Een pijnlijke vergissing is het script voor de belangrijkste dag van het jaar

Deze week: een fout in het Prinsjesdag-script. Ofwel: de Ruttiaanse Politiek van Alles, de constructieve zeven als stabiele factor, het komende campagneschaduwgevecht, en de fundamentele zwakte van de overheidsfinanciën.

Spontaniteit is schaars geworden in de politiek, zeker op Prinsjesdag - als de teksten van bewindslieden ruim tevoren overdacht zijn.

Probleem was deze week alleen dat sommige teksten onbedoeld nogal ongelukkig gekozen waren.

In het voorwoord van de Miljoenennota, vorige week vrijdag al uitgelekt, schreef minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA) dat „onze economische fundamenten sterk” zijn. Op dinsdagmiddag, bij de aanbieding van de Miljoenennota aan de Kamer, zei de minister: „We gaan door een diep dal, maar onze economische fundamenten zijn sterk.” Diezelfde middag had premier Mark Rutte een gesprek met dagbladjournalisten, en blijkens het verslag in de Volkskrant zei hij: „De economie is fundamenteel sterk.”

Je hoorde die middag vergelijkbare woorden bij andere ministers, en toen ik toevallig de datum zag – 15 september 2020 – dacht ik: hier is iemand iets vergeten.

Op het moment dat de vorige mondiale crisis, de kredietcrisis, door de val van Lehman Brothers onafwendbaar werd – 15 september 2008 – beging de Republikeinse presidentskandidaat John McCain een vergissing van historische proporties. Hij zei: „The fundamentals of the economy are strong.

Hierna stortte de economie in, en daarmee McCains kans op het presidentschap. Toen het weekblad Time de ongelukkigste uitspraken uit de Amerikaanse politieke geschiedenis rangschikte, eindigde McCain op vier.

Dus je hoorde deze week vaak dat het kabinet heeft geleerd van de vorige crisis – de overheid gaat niet bezuinigen, de overheid gaat uitgeven – maar je kon er niet omheen dat de woordkeuze over de economie een kopie van een legendarische blunder was.

Dit schuurde des te meer toen gaandeweg de week bleek dat het coronavirus opnieuw gevaarlijk snel om zich heen grijpt, met alle gevaren van dien voor de economie.

Het markeerde de dubbelzinnigheid van de hele week. Het kabinet was lang niet ontevreden met zijn laatste begroting, en middenpartijen – VVD, CDA, PvdA – keken tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen met frisse blik vooruit naar het post-Covid-tijdperk. Maar vanaf woensdagmiddag bracht het coronanieuws iedereen terug in de barre actualiteit.

Zo werd het grote beleidsdebat een soort uitstel van behoeftebevrediging. Vrijwel de hele oppositie zag af van haar eerste impuls in een pre-verkiezingsjaar: de premier aanpakken. Het is crisis, dat geeft wij-gevoel, spelen op de man is dan riskant - helemaal als die man nogal populair is.

Het leidde ertoe dat de zeven constructieve partijen die de kabinetten-Rutte sinds 2012 schragen – VVD, CDA, D66, CU, PvdA, GroenLinks, SGP – met de premier aanpassing van allerlei beslissingen zochten. Het derde steunpakket, de huren, het WopkeWiebesfonds, etc. Garanties gaf de premier zelden, maar vrijwel elke suggestie kreeg van hem een welwillende behandeling.

Zo ontstond een Ruttiaanse werkelijkheid die zich het beste laat omschrijven als de Politiek van Alles. In de Politiek van Alles is geen optie ondenkbaar en geen suggestie onzinnig. In de Politiek van Alles is lenigheid een vereiste en visie een handicap. In de Politiek van Alles kun je deals sluiten met D66 én de SGP, met GroenLinks én de VVD. In de Politiek van Alles voer je een CO2-heffing voor het bedrijfsleven in én geef je 4,5 miljard subsidie aan de fossiele industrie.

De Politiek van Alles is behalve lenig ook vluchtig: het kan altijd nog op Niets uitlopen. Want dat viel deze week ook op: alle welwillendheid leidde niet tot harde deals. Een splijtend thema als structurele verhoging van zorgsalarissen – waarvoor een meerderheid is in de senaat - bleef liggen tot de behandeling van de zorgbegroting dit najaar. En je weet niet hoe opbouwend de oppositie blijft als de premier gezag zou verliezen, bijvoorbeeld door aanhoudend slecht coronanieuws.

