Opinie

In coronatijd verongelukt de liberale gelatenheid

Nee, geruststellend is het niet wanneer directeur Hans Kluge van de Europese tak van de WHO deze week meldt dat we geen hoge verwachtingen moeten hebben: „Ik hoor voortdurend: ‘Het vaccin zal het einde van de pandemie zijn’. Natuurlijk niet!” We moeten ons aan de regels houden. „Het einde van de pandemie zal komen wanneer we er als gemeenschap mee leren leven.” (Knack, 14/9).

Ik kan zijn opmerkingen niet goed inschatten, maar helemaal geruststellend klonk het niet. De aanvaarding van de coronamaatregelen heeft toch alles te maken met de tijdelijkheid van die maatregelen. En dus met een vaccin. Stel je voor dat deze narigheid nog een jaar gaat duren: hoelang zullen we de sociale onthouding blijven naleven?

Voor de meeste mensen die na de oorlog zijn geboren is de coronacrisis de eerste ervaring met een controleverlies dat de samenleving als geheel raakt. Natuurlijk maakt iedereen vroeger of later mee hoe het leven je kan ontglippen door ziekte of de dood van dierbaren of het verlies van werk. Deze ervaring is anders: we maken voor het eerst mee hoe een samenleving stilvalt door een oorzaak waar we geen greep op hebben. Dat is moeilijk – zeker in een land waar de maakbaarheid zo ongeveer is uitgevonden. Voltaire schreef niet voor niets: „God schiep de wereld, behalve Nederland. Dat liet hij over aan de Nederlanders zelf.”

Het controleverlies in coronatijd versterkt de roep om ingrijpen. Er bestaat nog steeds brede instemming met de poging van overheden om het virus terug te dringen: volgens een peiling waardeert twee derde van de bevolking het kabinet. De samenzweringstheorieën zijn een randverschijnsel: niet veel mensen zien in de ploeterende en polderende politici een verhulde ambitie om de macht te grijpen.

Ook laat de coronacrisis zien hoezeer onze behoefte aan controle telkens wordt ontregeld. Het naoorlogse optimisme over een definitieve uitbanning van infectieziektes bleek voorbarig. Vanaf de jaren negentig is een nieuw realisme opgekomen: uitbannen gaat niet lukken, indammen is wel haalbaar.

In zijn geweldige boek Epidemics and Society (2019) schetst medisch historicus Frank Snowden de lange geschiedenis van ziektes als de builenpest, cholera, malaria, polio en tuberculose. Het is lectuur voor mensen met een sterke maag.

We leren dat de derde pestpandemie de eerste echt globale verspreiding was van een ziekte. Die epidemie begon in 1894 en bereikte vanuit Hongkong niet minder dan vijf continenten. De stoomschepen versnelden de verspreiding via havensteden als Nagasaki, Honolulu, San Francisco, New York, Buenos Aires, Alexandrië, Napels en Glasgow.

Deze verspreiding werd nog eens bevorderd door de verstedelijking. De uitdijende steden in Europa en Amerika bleken een broedplaats voor overdraagbare ziekten. Een eeuw later doen chaotische megasteden in andere delen van de wereld denken aan die tijd. Snowden concludeert dat ondanks betere diagnostiek en vaccins onze kwetsbaarheid niet zal verdwijnen.

Zo gezien is de coronacrisis geen incident maar verweven met de globalisering. De grote vraag achter deze crisis is: wordt een wereld waarin de afstanden zo klein zijn geworden steeds minder beheersbaar? Of kunnen we de onbedoelde gevolgen van zo’n grenzeloze wereld beteugelen? In de jaren die voor ons liggen zal het controleverlies dat hoort bij toenemende afhankelijkheid vooral een groeiende behoefte aan regulering oproepen.

De politiek zoekt een nieuwe weg in dit spanningsveld. Van de liberale gelatenheid die de globalisering heeft begeleid is in coronatijd weinig meer over. Taboes over staatsschuld sneuvelen waar we bij staan: miljarden worden uitgetrokken om de economie te stutten. Het hele wetenschappelijk-industriële complex is in stelling gebracht voor een vaccin.

In het kielzog van de corona kondigt zich een bredere heroverweging aan. We begrijpen nu de schaduwkanten van een grenzeloze wereld beter. Denk aan de halfhartigheid waarmee belastingvlucht van bedrijven is bejegend, aan de uitwassen van de interneteconomie die op hun beloop zijn gelaten of aan de afhankelijkheid van autoritaire regimes voor onze energie. De lijst is lang.

Het midden ontdekt opnieuw de maakbaarheid – in eigen land en als het goed is ook over grenzen heen. Dat was de teneur van de Algemene Beschouwingen deze week. Hoever zal die omslag reiken? Als het aan premier Rutte ligt niet zo ver: de coronacrisis dwingt nu tot een sterke overheid, maar verder moet die overheid niet te veel in de weg lopen. Hij miskent dat na lange jaren van privatisering even lange jaren nodig zijn waarin het draait om de publieke zaak.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.