Negen hordes bij het bestrijden van een tweede golf

De tweede golf Het kabinet kan zich niet dezelfde fouten permitteren als tijdens de eerste golf, het volk is minder beïnvloedbaar en de verkiezingen bedreigen de politieke eendracht. De grootste hordes op een rij.

Leerlingen van het Farel College in Amersfoort zijn verplicht om in de gangen een mondkapje te dragen.
Leerlingen van het Farel College in Amersfoort zijn verplicht om in de gangen een mondkapje te dragen. Foto Robin Utrecht/ANP

Met meer dan honderdduizend positief geteste personen en inmiddels weer meer dan honderd mensen op de IC met Covid-19, is de corona-uitbraak terug. NRC zet negen knelpunten van het coronabeleid om de tweede golf te doorstaan op een rij.

I Testcapaciteit

Tegenslagen verzwakken ‘dijk’

Het Nederlandse testbeleid wankelt, op alle fronten. De vraag naar testen is zo groot dat de laboratoria ze niet meer verwerkt krijgen, uitslagen langer op zich laten wachten en het veel GGD’s niet meer lukt om een volledig bron- en contactonderzoek te doen.

Het is een soort domino-effect, constateert de Algemene Rekenkamer in een woensdag verschenen rapport. „Ons onderzoek laat zien: de zwakste schakel bepaalt de sterkte van de hele testketen”, zegt collegelid Ewout Irrgang. Die schakel zijn nu de testlabs, die te weinig materialen hebben om coronatesten te analyseren.

Het is een groot probleem voor minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA), die snel en goed kunnen testen de belangrijkste „dijk” tegen de tweede coronagolf noemde en de Tweede Kamer beloofde dat eind volgende maand in plaats van de huidige circa 40.000 wel 70.000 testen per dag gedaan kunnen worden. Maar in zijn pogingen die capaciteit op te hogen heeft de minister tegenslagen.

Een techniek die zijn ministerie in juli nog als „essentieel” bestempelde voor het voldoende opschalen van de winterse testcapaciteit levert volgens de laatste berekeningen geen 25.000, maar slechts 13.000 extra dagelijkse testcapaciteit op. Het gaat om het zogenaamde ‘poolen’. Hierbij moeten testlaboratoria meerdere monsters samenvoegen in één buisje voordat ze op corona worden getest. Bij een negatieve uitslag van zo’n samengesteld monster levert dat een grote besparing op van testcapaciteit. Bij een positieve uitslag worden de monsters in het buisje nog eens afzonderlijk getest.

Poolen werkt alleen als niet te veel mensen besmet zijn. Anders moeten gepoolde monsters zo vaak worden hertest dat je toch geen materiaal bespaart. Het ministerie VWS zelf schreef eerder dat poolen voor labs geen besparing op materialen meer oplevert als het percentage positieve testen boven de 5 procent uitkomt. Landelijk is de besmettingsgraad inmiddels 6,1 procent.

Omdat in sommige regio’s de besmettingsgraad lager ligt, heeft het poolen daar nog zin, zegt een woordvoerder van het ministerie. Een bijkomend probleem is wel dat het poolen trager opstart dan het ministerie zou willen, omdat de aanbesteding nog loopt en er minder laboratoria op hebben ingeschreven dan het ministerie hoopte.

Om dit gat in de testcapaciteit op te vangen sluit de minister inmiddels in hoog tempo allerlei contracten af met labs in Duitsland en België, die nog wel voldoende materialen hebben. De minister zoekt ook buiten Europa. Een deal met een lab in Abu Dhabi is bijna rond, maar hangt nog op onbekende „juridische details”. Daar zouden via een luchtbrug dagelijks tienduizend Nederlandse testmonsters worden afgeleverd om getest te worden. De uitslag wordt vervolgens na analyse binnen 48 uur aan Nederland doorgegeven. De Autoriteit Persoongegevens heeft om uitleg gevraagd.

De pogingen van het ministerie van Volksgezondheid om de testcapaciteit te vergroten lopen al sinds het begin van de coronacrisis moeilijk, concludeerde de Algemene Rekenkamer in zijn rapport woensdag. Collegelid Irrgang noemt de decentrale inrichting van het Nederlandse zorglandschap als een van de knelpunten. „Er was geen landelijk inzicht bij VWS en het RIVM in de totale capaciteit, het landschap van laboratoria is gefragmenteerd.

