Opinie

Appèl komt alleen aan als de overheid ook zelf urgentie uitstraalt

coronamaatregelen

Commentaar

De maatregelen die het kabinet vrijdagavond afkondigde om het stijgende aantal coronabesmettingen in zes regio’s te beteugelen, hebben weinig om het lijf. Cafégangers moeten een uur eerder, liefst minder dronken en aanhalig, naar huis. De muziek moet eerder zacht, zodat men niet in elkaars oor staat te schreeuwen. Zaaltjes mogen voortaan maximaal vijftig mensen toelaten in plaats van honderd. In de grote steden zullen politie en handhavers strenger toezien op naleving van aangekondigde regels dan ze de afgelopen maanden deden.

Toch zijn de nieuwe maatregelen niet louter symbolisch, zei premier Rutte op de persconferentie. Ze zijn, vrij vertaald, onderdeel van het leven-met-het-coronavirus-beleid. Het schip moet doorvaren, maar we willen zo min mogelijk drenkelingen. Als iedereen fysiek weer iets minder bij elkaar komt, is het idee, zou dat meteen effect moeten hebben op het R-getal: de besmettingsratio. Dat is nu te hoog: 1,4. Alleen als het onder de 1 blijft, kan het virus in theorie uitdoven.

Belangrijker was Ruttes oproep vrijdag aan ieder individu om zich weer verantwoordelijk te voelen voor bestrijding van de coronapandemie, want daar moet de maatschappij het voorlopig van hebben. Afstand houden in de supermarkt en op het werk, mondkapjes dragen waar het helpt, handen wassen, niezen in de elleboog, thuisblijven als men ziek is. Rutte wenste dat „een sterk gevoel van gedeelde urgentie”, dat in maart en april zo breed heerste, terugkomt.

Mensen die bang zijn voor het virus zelf – ouderen, hun kinderen, de chronisch zieken – voelen de urgentie nog wel. Zij houden wel afstand en wassen hun handen. Zij sluiten zich op en leven feitelijk al een half jaar in een onaangenaam isolement. Ze kunnen veel hobby’s niet uitoefenen, de reünie wordt een jaar verzet en de kleinkinderen en buren komen amper langs.

Maar de rest van de maatschappij – die minder te vrezen heeft – wil dóór. Jongeren willen feesten, sinds het weer enigszins mag, naar het zwembad en naar de collegebanken. Kampeerders willen kamperen, sinds het weer mag, mensen willen naar de kapper, het café, de bioscoop en de fitness, sinds dat weer mag.

En de economie móét door, want anders zinkt het hele schip. Een nieuwe lockdown zou ongekend veel faillissementen en banenverlies veroorzaken.

Toch komt een beroep op ‘een sterk gevoel van gedeelde urgentie’ bij ieder van de 17 miljoen Nederlanders alleen aan bij burgers als de overheid zelf dat gevoel van urgentie uitstraalt. Een overheid, dus, die ervoor zorgt dat er genoeg mensen en middelen zijn om particulieren snel te testen op corona. Ook de duizenden die alweer op vakantie gaan en terugkeren naar Nederland. Ja, de GGD’s vallen onder gemeenten en niet onder het Rijk. Maar nood breekt wet en soms is er tijdelijk één centraal gezag nodig.

Niemand wil terug naar de ‘intelligente’ lockdown. De economie kan dat ook niet lijden. De overheid moet nu dus alles inzetten op snel testen en het virus zo beheersen.

Het kabinet zegt steeds dat we dit met zijn allen moeten doen, voorlopig is de realiteit van het ‘nieuwe normaal’ dat de zwakkeren binnen moeten blijven en de sterkeren verder kunnen leven.