Dus deze week bleek dat hij ontegenzeggelijk de baas is. Maar wel een baas met een wankele basis.

Bepalend is ook het campagneschaduwgevecht dat zich de komende maanden afspeelt: wat wordt hét verkiezingsthema? Dat scheelt nogal voor partijen. De opties zijn globaal: het cluster corona/crisisbestrijding; het cluster overheid/economie; en het cluster migratie/cultuur. Zolang de coronabestrijding het vertrouwen krijgt, is het eerste cluster voor Rutte (én De Jonge) verreweg het beste. Links heeft belang bij overheid/economie. Nationalistisch rechts bij migratie/cultuur.

Binnen die stromingen lijken de kaarten wel geschud: Hugo de Jonge lijkt weinig kans te maken Rutte te onttronen; Asscher dwong deze week van alle oppositiepolitici het meeste ontzag af; Baudet kon Wilders opnieuw totaal niet bijbenen.

Tegelijk waren er inhoudelijke heroriëntaties. Dijkhoff die het VVD-liberalisme samenvatte in streven naar eerlijke handel, een sterke overheid en minder afhankelijkheid van het buitenland. Heerma die inzette op een antiliberale revolutie van coöperaties, „waar risico- en winstdeling de norm zijn”. Het liet zien dat deze partijen in economisch opzicht het midden blijven zoeken, en in combinatie met Ruttes poging om vaste ‘partnerpartijen’ tegemoet te komen, tekent dit ook een nieuwe scheidslijn in de politiek: de zeven constructieve partijen tegenover PVV/FVD, en de andere vier (SP, 50Plus, Denk, PvdD) daaromheen zwevend.

Ook Wilders zoekt nadrukkelijk de tweedeling tussen de constructieven en nationalistisch rechts. Zijn betoog over „het einde van de rechtsstaat” en Nederland als „corrupt land” concentreerde zich op zijn eigen veroordeling en de niet-vervolging van Akwasi. De Kamer en de premier wezen op de onafhankelijkheid van de magistratuur.

Inzichtelijker was misschien een verwijzing naar Wilders’ tevredenheid over de rechtsstaat in Hongarije geweest. Vorige week nog zei de PVV-voorman in de Kamer dat „het zwaar overdreven is wat Hongarije wordt aangerekend”, hoewel Amnesty eerder rapporteerde dat het land de macht van rechters heeft „ingeperkt”, migranten „criminaliseert”, de persvrijheid „onder druk” zet, en mensenrechtenactivisten – zoals Amnesty – „tegenwerkt”. Een Nederlandse parlementariër die Nederland geen rechtsstaat vindt maar Hongarije verdedigt: dan zul je nog weinig CDA- of VVD-kiezers overtuigen.

En Baudet, in wiens omgeving de laatste tijd werd gezocht naar een mediatrainer en andere ‘professionele ondersteuning’, probeerde het met betoogjes waarin hij de grootsheid van zijn eigen inzichten afzette tegen het onvermogen van ‘het kartel’ om schuld aan de ondergang van de beschaving te onderkennen. Hij imponeerde niemand, behalve zichzelf misschien.

Intussen kwam hij noch Wilders met zijn rituele motie van wantrouwen: een stilzwijgende bevestiging van Ruttes positie op dit moment.

Vrijdagavond bevestigden hij en De Jonge dat de tweede coronagolf zich heeft aangediend. Het liet zien hoe onzeker, ook politiek, het najaar zal worden. Constructieve krachten genoeg, maar keuzes uit het verleden bieden in een verkiezingsjaar zelden garantie voor de toekomst.

Er komt bij dat op Prinsjesdag ook bleek dat niet iedereen zo zeker is over de fundamentele kracht van de economie. In een stuk van de staatsraden Richard van Zwol (oud-topambtenaar, CDA) en Frank de Grave (oud-minister, VVD) stelde de Raad van State in zijn jaarlijkse advies dat de Miljoenennota gezien de sterk groeiende overheidsuitgaven geen inzicht biedt in de wijze waarop de overheidsfinanciën op de middellange termijn houdbaar kunnen blijven.

Je kon misschien niet zeggen dat de Raad daarmee betwijfelt of de economie fundamenteel sterk is. Maar je kon er wel in lezen dat de Raad niet zo zeker is of Rutte III de overheidsfinanciën fundamenteel sterk achterlaat.