Opinie

Vuilbekken

Tommy Wieringa

Dat onze samenleving kan bestaan, schrijft Emil Cioran lucide als altijd, komt omdat we onze moordzucht naar ons denken hebben overgeheveld. Gemakkelijk was dat niet. Dat we onze moorddadige impulsen hebben weten te transformeren tot taal, is een van de indrukwekkendste resultaten van het beschavingsproces. Het moet na rechtop lopen de grootste krachtsinspanning van de menselijke evolutie zijn geweest. In plaats van het lichaam van de tegenstander te vernietigen, vuren we nu onze scheldwoorden en verwensingen op hem af. Zo bezien moeten we ook onze vervloekingen tot vruchten van beschaving rekenen – bittere vruchten weliswaar, met kracht uitgespuugd.

We leven in de bloeitijd van de vloek en de vervloeking. Nederland blijkt een uitermate geschikte voedingsbodem voor de woekering van vuilbekkerij. Nergens ter wereld wordt zoveel gescholden en gevloekt. Een paar jaar geleden klapte een Nederlandse moderator van Facebook in Berlijn in de Volkskrant uit de school over het filteren van Nederlandse haatspraak. Acht maanden lang beoordeelde hij dagelijks duizenden racistische, discriminerende en hatelijke Facebookberichten uit Nederland. Waar andere Europeanen behoorlijk hun gemak hielden, gingen Nederlanders voortdurend vol op het orgel. Kanker dit, kanker dat – zo algemeen was het ‘kanker’ dat Facebook het niet eens meer als scheldwoord beoordeelde. Vluchtelingen, Marokkaanse Nederlanders, Sylvana Simons en Zwarte Piet brachten de Nederlander onophoudelijk het schuim op de lippen, met pieken rond de verkiezingen en Sinterklaastijd. De Grieken en Portugezen in dienst van Facebook hadden het relatief rustig, vertelde de moderator, zij konden nog weleens Netflix aanzetten, Nederlandse medewerkers niet. Wanneer het Hollands riool weer eens gistend en schuimend overliep, sprongen moderatoren uit andere landen van de Unie bij. Nederland, zei hij, was zonder twijfel het land van de haat.

De zondebokken zijn een paar jaar later nog altijd dezelfde, met soms een nieuwe naam ertussen. Deze week diende de rechtszaak tegen de mensen die Clarice Gargard, columniste van deze krant, op sociale media hadden belaagd. Haar zonde: ze deed in 2018 via een livestream verslag van een anti-Zwarte Piet-demonstratie op Facebook. Daaronder verschenen toen zevenduizend verkrachtings- en andere geweldsfantasieën, en alles wat de reaguurders verder voor de kop kwam, zoals ‘zwarte hoer’, ‘bom erop’ en ‘allemaal aan het gas’. Ze verlustigden zich kortom aan hun eigen razernij en gingen zich te buiten aan het allerlaagste wat ze maar konden bedenken. Ze gingen er echt even de martelcontainers in hun hoofd voor in. ‘Allemaal de tong afsnijden’, schreef transportmedewerker Douwe de J. Uit magazijnbediende Eddy K., ‘een hele rustige vent’ volgens zichzelf, vloeide de volgende stream of consciousness: ‘Jammer dat de slavernij is afgeschaft, ik zou de zweep erover halen. Stelletje NSB’ers. Kan daar geen vrachtwagen overheen rijden?’ Het was kortom een ‘ware toetsenbordpogrom’, volgens het Openbaar Ministerie.

Ook al was de moordzucht taal geworden, moordzucht bleef het. Voordat Douwe de J. en Eddy K. hun geweldsporno opschreven, hadden ze die eerst helder voor zich gezien. Misschien verheugden ze zich er zelfs op, en ontbrak het ze alleen aan het juiste gereedschap en de juiste omstandigheden om ze ten uitvoer te brengen.

Maar zoals wij nu over de gruwelen in hun hoofd lezen, zouden we ook in alle rust en eerlijkheid de martelkamers in ons eigen hoofd moeten onderzoeken. Douwe de J. en Eddy K. kennen zichzelf nu, zoals de vermaning op de tempel van het orakel van Delphi luidt (Gnothi Seauton). Nadeel is: wij kennen hen nu ook. Toen ze nog alleen waren met hun gedachten, schaamden ze zich er niet voor. De schaamte kwam pas toen hun woorden aan het koude licht van de inspectie werden blootgesteld. Logisch dat ze ervan schrokken, niemand ziet zijn schunnige fantasieën graag terug in een rechtszaal. Ze geneerden zich voor hun uitlatingen, maar de schaamte had zich beter vooraan het proces kunnen bevinden, in plaats van achteraan. In weerwil van de gangbare opvatting: er zijn nuttige taboes, er is nuttige schaamte.

‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg’, zei Pim Fortuyn in 2001. In het eerste deel van die zin schuilt zijn voornaamste erfenis; daar eindigt de redelijkheid.

Tommy Wieringa schrijft elke week op deze plek een column.