Reportage

Amsterdam Fashion Week: Tussen Kunst en Kleding

Mode Amsterdam Fashion Week hield live presentaties, maar wel kleinschaliger. Op afstand, maar niet afstandelijk.

Vivian Zandhuis beschilderde overschotten van Batavia Stad.
Vivian Zandhuis beschilderde overschotten van Batavia Stad. Foto Peter Stigter

In andere omstandigheden had Danie Bles Amsterdam Fashion Week niet snel voor een avond verplaatst naar Wassenaar. Maar na de evenementarme coronazomer durfde de creatief directeur en eigenaar van de modeweek een presentatie plus borrel aan in Museum Voorlinden, waar inderdaad veel animo voor was.

Amsterdam Fashion Week, die vorige week dus ook buiten Amsterdam plaatsvond, zou zomaar de enige modeweek kunnen zijn zonder digital-only-shows en presentaties. Voor de Amsterdamse modeweek is dat gemakkelijker dan die van bijvoorbeeld Parijs of Milaan. Er komt veel minder publiek op af, en al helemaal weinig internationale pers en inkopers, die nu te maken hebben met reisbeperkingen, of nu liever niet reizen.

Om te zorgen dat gepaste afstand kon worden gehouden en niet te veel mensen tegelijk op de locaties waren, werden de meeste presentaties en shows meerdere keren achter elkaar gehouden. Soms werden mondkapjes uitgedeeld, al werd daar niet gretig gebruik van gemaakt.

De modeweek begon vorige week donderdag in Paradiso met de presentatie van de collectie voor voorjaar 2021 van Elzinga, het label van Lieselot Elzinga en Miro Hämäläinen. De collectie was een ode aan het nachtleven dat nu stilligt, en aan de beroemde foto’s die Max Natkiel in de eerste helft van de jaren tachtig maakte in Paradiso. Op het podium speelde vrouwenband The Klittens, gekleed in wijde, korte organza jurken en met torenhoge toeven op het hoofd, modellen droegen korte jurken en robe manteaus met grote, bolle mouwen. Als decor waren er metershoge ‘straatfoto’s’. Op zich allemaal erg aanstekelijk, maar de lege zaal maakte ook duidelijk hoeveel publiek bijdraagt aan sfeer.

Beeldende kunst is dol op mode

Museum Voorlinden was de locatie voor de presentatie van Kassl Editions, een Nederlands merk dat snel naam heeft gemaakt met minimalistische jassen van gecoate stof en rubber, en gevulde ‘pillow bags’.

De bijna manshoge ‘kussentas’ die in een van de eerste zalen stond opgesteld, was grappig en werkte goed, maar gaandeweg werd de presentatie soms pijnlijk pretentieus. Beeldende kunst is vaak dol op mode en vice versa, en een enkele keer komen de twee heel dicht bij elkaar. Maar als mode te graag met kunst geassocieerd wil worden of kunst wil zijn, gaat het bijna altijd mis.

Tussen de werken uit de eigen collectie van het museum waren zowel collectiefoto’s, een nieuwe tassencollectie en kleurstalen opgehangen als in opdracht gemaakte werken, zoals een video van modecollectief Studio PMS, een ‘sculptuur’ van de kaartjes die aan de jassen hangen van scenograaf Bob Verhelst, die de tentoonstelling had ingericht, en een beeld van de Vlaamse kunstenaar Leendert Van Accoleyen: een gekerfde houten paal met wielen onder en boven, en een jas eraan.

Alle toevoegingen waren voorzien van dezelfde naambordjes als bij de kunst hangen. De gids, in elk geval die van mijn groep, sprak over de Kassl-werken op dezelfde manier als over de Voorlinden-kunst. Bij een rij gekleurde rondjes op een muur – de kleuren van de jassen – vertelde ze hoe tijdloos ze zijn en dat ze zo lang meegaan. Tegenwoordig een geliefd verkoopverhaal, maar het pas twee jaar oude merk moet dat nog maar zien waar te maken. Dat het werk van Van Accoleyen juist een commentaar was op de ‘gaat-lang-mee-marketing’ („Tot de industriele revolutie deed iedereen dat, nu is het marketing voor selecte groep samenleving.”) werd bij de omschrijving van het werk niet verteld.

