Schooltuinen bewijzen al generaties lang hun nut

Parkzicht Al meer dan honderd jaar hebben we schooltuinen, weet . Sindsdien hebben die hun waarde wel bewezen.

Foto Yentl Slik

‘De schooltuinen hier te lande nog geheel onbekend, worden in het buitenland meer en meer gewaardeerd.” Dat schreef Het Vaderland in oktober 1879. Oostenrijk, Zweden en België waren ons voor. En in Frankrijk beschikten halverwege de 19de eeuw maar liefst 27.958 lagere scholen over een bloeiende schooltuin.

Nederland wilde niet achterblijven en het zou, althans op papier, niet lang duren voordat ook hier schooltuinen kwamen. Binnen vier maanden na het eerste artikel over schooltuinen besteedde het Algemeen Handelsblad (14 januari 1880) op de voorpagina ruim aandacht aan de vergaande hervormingsplannen van de Staatscommissie voor de Schoolbouw. In die plannen werd hoog opgegeven over een „zogenaamden schooltuin”, die van het grootste nut werd geacht voor de ontwikkeling der leerlingen.

Het rapport is één groot pleidooi voor hoe een optimale school er uit zou moeten zien. En het aardige is dat alle aanbevelingen in de loop der tijd niets aan waarde hebben ingeboet: „Een omgeving van groen acht de commissie een weldaad. Het aanbrengen van heesters en niet hoogopschietend bloemhout kan niet genoeg worden aanbevolen.” Helaas zou het nog jaren duren voordat deze goede bedoelingen vorm kregen – en schoolkinderen daadwerkelijk met hun handen in de aarde konden wroeten.

Sindsdien hebben schooltuinen hun nut en waarde generaties lang bewezen. Het is dan ook een genoegen om de kleine, fijne tentoonstelling 100 jaar schooltuinen in het Stadsarchief Amsterdam te bezoeken. Amsterdam was weliswaar niet de eerste stad in Nederland waar schooltuinen werden aangelegd, maar het honderdjarig jubileum is reden voor een feestelijke terugblik. Het Amsterdamse verhaal is bovendien inwisselbaar met dat van schooltuinen in andere Nederlandse steden – en net zo actueel als honderd jaar geleden.

Overal kregen kinderen ongeveer twintig vierkante meter grond om te bewerken. Vaak bestond de oogst uit zakken vol doorgeschoten prei en courgettes van monstrueuze afmetingen. Dat alles ging vervolgens trots mee naar huis, waar het hele gezin dan een week lang courgettesoep at. En wie de grootste had werd winterkoning of winterkoningin. Ook was de schooltuin de ideale plek voor aansprekende biologielessen, niet als kijk-vak, maar juist als doe-vak.

Wat door de jaren heen opvalt: schooltuintjes lagen voortdurend in de gevarenzone, de ene keer was de grond nodig voor stedelijke uitbreidingsplannen, dan weer waren het schoolhervormingen of bezuinigingen. Dit in tegenstelling tot de grote verdiensten van de tuinen, die gedurende vele generaties schoolkinderen ruim honderd jaar onveranderd bleven: het plezier van de kinderen die op de schooltuinen werken en trots hun oogst mee naar huis nemen. Al kort na de introductie in ons land konden pedagogen er geen genoeg van krijgen. Het werken in de natuur maakte de kinderen „blij van zin en ontvankelijk van gemoed”. Zelfbeheersing werd bevorderd, verantwoordelijkheids- en plichtsbesef werden aangekweekt. Het kind leerde volharden, en voor verschillende deugden werd het zaad gelegd, dat „rustigjes ontkiemt en zich tot goede eigenschappen ontwikkelt”. De schooltuin als pedagogisch ideaal.

En de pedagogen van het eerste uur zouden niet vreemd hebben opgekeken van de conclusies die de Britse psychiater (en tuinier) Sue Stuart-Smith onlangs publiceerde. In de aarde zitten bacteriën die je serotonineniveau verhogen zodra je de aarde omwoelt, aldus Stuart-Smith. Bovendien weten we dat de bloeddruk al na enkele minuten verblijf in de natuur daalt. En groen is van nature rustgevend voor de ogen.