Eerder in de crisis was het terughoudende testbeleid van het kabinet een reden dat Nederland te weinig materialen kon bestellen, constateert de Rekenkamer. Het kabinet koos er in het begin, uit vrees voor tekorten, voor om alleen risicogroepen en later zorgmedewerkers te testen. Maar juist daardoor waren leveranciers minder bereid om Nederland van hun producten te voorzien, zegt Irrgang. „Leveranciers wilden vanwege de internationale schaarste voorkomen dat landen gingen hamsteren. Landen met een ruim testbeleid kregen hierdoor meer geleverd.” Irrgang zegt dat de aanvoer van materialen voor Nederland hierdoor tot juni „een bottleneck” bleef.

De Rekenkamer constateert ook dat Nederland ondanks het materialentekort dit voorjaar „substantieel” meer had kunnen testen. Door te strakke landelijke regels over welke groepen er getest mochten worden bleef testcapaciteit in regio’s met een lagere infectiedruk onbenut.

Pim van den Dool en Derk Stokmans

II Gebrekkig dashboard

Virus nog niet opgejaagd

We moeten het coronavirus „dicht op de hielen zitten”, stelde minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) in mei. En dus moest er een coronadashboard komen waarin alle relevante informatie over het virus wordt verzameld en uitbraken snel gesignaleerd kunnen worden. In september zou het dashboard volledig moeten functioneren. Maar het dashboard piept en kraakt.

Allereerst: het brengt het virus nog niet zo goed in kaart als De Jonge graag zou willen. Diverse informatiebronnen die wel aan het dashboard zouden worden toegevoegd zitten er nog altijd niet in: gegevens over hoe goed mensen zich aan de regels houden of informatie over het bron- en contactonderzoek.

Andere informatie is nog niet bruikbaar. De Jonge gaf in mei hoog op over het rioolonderzoek: virusdeeltjes kunnen worden teruggevonden in de ontlasting van besmette mensen. In theorie kan een stijging in het riool een paar dagen voor een stijging in het aantal positieve tests worden opgemerkt – kostbare tijd om een uitbraak te stoppen. Maar het RIVM doet die meting maar eens in de week en waarschuwt dat daar geen conclusies uit getrokken kan worden. Beleid kan er dus niet op worden gemaakt.

Rond de informatie die wél in het dashboard zit, hangt ook nog veel mist. Het gaat dan om de getallen die we al maanden horen: het aantal besmettingen en het aantal opnames in het ziekenhuis en op de intensive care. Die cijfers zijn inmiddels ook per regio bekend. Er zijn zogenaamde ‘signaalwaarden’ voor uitgerekend door het RIVM: als de cijfers boven die waarde pieken worden ze gevaarlijk hoog. Dat moeten we zien als een noodsignaal, maar het blijft onduidelijk wat dat in de praktijk precies betekent. Het aantal besmettingen in regio’s als Amsterdam-Amstelland en Rotterdam-Rijnmond lag al weken ruim boven de signaalwaarde voor er extra maatregelen werden afgekondigd.

De cijfers, zo luidt de verklaring, moeten altijd in samenhang worden bekeken. Als het aantal ziekenhuisopnames op zijn dieptepunt is, is een stijging in het aantal positieve tests niet per se zorgelijk, is de gedachte. Het nadeel is dat dat de besluitvorming onduidelijk en stroperig maakt. Sinds vorige week wordt elke veiligheidsregio in een ‘risiconiveau’ ingeschaald: ‘waakzaam’, ‘zorgelijk’ of ‘ernstig’. Dat gebeurt na een overleg van de veiligheidsregio met de GGD, het RIVM en het Rijk, in principe eens per week. Als een regio in een hoger risiconiveau komt, wordt gekeken welke maatregelen nodig zijn. Dat kan soms een tijd duren, bleek vorige week: toen overlegde het kabinet – nota bene tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen – dagenlang met de veiligheidsregio’s over welke maatregelen passend waren. Het dashboard zit het virus dus nog niet écht op de hielen.

