Reportage

Droogte en springtij zorgen voor zoute zomer

Verzilting Deze week zakt de wateraanvoer flink en was het springtij, waardoor verzilting dreigt. Klimaatverandering maakt het aanvoeren van voldoende zoet water steeds lastiger.

De Waaiersluis in Gouda moet de Hollandsche IJssel van zoet water voorzien.
De Waaiersluis in Gouda moet de Hollandsche IJssel van zoet water voorzien. Foto Walter Herfst

De deuren van de Waaiersluis in Gouda staan open. Drie kubieke meter per seconde stroomt er de Hollandsche IJssel in. Zoet water dat de rivier tussen Rotterdam en Utrecht dezer dagen bijzonder goed kan gebruiken.

Rijkswaterstaat laat samen met verantwoordelijke waterschappen water vanuit oostelijke richting in, om de verzilting van de Hollandsche IJssel tegen te gaan. „Met succes”, zegt Marlous van Herten, adviseur zoetwatervoorziening bij Rijkswaterstaat. „We hebben dit voor het eerst tijdens de droge zomer in 2018 gedaan. Binnen een dag zagen we de zoutgehaltes dalen.”

Het westen van Nederland wordt in de zomer zouter. Er stroomt relatief weinig water vanuit de rivieren naar zee. Deze week zakt de aanvoer van water uit de Rijn tot onder de duizend kubieke meter per seconde, minder dan de helft van de gemiddelde afvoer. Er is bovendien droogte.

De huidige zomer behoort tot de 5 procent droogste zomers ooit gemeten. En er komt soms veel zeewater binnen. Met het tweewekelijkse springtij, zoals afgelopen weekeinde, kan het zout via de Nieuwe Waterweg diep het land indringen, en de monding van de Hollandsche IJssel bereiken. Als een tong likt het zout over de bodem van deze min of meer doodlopende rivier, die in open verbinding staat met de zee, tot aan Gouda.

Tenzij je maatregelen neemt.

Stootkussen tegen zout water

Marlous van Herten pakt een flesje water uit haar rugzak, voor driekwart gevuld. „Zie je de lucht in het flesje? Beschouw dat als zoet water. Dat kan als een stootkussen fungeren tegen het zoute water. Een zoetwaterbel.” Zo werkt het ook in de Hollandsche IJssel.

Zout kan via de Nieuwe Waterweg diep het land in

We wandelen van de Waaiersluis in Gouda naar het boezemgemaal Gouda, van waaruit het water naar de binnenwateren wordt geleid. Dat water moet sowieso altijd uit de rivier naar binnen wordt geslurpt, want de veendijken moeten nat blijven en de bodem ook.

Maar dat water moet dan wel zoet zijn, legt Gelske van Beusekom uit, beleidsadviseur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. „Er is landbouw die gebruikmaakt van ons water: akkerbouw, boomkwekerijen, en glastuinbouw. Daarnaast is het belangrijk voor vissen en waterplanten om het water voldoende zoet te houden. Kwetsbare natuur in het algemeen is gevoelig. Daarom sturen wij op de zoutconcentraties.”

Ook drinkwaterbedrijven willen natuurlijk zo min mogelijk zout in hun water en ook de industrie heeft er last van, vertelt Marlous van Herten. „Als de industrie zout water inlaat, slaat corrosie aan materialen toe.” Voor alle duidelijkheid: we hebben het over zilt water en niet over zout water. Gelske van Beusekom: „Een emmer zoet water waarin je twee koppen zout gooit, is zeewater. Waar onze grens ligt is: een derde eetlepel zout in een emmer water.”

Nationale regenton

De roep om maatregelen wordt de komende jaren alleen maar groter: klimaatverandering leidt tot een hogere zeespiegelstijging én bij tijd en wijle tot heel lage afvoeren van rivierwater. Bovendien zijn met de groei van de Randstad steeds meer inwoners en bedrijven afhankelijk van voldoende zoet water.

Vandaar de toegenomen aandacht voor Neêrlands ‘nationale regenton’, het IJsselmeer, en de ‘zoetwaterbellen’ op de Hollandsche IJssel en de Lek. Nu nog moeten we gemiddeld eens in de tien jaar zoet water van elders aanvoeren om de verzilting tegen te gaan, vertellen de watermanagers, maar straks is dat naar verwachting eens in de twee jaar.

Een imposant waterstaatkundig bouwwerk is de Waaiersluis allerminst, hoe pittoresk ook. Toch is de sluis cruciaal om delen van de Randstad te blijven voorzien van zoet water. Via de sluis stroomt water vanuit de gekanaliseerde Hollandsche IJssel naar binnen. Dat water is sinds deze week deels afkomstig van het Amsterdam-Rijnkanaal, en wordt daar via het regionale watersysteem naartoe geleid.

Ook wordt in tijden van verzilting, zoals deze week, water vanuit de Lek naar de Hollandsche IJssel geleid, via de kleine slootjes in het slagenlandschap van de Krimpenerwaard. „En dat moeten we vaker gaan doen”, vertelt beleidsadviseur Gelske van Beusekom van het hoogheemraadschap. „We willen die route daarom robuuster maken zodat het water gemakkelijker en veiliger door kan stromen.”

Achterwaartse verzilting

De verzilting valt nu nog mee. Als het springtij is, en er bovendien een noordwesterstorm staat, dan kan het zeewater verder reiken dan alleen de Hollandsche IJssel. „Dan kan het water de hoek om gaan”, zegt Marlous van Herten. „Dan stroomt het richting het Spui.”

In dat geval is sprake van ‘achterwaartse verzilting’: als het zout via het Spui en de Dordtsche Kil in het Haringvliet en het Hollands Diep terechtkomt. „Dat blijft daar dan lang hangen. Je krijgt het er bij lage rivierafvoeren moeilijk weg.” Dat is geen prettig vooruitzicht; het water in dit gebied, onder meer dat van het Brielse Meer, is een belangrijke zoetwatervoorraad voor de Rotterdamse haven, voor de sloten, plassen en kanalen, en ook de tuinbouw in het Westland.

De Hollandsche IJssel krijgt bij dreigende verzilting water van elders. Daarnaast worden ook andere maatregelen ingezet. Het sluiten van de Haringvlietsluizen bijvoorbeeld, zodat er meer rivierwater via de Nieuwe Waterweg naar zee stroomt. „Om zo veel mogelijk tegendruk te geven”, zegt Marlous van Herten. Ook gaan bij een storm tijdelijk de Volkeraksluizen dicht. „We overleggen dan met de beheerders rond het Volkerak-Zoommeer of daar ruimte is om het een paar dagen zonder aanvoer van zoet water te kunnen uithouden.”

Vooralsnog denken de watermanagers in Nederland de komende decennia voor voldoende zoet water te kunnen zorgen. Pas later komt de vraag aan de orde of er misschien grootse, dure maatregelen nodig zijn. Zoals het afsluiten van nog meer zeearmen.

Die maatregelen zijn bovendien niet nodig als de bestaande watermanagers goed samenwerken. De ene regio moet bereid zijn de andere regio te helpen; het ene waterschap moet weten wat het andere doet, en wat Rijkswaterstaat doet. „Het is als in een goed huwelijk: geven en nemen”, zegt Gelske van Beusekom. „In tijden van droogte en waterschaarste wordt het huwelijk op de proef gesteld, maar het overleg blijft.”

Marlous van Herten: „De vraag is steeds wat goed is voor het systeem als geheel en waar het water het hardst nodig is. Iedereen doet z’n best elkaar te helpen.”