Lees ook: De modewereld is even uitgekleed.

Duran Lantink, die van onverkochte designermode nieuwe ontwerpen maakt, presenteerde dit keer geen eigen werk, maar dat van een door hem geselecteerde groep jonge ontwerpers, die aan de slag waren gegaan met overschotten van outletmall Batavia Stad. Daar zaten bijzondere collecties bij, zoals de draagbare schilderijen (beschilderde kledingstukken) van Vivian Zandhuis, de kleding met een wateroplosbaar laagje eroverheen van Michiel van Maaren en even woeste als geestige pisgele creaties van Simon Keizer, geïnspireerd op ‘de menselijke blaas en alles wat daaruit komt’, die alledrie werden gepresenteerd met energieke performances.

Grijpmachines en een luchtkussen

Net zo geslaagd was de setting: in het lege pand aan het Rokin waar ooit V&D zat, was een kermis opgebouwd, compleet met zweefmolen (met kledingstukken eraan), grijpmachines, een enorm luchtkussen en oorverdovende kermisherrie. In de woorden van Lantink: een gecancelde kermis met gecancelde mode in een gecanceld warenhuis.

In datzelfde warenhuis was een presentatie annex pop-upshop van Reconstruct , een collectief van vijf ontwerpers die van tweedehandskleding uitgesproken, jonge mode maken, en een van de twee ‘echte shows’ van deze Nederlandse modeweek; die van Cruèl, het merk van de jonge ontwerper William Ampofo, dat het soort mode met een streetwearbasis maakt waar bijvoorbeeld het Amerikaanse Alyx groot mee werd.

De andere show was vrijdagmiddag van het Belgische modehuis Natan, geliefd bij koninginnen, prinsessen en andere vrouwen die er graag modieus-representatief uitzien, en voor de tweede keer aanwezig op de modeweek, dit keer op de trappen en het terras van filmmuseum Eye. Hoogtepunt van de zomerse show waren de vrolijk gekleurde en vaak asymmetrisch gesneden lange feestjurken, die je onwillekeurig terugbrachten naar de coronacrisis: zouden er volgend jaar weer het soort feesten gehouden kunnen worden waar je zoiets kunt dragen?

Dramatische maskers

Tijdens de lockdown had Ronald van der Kemp, wereldberoemd met zijn demi-couture van restmaterialen, een presentatie zonder publiek gehouden in hotel De L’Europe: voor de verlichte ramen stonden modellen in couturejurken en bijpassende, dramatische maskers. Die maskers werden tijdens de modeweek tentoongesteld en online geveild. Van der Kemp vertoonde ook de video die in première is gegaan tijdens de online coutureweek van Parijs, afgelopen juli, en die bestond uit acht, door verschillende regisseurs gemaakte, ultrakorte films rond zijn nieuwe collectie.

Aan de gevel van De L’Europe was een scherm gehangen, op de balkons erboven stonden in de nieuwe collectie geklede poppen, jurken uit oudere collecties waren daar als een soort slingers boven gehangen en model/zanger Jelle Haen zong het publiek, dat in boten voor het hotel lag, toe – een letterlijk afstandelijke presentatie die toch emotie wist over te brengen.

Dat laatste lukte ook bij de eerste modeweekpresentatie van Bodil Ouédraogo, vorig jaar afgestudeerd aan de Rietveld Academie. In het land waar haar vader vandaan komt, Burkina Faso, had ze met fotograaf Anne Lakeman een video gemaakt met dansers in een grand boubou, een pak voor mannen dat bestaat uit een boubou ( wijd gewaad), een djellaba, en een broek. Het is volgens haar het tegenovergestelde van westerse couture, die is gevormd is naar het lichaam: „In een grand boubou kun je niet lullig blijven staan, die heeft beweging nodig.”

De fraaie video werd in een zaaltje in het Stedelijk Museum niet alleen geprojecteerd op de muur, maar ook op de groep Nederlandse, zwarte dansers ervoor, die gekleed waren in door Ouédraogo gemaakte boubous en broeken van transparant plastic. Mode die ontroert en aan het denken zet over de betekenis ervan: je zou het bijna kunst noemen.