Lees hier meer over hoe de maatregelen worden genomen: Kabinet: dit is de gevreesde tweede golf

III Ziekenhuiscapaciteit

Reguliere zorg moet door

Er lagen woensdag 371 coronapatiënten in het ziekenhuis – 42 meer dan dinsdag. Nog eens 104 coronapatiënten liggen op een intensive care. Op het laagste punt van de pandemie in Nederland, half juli, lagen er 18 op de IC. De aantallen lopen zo hard op dat het Landelijk Centrum Patiënten Spreiding deze week weer doet waarvoor het in april ad hoc werd opgericht: patiënten verplaatsen, zodat ziekenhuizen niet verstopt raken.

Verschil met het voorjaar is wel dat nu vooral de mildere coronapatiënten, van gewone ziekenhuisafdelingen, worden verplaatst. Dat heet in jargon ‘laagdrempelig overplaatsen’. De ziekenhuizen in Zuid- en Noord-Holland proberen zo ruimte te scheppen. De IC’s liggen nog lang niet vol – 739 van de in theorie 1.700 IC-bedden zijn bezet – dus worden IC-patiënten nog niet overgeplaatst. Dat gebeurde eind maart en april veelvuldig: in totaal werden 800 coronapatiënten uit Brabantse intensive cares naar andere provincies en zelfs Duitsland gebracht.

Verschil is ook dat Covid-patiënten gemiddeld korter op de intensive care liggen dan in het voorjaar. Toen bezetten ze vier weken een IC-bed, nu gemiddeld zestien dagen. Bloedverdunners en ontstekingsremmers zijn, naast de beademing, bij veel patiënten effectief. Elke dag telt voor de capaciteit.

Belangrijkste doel van ziekenhuizen en de Nederlandse Zorgautoriteit is dat de zorg voor niet-coronapatiënten deze keer, tijdens de tweede golf, door kan blijven gaan. Operaties aan tumoren, vaten, het hart. Of transplantaties. Die grotere operaties kunnen alleen doorgaan als er voldoende ruimte is op de intensive care om de patiënt achteraf op te vangen.

Op 7 april, het hoogste punt van de pandemie, lagen 1.314 coronapatiënten op een intensive care. De normale IC-capaciteit van 1.150 was toen al ver overschreden. Bijna alle andere patiënten – op ernstige ongelukken en hartoperaties na – moesten wachten. Thuis of in het ziekenhuis. Directeur Bart Berden, van het Tilburgse Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis zei in augustus dat hij daar nog weleens wakker van lag: hadden ze niet té veel andere patiënten tekortgedaan door voorrang te geven aan Covid-patiënten?

Voorlopig kunnen de ziekenhuizen het allemaal nog aan, zegt Berden nu desgevraagd. „Over een week of tien dagen weten we of dat zo blijft.”

IV Voorrang verpleeghuizen

Nu mét bescherming

Specialist Ouderengeneeskunde Nienke Nieuwenhuizen, voorzitter van beroepsvereniging Verenso, hoopt vurig dat het de komende maanden in de verpleeghuizen niet zo uit de hand loopt als in het voorjaar. Er zijn nu 111 met Covid-19 besmette bewoners, zestig meer dan vorige week. Op het dieptepunt van de pandemie waren er duizenden besmet, van wie overigens ruim de helft herstelde.

Nieuwenhuizen: „Laten we nu wél goed anticiperen op de vraag naar mondkapjes en coronatests. Dat is tot nu toe niet gebeurd.” Aan tests is duidelijk een tekort, nu zelfs de GGD’s toegeven dat ze 10.000 mensen per dag níét kunnen testen, die daar wel om vragen. De GGD’s testen 38.000 mensen per dag.

Voorrang voor verpleeghuis- en thuiszorgpersoneel is van belang, zegt Nieuwenhuizen. „Wij kunnen niet afschalen, zoals ziekenhuizen, en ouderen op straat zetten. Voor de continuïteit van de zorg moeten we iedereen die daar werkt testen zodra ze klachten hebben. En binnen een dag uitslag krijgen. Of, als er al corona is in het verpleeghuis, ook zónder klachten.”

