijkt opnieuw te gebeuren rond het vorig jaar gesloten klimaatakkoord.

In 2015 wees de rechtbank vonnis in de Urgenda-zaak: de CO2-uitstoot moest al in 2020 veel verder omlaag om het gevaar van klimaatverandering te beperken. 25 procent minder uitstoot dan in 1990 is het minimum, oordeelde de rechter. Een meerderheid in de Tweede Kamer riep het kabinet op om snel aanvullende maatregelen te nemen tegen de broeikas. Toch gebeurde er niets extra’s, drie jaar lang.

Lees ook de eerdere reconstructie over het Urgenda-beleid: Hoe ‘Urgenda’ een levensgroot probleem werd

Nadat eind 2019 ook de Hoge Raad Urgenda in het gelijk stelde, kon het kabinet geen kant meer op. De coronacrisis helpt nu ongewild: fabrieken en auto’s stonden stil. De uitstoot neemt af, maar voor de jaren na 2020 is dat zeker onvoldoende.

Het kabinet wil daarom ook de stroomproductie van kolencentrales verminderen. Maar weer kiest het ministerie van Economische Zaken en Klimaat niet voor zekerheid. Vrijdag kondigde het ministerie aan dat als één kolencentrale zou sluiten, vrijwillig en tegen betaling, de maatregelen tegen de andere kolencentrales alsnog worden versoepeld. Het klimaat wint er niets bij.

Dat ook de hoogste rechter 25 procent minder broeikasgassen in 2020 als de absolute ondergrens beschouwde, lijkt alweer vergeten. Terwijl elke maatregel die nú genomen wordt, de mondiale opwarming inperkt en ook het landelijke klimaatdoel voor 2030 dichterbij brengt.

Dit kabinet was nooit zo bezig met Urgenda, maar wel met de volgende mijlpaal: 49 procent minder CO2 in 2030. Om het doel te halen, is vorig jaar na lang polderoverleg het Nederlandse klimaatakkoord geschreven, met gedetailleerde plannen voor sectoren zoals industrie en landbouw.

Toch lijkt weer hetzelfde te gebeuren.

Vorig jaar november rekende het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) uit of het kabinet met dit akkoord over zijn lat van 49 procent zou springen. Nee, luidde het oordeel: de maatregelen zijn goed voor 43 tot 48 procent CO2-reductie. Politieke consequenties had die prognose van het PBL niet, het kabinet zette zich aan het uitwerken van het akkoord.

Dan zou het minstens redelijk zijn als bij een belangrijke bouwsteen van dat akkoord, de CO2-heffing voor de industrie, wél voor een extra kreukelzone zou zijn gezorgd.

Op Prinsjesdag werden de details bekend, en weer viel het tegen. Het PBL voorziet nu al dat de CO2-heffing mogelijk te laag zal blijken om aan het klimaatakkoord te voldoen.

Het zijn telkens kleine tegenvallers, maar ze vallen bij het ministerie van EZK steeds uit in het nadeel van de K: het klimaat. En uiteindelijk telt dat op.

In het regeerakkoord van 2017 schreef het kabinet nog iets. Het zou in Europa pleiten voor een CO2-reductie van 55 procent. Nu Europa zover is, is Nederland onvoldoende voorbereid.