De telefoon is altijd bijna leeg als ik bel

Vanuit de VS schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: De nieuwe generatie heeft continu contact. Maar niet met hun ouders.
Illustratie Eliane Gerrits

Kinderen, moeders, broers, vrienden die een oceaan verder wonen, het valt niet altijd mee. Maar in deze tijd waarin niemand elkaar meer opzoekt en elke omhelzing levensgevaarlijk kan zijn, maakt het niet uit hoe ver weg je bent. Online zijn we allemaal naaste buren. Gelukkig is er FaceTime, Skype, WhatsApp en wat al niet meer, waarmee we direct in elkaars huiskamer zijn. Zo dichtbij, dat je de twinkeling in de ogen ziet, of de wallen eronder.

Dat wil zeggen, als mensen hun telefoon opnemen. En daar wringt het nog weleens. Zeker bij de jongste generatie, de slaven van de sociale media. U kent de clichés. Ze zitten vastgelijmd aan hun telefoon, wisselen permanent appjes en filmpjes uit en zijn continu verbonden. Ja, met elkaar, maar niet met hun ouders.

Vorige week was het weer eens zover. Ik probeerde mijn dochter te bereiken. Dringend had ik haar gegevens nodig. Geen gehoor, zelfs na meerdere pogingen. Ook op de berichtjes werd niet gereageerd. Toen ze eindelijk terugbelde – heel veel later, het was al vroeg in de ochtend bij haar – was haar excuus: „O, sorry, mam. Ik had nog maar 1 procent.”

Die 1 procent is een gevleugelde uitdrukking in ons gezin. Dan heb ik het niet over de 1 procent rijksten ter wereld, de happy few, de miljonairs, of de eenprocentsregeling, waaruit kunst voor publieke werken wordt gefinancierd. Nee, ik doel op het bovennatuurlijke verschijnsel dat uitgerekend als ík bel, de batterij van hun telefoon bijna leeg is. Alsof de elektronica het spontaan opgeeft als ik aan de lijn hang. Ze kunnen misschien nog net hallo zeggen, maar dan moeten ze toch echt het gesprek stoppen. Want er moet nog wel een laatste druppeltje stroom overblijven voor een noodgeval of een poezenplaatje voor een vriendin. „Ja, sorry, ik moet nu echt ophangen.”

Kijk, dat excuus had ik vroeger niet, in die prehistorische tijd van de vaste telefoonverbinding. Als je de hoorn opnam, was je de sigaar. Dan hing je, letterlijk, aan het telefoonsnoer. Met elektriciteit die bleef stromen.

Natuurlijk hebben we in de loop der tijd de nodige maatregelen getroffen. Zo liggen er overal opladers. Maar alsof de duvel ermee speelt, zijn die altijd weg als het erop aankomt. Dat ligt vanzelfsprekend nooit aan de kinderen. Vrienden hebben ze meegenomen. Meestal vind ik ze later terug in een rugzak. Ook kregen ze voor hun verjaardag draagbare opladers. Maar die zitten altijd in een andere rugzak.

Gek genoeg verwachten ze van mij wel dat ik altijd meteen opneem. Met het ik-heb-maar-1-procent-excuus hoef ik niet bij hen aan te komen. „Je moet hem gewoon vaker opladen, mam. Kwestie van goed plannen, hè.”

Ach, het zal de moderne tijd wel zijn. Gelukkig is daar mijn negentigjarige moeder nog. Elke dag bel ik haar, het zijn tenslotte zware tijden. Ze neemt altijd op omdat ze het heerlijk vindt om van mij te horen. Maar gisteren, halverwege het gesprek, zei ze plotseling: „O, ik moet stoppen. Ik heb nog maar 1 procent.”

Ik ga ook maar even opladen.

Reacties naar pdejong@ias.edu