De schaarse coronatests moeten „zinnig worden ingezet”, zegt Nieuwenhuizen. „Dus niet iedereen in het brede publiek testen, zoals nu, want dat legt te veel beslag op de testcapaciteit.” Verenso heeft een ‘Corona-behandelrichtlijn’ die uitgaat van voldoende spullen – beschermingsmiddelen én tests – en waar ruimte is voor zorgmedewerkers om weloverwogen vanaf te wijken als ze dat nodig vinden. „We moeten niet wachten op OMT en RIVM maar doen wat wíj nodig achten. Toen er in april veel te weinig mondkapjes waren kón je niet afwijken van de richtlijn want ze waren er gewoon niet. Nu kan dat in principe wel, want er zijn voorlopig genoeg mondkapjes.”

Maar er moeten toch veel meer tests worden ingekocht? Was dat niet de basis van het coronabeleid voor de toekomst? „Jawel, maar we werken in de zorg áltijd met schaarste. Je kunt niet alles ongelimiteerd gebruiken. Je moet het zinnig gebruiken. Wat in elk geval níét goed is, is zonder bescherming werken omdat de spullen er gewoon niet zijn.”

De samenleving zal voorlopig moeten leren leven met Covid, zegt Nieuwenhuizen. „We moeten niet de deur wijd open zetten voor infecties. Het liefst worden zo min mogelijk ouderen besmet. Maar als ze het worden, willen we vooral goede zorg geven, tot het laatst.”

V Snel testen

Sneltest niet altijd geschikt

In rap tempo worden wereldwijd tests ontwikkeld die sneller dan de gangbare PCR-test kunnen bepalen of iemand het coronavirus bij zich draagt. Op eerstehulpposten en in ziekenhuizen worden zulke sneltests al gebruikt, om binnen een of twee uur te weten of iemand in isolatie moet worden verpleegd. De uitslag van die test wordt samen met de klachten en bijvoorbeeld een CT-scan van de longen beoordeeld, en gecontroleerd met een reguliere PCR-test. Die testen zijn niet zomaar geschikt voor massaal gebruik in de teststraten.

Voor de teststraten ontwikkelde het RIVM samen met TNO een zogeheten LAMP-test (loop-mediated isothermal amplification-test). Die spoort, net als de PCR-test, genetisch materiaal van het virus op. De LAMP-test geeft binnen een uur de uitslag en hoeft niet in een lab te worden uitgevoerd. In het lab is hij in ieder geval even goed als de PCR. „Een proef in de praktijk start binnenkort”, zegt TNO-woordvoerder Maarten Lörtzer – wanneer precies kan hij niet zeggen. Monsters van mensen die zich laten testen in de teststraat in de RAI in Amsterdam worden dan twee keer getest: met de gangbare PCR en met de nieuwe sneltest. De onderzoekers kunnen zo zien of de sneltest in de praktijk vergelijkbare uitslagen geeft.

Er zijn ook zogeheten antigeentesten in de maak, die eiwitten van het coronavirus detecteren in plaats van het genetische materiaal. Die kunnen binnen een kwartier aangeven of er corona-eiwitten in een afgenomen monster zitten, vergelijkbaar met een zwangerschapstests. In de VS heeft de FDA drie van dergelijke tests goedgekeurd voor gebruik in de kliniek. „In de teststraat van het UMC Utrecht wordt sinds afgelopen dinsdag de antigeentest van fabrikant Abbott getest, naast de gangbare PCR”, zegt arts-microbioloog Marc Bonten. De helft van de bezoekers heeft er een tweede wattenstaaf in neus en keel voor over. „We hebben wel een paar weken nodig voor we kunnen zeggen of de test bruikbaar is in de teststraat”, aldus Bonten. Het RIVM onderzoekt de komende weken de betrouwbaarheid van een aantal sneltests in de praktijk. Voor thuisgebruik zijn de genoemde sneltesten vooralsnog niet geschikt. Het monster moet nog steeds door een professional uit neus en keel worden geschraapt en bewerkt voor de test – al wordt ook gewerkt aan tests op speeksel. Daarnaast geven ze wat vaker een verkeerde uitslag dan de reguliere PCR-test. Mensen kunnen onterecht ervan uitgaan dat ze niet besmet zijn en zo ongewild het virus verspreiden, of ten onrechte denken dat ze wel besmet zijn, waardoor zij en mensen in hun omgeving onnodig in quarantaine moeten. Daarom zijn thuistests nog niet goedgekeurd.

