Opinie

Laten we die 99 procent uit de krant houden

Column Wat moeten we met al die nieuwe bevindingen over corona? Laat experts het uitpuzzelen, zegt Martijn Katan.

Martijn Katan

Jaarlijks verschijnen er ruim een miljoen medisch-wetenschappelijke artikelen. Daarvan raakt uiteindelijk 99 procent in de vergetelheid, ze blijken onbelangrijk of fout te zijn. Maar in coronatijd veroorzaken nieuwe studies soms overhaaste, excessieve acties. Wat doen we daartegen?

De reden dat die 99 procent wordt gepubliceerd is dat we de ene procent geniale ontdekkingen voor geen goud willen missen. Alleen kunnen we ze soms in een vroeg stadium moeilijk herkennen. Daarom krijgen wetenschappers bij het openbaar maken van hun bevindingen het voordeel van de twijfel. Peter Mitchell mocht in 1961 met zijn theorie over energieomzettingen in cellen vijf bladzijden van het prestigieuze tijdschrift Nature vullen terwijl veel biochemici het onbegrijpelijke onzin vonden. Uiteindelijk kreeg Mitchell gelijk, en de Nobelprijs. Een ander toptijdschrift, Science, publiceerde artikelen van Stanley Prusiner over infectieuze eiwitten (‘prionen’) als oorzaak van een hersenziekte. Een eiwit als ziektekiem, dat klonk onmogelijk, maar ook Prusiner kreeg gelijk en een Nobelprijs. De 1 procent bestaat niet alleen uit briljante doorbraken, het kunnen ook kleine puzzelstukjes zijn met grote gevolgen. Bijvoorbeeld het geknutsel van de Japanner Endo aan een stofje uit gist. Dat leidde uiteindelijk tot een nieuwe klasse van geneesmiddelen, de statines.

Nature publiceert ook artikelen die op termijn niet blijken te deugen. Niet erg, die worden vergeten. Maar in coronatijd komen sensationele studies meteen op de voorpagina van de krant, met soms vergaande gevolgen. Vier voorbeelden.

Ernstige bijwerkingen

In maart verkondigde een Franse professor dat het antimalariamiddel chloroquine hielp tegen corona. De hele wereld ging op jacht naar chloroquine en tienduizenden mensen kregen het, met soms ernstige bijwerkingen. Een paar maanden later bleek uit nieuw en beter onderzoek dat chloroquine niet hielp.

Eveneens in maart publiceerden Amerikaanse onderzoekers dat coronavirus langdurig kan overleven op plastic, metaal en karton. Dat leidde tot immense was- en poetsoperaties. Veel mensen volgden het advies van een huisarts uit Grand Rapids, die op YouTube aanraadde om je supermarktboodschappen drie dagen in de tuin te laten ‘uitzieken’ voor je ze aanraakte. Het onderzoek had echter alleen bewezen dat als je een grote hoeveelheid virus op een stukje metaal of plastic druppelt er dagen later nog kleine beetjes virus meetbaar waren. Nuttige informatie, maar de hoeveelheid virus op een supermarktkar waar iemand op geniesd heeft is veel kleiner en dan moet je het na aanraken ook nog eens in je neus wrijven. Het belang hiervan als besmettingsroute is onzeker. Omdat het onzeker is blijven we karren poetsen, maar verwacht er geen wonderen van.

In april stonden de kranten vol van een Duitse studie bij kinderen. Het rapport suggereerde dat kinderen net zo veel coronavirus in hun neus en keel kunnen hebben als volwassenen. Daarom moesten de Duitse scholen dicht blijven. Toen ik het narekende bleek dat de kinderen gemiddeld vijf keer zo weinig virus hadden als de volwassenen. Volgens de statistische analyses lag het juiste antwoord echter ergens tussen twintig keer minder virus en evenveel virus. De onderzoekers benadrukten ‘evenveel’ en dat kwam in de krant. Het onderzoek is nog niet verschenen in een wetenschappelijk tijdschrift.

Laatste voorbeeld: in juli claimden Britse wetenschappers dat bij patiënten die een besmetting met corona hadden doorstaan de afweer binnen drie maanden weer wegzakte. Dan werkte een vaccin misschien ook maar drie maanden! Ze onderzochten echter niet het optreden van besmettingen na een doorstane coronaziekte of na een vaccinatie, ze maten alleen de gehalten van afweerstoffen in het bloed. Wat die zeggen over de immuniteit tegen corona is omstreden; vaccinatie kan geheugencellen produceren die jaren later bij een besmetting à la minute afweerstoffen kunnen maken. De studie is nog niet geaccepteerd door een wetenschappelijk tijdschrift.

Naar de prullenmand verwezen

Chloroquine is naar de prullenmand verwezen en de tijd zal leren wat de andere drie studies waard zijn. Een studie is als een puzzelstukje; de hele puzzel kan iets anders tonen dan dat ene stukje suggereert, en veel stukjes passen uiteindelijk nergens. Maar wat moeten we in de tussentijd met al die nieuwe bevindingen over corona? Daarvoor heeft de medische wetenschap een beproefd recept: zet een dozijn onafhankelijke wetenschappers met uiteenlopende expertises bij elkaar en laat die het uitpuzzelen. Zij kennen de technieken en de auteurs en zij weten hoe je studies moet wegen. Zo komen de adviezen van de Gezondheidsraad tot stand en dat werkt.

Voor corona zou je ook zo’n soort Outbreak Management Team... ho wacht even: dat hebben we al! Laten zij die honderden publicaties uit elkaar plukken en de overheid en onszelf vertellen wat de stand van de wetenschap is. Ze zijn insiders en ze kunnen dat beter dan wij. Dan mogen wij voortaan krantenberichten over nieuwe coronawetenschap negeren. De kans dat ze fout zijn is immers 99 procent.

Martijn Katan is biochemicus en emeritus hoogleraar voedingsleer aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor bronnen en cijfers zie mkatan.nl.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.