Eché Janga over opening NFF: ‘Een ritueel kan berusting brengen’

Interview | Eché Janga ‘Buladó’, de tweede film van Eché Janga, is openingsfilm van het Nederlands Film Festival. „Hier vinden we aftakeling en de dood pijnlijk om te zien; in Midden- en Zuid-Amerika is het meer een onderdeel van het dagelijks leven.”

De grootvader van Kenza (Tiara Richards) stimuleert haar om op een spirituele manier bezig te zijn met haar overleden moeder.
De grootvader van Kenza (Tiara Richards) stimuleert haar om op een spirituele manier bezig te zijn met haar overleden moeder. Foto Gregg Telussa

Magisch-realistische elementen zie je niet vaak in een Nederlandse familiefilm, al helemaal niet als die bedoeld is voor een breed publiek. Volgens regisseur Eché Janga (1978) zouden ze in de toekomst vaker kunnen opduiken; zodra er meer filmmakers zijn die wortels hebben in culturen waar mystiek sterker aanwezig is, zoals Curaçao.

Zijn tweede film, Buladó, opent de veertigste editie van het Nederlands Film Festival en kijkt naar de dood door de ogen van de elfjarige tomboy Kenza (Tiara Richards). Ze heeft haar overleden moeder nooit gekend. Haar vader (Everon Jackson Hooi), met wie ze in een dunbevolkt deel van Curaçao woont, is nuchter: wat je nooit hebt gekend, kun je niet missen. Haar grootvader (Felix de Rooy) stimuleert het meisje op een meer spirituele manier met haar moeder bezig te zijn. Tegelijkertijd blijkt opa een dronkaard die mentaal aftakelt. Hoe serieus moet Kenza de oude man nemen die zich graag uitdost in traditionele Caquetio-klederdracht?

Flamboyante oom

Janga’s moeder is Nederlands, zijn vader geboren en opgegroeid op Curaçao. De meer spirituele kanten van het eiland kreeg de regisseur mee via een flamboyante, Antilliaanse oom bij wie hij een tijdje woonde.

De regisseur noemt zichzelf een agnost, maar ziet de waarde van de meer spirituele manier waarop met de dood wordt omgegaan in Midden- en Zuid-Amerika. Als voorbeeld noemt hij de Mexicaanse Dag van de Doden. „De dood wordt daar echt gevierd, overal zie je skeletten. Het is daardoor meer een onderdeel van het dagelijks leven. Net zoals een geboorte. Hier in het Westen vinden we aftakeling en de dood pijnlijk om te zien; we stoppen onze ouders in bejaardentehuizen zodat we er niet naar hoeven te kijken.”

Fantasie en rituelen kunnen volgens hem de harde realiteit verzachten, ook voor niet-gelovigen. „Hier doen we er een beetje lacherig over; een ‘dansje’ of ritueel uitvoeren verandert toch niets als iemand ziek is of sterft? Maar het zorgt ervoor dat je je energie kwijt kan, je verdriet kan uiten. Dat kan berusting brengen.”

Het acteertalent van de debuterende Richards is opmerkelijk: met één blik brengt ze haar twijfel of ongeloof over. Janga vond zijn hoofdrolspeelster na een zoektocht op Curaçaose scholen. Vooral haar brutaliteit viel op. Volgens hem stuur je kinderen bij het regisseren meestal spelenderwijs en via veel complimenten. „Bij haar werkte het vooral om te zeggen dat ze iets níét kon.” Waarna Richards alles deed om het tegendeel te bewijzen. Het was soms onderhandelen, ook door het bijgeloof op het eiland. Janga: „Zo wilde Tiara niet op een familiegraf liggen tijdens de opnames omdat ze bang was dat de geesten haar daarna zouden lastigvallen.” Lachend: „Ik heb toen aan de overledenen moeten vragen of ze bij mij wilden komen spoken en niet bij haar.”

Het magische gevoel van de film ontstaat behalve door de aandacht voor mystiek door de soms onwereldse filmlocaties. Zoals desolate, winderige vlaktes. Bandabou, waar het huis van Kenza’s familie staat, is een prachtig maar vijandig gebied, legt Janga uit. „Het is er heel heet en droog en de grond bestaat uit scherpe gestolde lava en koraal zodat je er bijna niet op slippers kunt lopen.” Shots van massatoerisme, witte stranden en palmbomen ontbreken want dat kennen de kijkers wel, denkt de regisseur. Het enige moment dat een meer toeristische kant van het eiland wordt belicht, is als Kenza’s grootvader een traditionele hoofdtooi gaat bekijken in een museum. De oude man weigert entree te betalen. Janga: „De cultuur, taal en rituelen van de voorouders van dit personage werden door Spanjaarden en Nederlanders afgenomen en verboden. Het is dus best gek dat hij nu zou betalen om dat soort cultuurobjecten te zien. Ook omdat de kans groot is dat een museum daar is neergezet door een ex-kolonisator. Het idee voor de scène kwam onder meer na het zien van de privéstranden op Curaçao die nu in handen zijn van westerlingen en waar je moet betalen als je op een strandstoel wilt liggen. Ik zag lokale bevolking met hun eigen stoeltjes dat strand op wandelen.”

Janga wilde geen activistische film maken waarin mensen worden neergezet als daders of slachtoffers, „maar je kunt die verwijzingen naar het koloniale verleden er niet uitlaten. Het is onderdeel van het dagelijks leven; dat er zoveel armoede is heeft daarmee te maken. Bovendien is het ook Nederlandse geschiedenis, die mooie en minder mooie aspecten heeft.”

Mythe

De verhaallijn rond Kenza’s grootvader is gebaseerd op een mythe die al decennia in Janga’s familie wordt doorverteld en die hij zelf leerde kennen via zijn oom. „Tot slaaf gemaakten die de zoutpannen waren ontvlucht, konden naar een berg gaan. Als ze niet van het zout hadden gegeten, konden ze daar afspringen en zouden ze vleugels krijgen waarmee ze terug naar Afrika konden vliegen.”

De film geeft een meer hedendaagse invulling aan de saga. Janga: „In feite gaat het over een wanhoopsdaad: als je vluchtte op Curaçao, was dat anders dan in Amerika of Jamaica. Daar is het land vruchtbaar en konden tot slaaf gemaakten in leven blijven. Op Curaçao was het enorm droog en stierf je gewoon.”

Janga gebruikt de mythe dus om het te hebben over het najagen van vrijheid. „Iedereen vult ‘vrijheid’ anders in: voor sommigen is dat het kopen van een Porsche, voor deze personages is vrijheid het kiezen van je eigen dood of het opeisen van de liefde van je vader.”