Lees ook: Nieuwe testmanieren om het virus te pakken

VI Bron- en contactonderzoek

Ingehaald door realiteit

Het virus schaalt momenteel sneller op dan het snelste opschalingsplan van de GGD. Als het aantal besmettingen blijft stijgen, zal het bron- en contactonderzoek steeds meer dweilen met de kraan open worden, waarschuwde Sjaak de Gouw, directeur publieke gezondheid van de GGD, dinsdag tijdens een technische briefing over het coronavirus in de Tweede Kamer. Voor iedere besmetting moet de GGD een bron- en contactonderzoek starten. Dat geeft zicht op de verspreiding van het virus en voorkomt, door hun nauwe contacten te waarschuwen, nieuwe besmettingen.

Maar het uitvoeren van het onderzoek staat onder druk. Het opschalingsplan van de GGD’s is al achterhaald. Eind september wil de GGD 1.500 nieuwe onderzoeken per dag op kunnen starten, maar het aantal positieve besmettingen lag woensdag al voor de derde dag op rij boven de 2.200. „En het einde is nog niet in zicht”, zei De Gouw dinsdag tegen de Kamerleden. „De kloof tussen wat wij aan bron- en contactonderzoek kunnen doen en wat er de komende weken nodig wordt is gigantisch groot.” Als het virus zo door blijft woekeren, zal het aantal dagelijkse besmettingen over acht tot negen dagen verdubbelen. „U kent de parabel van de zandkorrels en het schaakbord. Dat gaat op een gegeven moment heel erg hard.”

De vraag naar coronatesten zal volgens ramingen van het RIVM de komende maanden toenemen, tot uiteindelijk zo’n 85.000 duizend tests per dag in februari. De opschalingsplannen voor het bron- en contactonderzoek gingen uit van een besmettingsgraad van 5 procent, zei De Gouw. Vorige week lag de besmettingsgraad op 6,1 procent.

Een „deugdelijk onderbouwd opschalingsplan voor het testen en het bron- en contactonderzoek” kon de GGD vorige week nog niet aan het kabinet leveren, schreef GGD-GHOR-voorzitter André Rouvoet aan minister De Jonge. De plannen zijn door de toegenomen vraag naar testen, de stijgende besmettingsgraad en de dalende naleving van de gedragsregels ingehaald. De GGD’s vragen zich af of steeds verder opschalen van de capaciteit voor het testen en het bron- en contactonderzoek „de meest aangewezen strategie is”. Er moet ook aandacht zijn voor het voorkomen van besmettingen, bepleitte Rouvoet.

Inmiddels passen steeds meer GGD’s de werkwijze van hun bron- en contactonderzoek tijdelijk aan. Zeker 17 van de 25 GGD-regio’s werken „risicogestuurd”. Alle nieuwe besmettingen worden nog nagebeld door een GGD-medewerker, maar als het risico niet te groot is moet de positief geteste zelf zijn of haar nauwe contacten informeren. Dat scheelt de GGD tijd, maar vraagt meer verantwoordelijkheid van de bevolking. Van een groot risico is bijvoorbeeld sprake als de bron in de zorg, kinderopvang of in het onderwijs werkt, er veel nauwe contacten op nahield of in een azc woonde.

Naleving van de gedragsregels blijft hoe dan ook cruciaal, herhaalde De Gouw dinsdag. „In de metafoor leggen wij er iedere week een dweil bij, maar gaat de kraan iedere week twee keer zo hard open. Dat houd je gewoon niet droog.”

VII Politieke eendracht

Speelruimte slinkt

Politieke eendracht was een belangrijk instrument van het kabinet-Rutte III tijdens de eerste golf van de coronacrisis. Het crisisteam van het kabinet concludeerde al snel dat er groot maatschappelijk draagvlak was voor de maatregelen die dit voorjaar genomen werden. In de Tweede Kamer was het draagvlak groot, al pleitten PVV en FVD in het begin voor een zwaardere lockdown.

