Gerrit van Dijk, een geëngageerde dwarsligger

Achtergrond animatiefilmer Over Gerrit van Dijk gaat een aangrijpende documentaire in première op het NFF. Ook verschijnt een boek over de eigenzinnige animator, die in 2012 overleed.

Beeld uit de documentaire ‘Gerrit van Dijk – Ik tel mijn tekeningen’.
Beeld uit de documentaire ‘Gerrit van Dijk – Ik tel mijn tekeningen’. Foto’s Emma Westermann/Pieter van Huystee Film & TV

Op 18 mei 2012 krijgt animatiefilmer Gerrit van Dijk slecht nieuws: hij is ongeneeslijk ziek. ‘Wat moet ik dan nog doen’, vraagt hij zich af. Hij besluit niet bij de pakken neer te zitten en neemt zich voor iedere dag één tekening te maken, als een soort dagboek. Zoals hij in de treffende documentaire zegt die Emma Westermann over hem maakte: „Ik tel mijn dagen, ik tel mijn tekeningen.” Alle tekeningen moeten zijn laatste animatiefilm worden, hoe langer hij nog leeft, hoe langer de film: „De tijd maakt de film.” Van Dijk houdt het nog zeven maanden vol, hij sterft op 4 december 2012.

Gerrit van Dijk – Ik tel mijn tekeningen gaat over Van Dijks laatste maanden. Westermann gaat met hem terug naar Volkel, waar hij geboren werd in een eenvoudig boerengezin. Zijn constatering dat hij nooit aan zijn ouders heeft kunnen uitleggen wat hij eigenlijk deed is roerend. Hij weet ook niet of zij ooit een film van hem hebben gezien. Hij bezoekt de kerk met de kruiswegstaties van kunstenaar Hugo Brouwer die hem als jongetje inspireerden: dit wil ik ook. Aangrijpend is de scène waarin hij het kerkhof bezoekt waar zijn ouders liggen en Van Dijk zich plotseling realiseert dat zijn moeder stierf op dezelfde leeftijd als hij op dat moment heeft. Verder is hij nuchter over de dood.

Westermann doorspekt de wandelingen die ze met Van Dijk maakte, vooral door zijn woonplaats Haarlem, met beelden uit zijn animatiefilms en ander archiefmateriaal. In zijn zwarte pak en met altijd een zwarte hoed op is Van Dijk een markante verschijning, vaak ook met onafscheidelijke sigaret in de hand. Zijn vrienden overwogen nog even hem te begraven in een kist met de vorm van een pakje zware shag. Dit valt te lezen in het boek dat onlangs over de Haarlemse animator verscheen: Gerrit van Dijk, hommage aan een inspirerende dwarsligger. Het rijk geïllustreerde boek biedt onder meer een uitputtend verslag van alle ludieke acties van Van Dijk en zijn kunstbroeders tegen het (Haarlemse) establishment. Zijn engagement vond ook zijn weg in zijn animaties, culminerend in het Jute-project. In die reeks leverde hij samen met drie andere kunstenaars maandelijks commentaar op de toen actuele politiek. Zo slaan in The End (1981) de presidenten van Rusland en Amerika om beurten met hun vuisten op de aardbol, die op het eind dan ook ontploft. Juist omdat deze films verbonden zijn aan contemporaine nieuwsberichten, voelen ze anno 2020 wat gedateerd aan. Wel geven ze een uitstekend beeld van die tijd, eind jaren zeventig. Hoewel hij een luis in de pels was van de Haarlemse gemeentepolitiek ontving hij toch de erepenning van Haarlem, waar hij erg trots op was. In zijn trofeekast prijkten onder veel meer ook twee Gouden Beren (voor het samen met Monique Renault gemaakte Pas à deux en I Move, So I Am) en een Gouden Kalf (voor A Good Turn Daily).

Daarnaast zette Van Dijk zich in om animatie in Nederland op de kaart te zetten. Zo was hij betrokken bij de oprichting van het Holland Animation Film Festival (HAFF) en het Nederlands Instituut voor Animatiefilm (NIAf). Tijdens Van Dijks ziekbed bezuinigde Halbe Zijlstra het NIAf weg, het HAFF is vorig jaar opgegaan in het Kaboom Animation Festival.

Beeld uit de documentaire ‘Gerrit van Dijk – Ik tel mijn tekeningen’.

Foto’s Emma Westermann/Pieter van Huystee Film & TV

Voor Van Dijk was animatie de ultieme vorm van filmmaken: een combinatie van muziek, beeld, geluid en timing: „je hebt alles in de hand”. Vorm is daarbij niet heilig, die moet je zelfs „ontheiligen”. Naar eigen zeggen deed hij in zijn films onderzoek naar het Sublieme, een aspect dat in het boek over Gerrit van Dijk beter uitgewerkt wordt door Herman Heijn: „Het sublieme of verhevene geeft mensen immers een tweeslachtige ervaring van onlust en lust […] Het sublieme is bovendien het tegenovergestelde van amusement.” Zo streed Van Dijk jarenlang tegen de hegemonie van Disney, maar zoals hij in de documentaire zegt: „Die [strijd] zal ik wel verliezen.” Zijn verzet tegen Disney uitte zich onder meer in een speels project, de ‘MM was here’-serie, waarbij hij de oren van Mickey Mouse op oude, op rommelmarkten gevonden portretten schilderde. Zelf deed Van Dijk geen concessies, noch in zijn opvatting over het ambacht, noch over zijn stijl, zoals blijkt uit het boek over hem: „Voor mij is en blijft kunst een elitair gebeuren. […] Voor mij gaat het niet zozeer om drempelverlaging, maar meer om verbreding van de kunst: niet alleen esthetisch bezig zijn, maar ook inhoudelijk.”

Dat humor daarbij belangrijk was, blijkt vooral uit zijn latere films, waarin op vaak amusante en vloeiende wijze de populaire cultuur een relatie aangaat met hoge kunst. Het mooist in Pas à deux, een dansduet tussen voortdurend in elkaar overvloeiende personages, onder wie Popeye, Jezus, de paus, tante Sidonia en vele anderen. Met op de geluidsband allerlei historische verwijzingen: een flard uit een speech van Martin Luther King, een stukje dialoog uit de film East of Eden, een geëmotioneerde verslaggever bij de Tour de France-winst van Jan Janssen.

De dwarsheid en de eigenzinnige humor van Gerrit van Dijk blijkt daarnaast uit de tien lessen die kleinzoon Sem Anne van Dijk van hem opstak. Zoals:

– Leg voor je werk nooit verantwoording af bij anderen. Doe wat jij denkt dat goed is.

– Irritant zijn is niet erg. Het getuigt juist van initiatief en doorzettingsvermogen.

– Overdrijf je verhalen, je grapjes of je geklaag altijd een beetje. Veel effectiever. Met name bij familieleden, vrienden en gemeenteraadsleden.