Nu is de situatie veel lastiger voor het kabinet. Op steun van de oppositie hoeft het kabinet niet te rekenen, en ook in de coalitiepartijen (VVD, CDA, D66 en ChristenUnie) is de kritiek hevig. Dat heeft negatieve gevolgen voor de speelruimte die premier Rutte (VVD) en de ministers Van Ark (VVD) en De Jonge (CDA) hebben. Het krediet dat ze dit voorjaar hadden, hebben ze voor een belangrijk deel verspeeld.

Afgelopen dinsdag bleek tijdens een debat dat de meeste partijen in de Tweede Kamer een direct verband leggen tussen verkeerde keuzes van het kabinet en het afnemende vertrouwen in coronamaatregelen. GroenLinks-fractievoorzitter Jesse Klaver zei dat de tijd van „clementie” voor het kabinet voorbij is. Dat bleek ook uit de bijdragen van de coalitiepartijen CDA, D66 en ChristenUnie. Zo zei Rob Jetten (D66) dat complotdenkers aan invloed winnen „zolang het overheidsbeleid om het virus in te dammen niet op orde is”.

Dat betekent dat fouten zoals die het afgelopen half jaar gemaakt zijn, niet nogmaals kunnen gebeuren zonder grote politieke gevolgen. Complicerende factor is dat de Tweede Kamerverkiezingen, van maart volgend jaar, naderen. In het kabinet zitten twee lijsttrekkers, de ministers Sigrid Kaag (D66) en Hugo de Jonge (CDA). Alom wordt verwacht dat ook premier Rutte opnieuw VVD-lijsttrekker wil worden. Ze hebben twee tegenstrijdige belangen: ze moeten zich onderscheiden en tegelijkertijd eendrachtig de crisis aanpakken. Met name voor De Jonge, die veruit de meeste lastige vragen uit de Kamer krijgt, wordt het belangrijk niet als enige afgerekend te worden.

Hoewel een meerderheid van de bevolking achter het kabinetsbeleid staat, neemt de kritiek toe. Juist de publieke steun had het kabinet hard nodig. In de coalitie wordt erkend dat het draagvlak voor eventuele vergaande maatregelen, zoals een lockdown of strenge handhaving, is afgenomen. De kwestie-Grapperhaus heeft daar sterk aan bijgedragen. Op foto’s van de bruiloft van de minister van Justitie (en CDA’er) was te zien dat hij niet de regels in acht nam die het kabinet de bevolking oplegt. De chaotische afwikkeling van deze zaak maakte het nog erger. Grapperhaus deed een donatie aan het Rode Kruis, kreeg na Ruttes oproep om „mildheid en genade” de zegen van de Kamer, maar kreeg later alsnog een boete.

Lees meer over het debat van dinsdag: Ook coalitie is nu kritisch over coronabeleid van het kabinet

VIII Menselijk gedrag

Geest niet zomaar in fles

Kan de Nederlandse bevolking het wel opbrengen om nog een keer haar gedrag aan te passen om zo de tweede golf van het coronavirus te stuiten? Zoals eerder deze week bleek bij het #ikdoenietmeermee-protest van een aantal bekende Nederlanders, zijn er veel mensen die het moeilijk vinden om te gaan met het open einde van de coronacrisis.

Peter Achterberg, hoogleraar sociologie aan Tilburg University, ziet deze ophef als „een schot voor de boeg”. Hij denkt dat de overheid het zwaarder gaat krijgen dan bij de eerste golf om mensen tot het juiste gedrag te bewegen. „In maart had niemand nog een idee van wat deze ziekte precies inhield, dus hield men zich vast aan wat een instituut als het RIVM verkondigde. Inmiddels hebben we een half jaar zelf kunnen zien wat corona doet. Mensen komen daarom nu zelf tot een afweging van wat zij denken dat zinnig gedrag is nu de besmettingen weer oplopen.”

Daarin zal ook meespelen dat iedereen een persoonlijke afweging maakt over de impact die dat zal hebben op zijn eigen leven, zegt Achterberg. „Kijk, ik heb het bijvoorbeeld relatief makkelijk. Ik verzorg vanuit huis mijn colleges en drink tussendoor een kopje thee met mijn kinderen. Best gezellig. Maar er zijn ook mensen voor wie een hernieuwde inperking van de bewegingsvrijheid flinke consequenties heeft op persoonlijk en professioneel vlak, soms met flinke financiële gevolgen. Die zullen nu misschien tot een andere afweging komen dan in het voorjaar.”

Een belangrijk verschil met de eerste golf is ook dat er nu veel meer informatie voorhanden is dan toen. Achterberg: „In maart en april moesten we het doen met wat Van Dissel en Rutte ons vertelden. Inmiddels zijn er veel meer stemmen waarnaar je kan luisteren, inclusief die van figuren als Willem Engel van Viruswaarheid. In zo’n complex informatiesysteem is het voor de overheid moeilijker haar geluid te laten doordringen. Die geest gaat niet zomaar weer in de fles.”

Ondanks deze drie nieuwe verstorende factoren – eigen ervaringen, andere belangen dan het collectief, een veelvoud aan stemmen – is Achterberg niet pessimistisch over de komende maanden. „Je ziet nog steeds dat de meerderheid van de Nederlanders bereid is zich aan de regels te houden. Kleine dingen als afstand houden en geen handen geven zijn bij veel mensen toch behoorlijk ingesleten. Hopelijk gaan we het daarmee redden.”

Lees ook: Meer vrijheid vraagt van burgers meer zelfbeheersing

IX De nadelen van thuiswerken

En dat brainstormen dan?

‘Werk zoveel mogelijk thuis.’ Wat betekent dat? Voor veel werkgevers betekent dat nu, in september, in ieder geval iets anders dan half maart. Toen vroeg premier Rutte voor het eerst om het kantoor te mijden, voor zover dat kan. Werkgevers gaven er massaal gehoor aan, weet techbedrijf Google op basis van telefoondata. Het aantal mensen op werk halveerde ten opzichte van begin dit jaar.

Nu bedraagt die daling nog maar een kwart. Werknemers keren terug op de werkvloer en het aantal besmettingen loopt daar op. Ook in relatieve zin: afgelopen week was 11 procent van de herleidbare positieve tests terug te voeren op een besmetting op de werkplek, volgens het RIVM. Eerder was dat 9 procent.

Hoe gaan werkgevers hiermee om? Een paar zijn streng gebleven. Bij de Belastingdienst, zegt een woordvoerder, is niets veranderd ten opzichte van maart. „Los van cruciale processen werken alle medewerkers zo veel mogelijk thuis.” Werknemers van de Rabobank mogen ook naar kantoor komen als thuiswerken écht heel lastig is, zegt een woordvoerder. „Als ze anders op het randje van hun bed moeten werken, of thuis in een enorme verbouwing zitten.”

Maar de meeste werkgevers hebben hun capaciteit vergroot, ziet werkgeversvereniging AWVN, die bedrijven adviseert. „In maart ging iedereen radicaal thuiswerken”, zegt een woordvoerder, „daarna kwam er meer oog voor de nadelen.”

Zo is brainstormen in een videovergadering praktisch onmogelijk, ondervond Bert Wisniewski, directielid van marketingbureau Redmatters, tijdens de lockdown. „Als we een nieuwe campagne moesten verzinnen misten we de lol en de energie, even gek doen.” Nu komt de helft van zijn team op maandag en vrijdag naar kantoor, de andere helft op dinsdag en donderdag.

Bij telecombedrijf KPN misten werknemers het contact met hun collega’s, zegt Lisette Oosterbroek, die zich bezighoudt met personeelsbeleid. Het aantal mensen op kantoor is gegroeid van zo’n honderd tijdens de lockdown naar achthonderd nu. Voor corona waren er dagelijks gemiddeld zo’n 5.500 mensen op kantoor.

IT-bedrijf Capgemini zit alweer op een kleine 40 procent van de oude capaciteit en wilde over de 50 procent gaan. De alarmerende persconferentie van vrijdag bracht daar verandering in, zegt HR-directeur Ellen Schuit. „Toen hebben we besloten maximaal naar 45 procent te gaan.”

Werkgevers blijven voorzichtig, zeggen ze. Een uitbraak onder het personeel is het laatste wat ze willen. Oosterbroek: „Wij willen echt dat onze diensten blijven draaien.”

Lees ook: Videovergaderen doet pijn aan je brein. Zo gaat het beter