Reportage

Dolende vleermuis verhongert in de St.-Bavokerk

Biologie Kosters vinden altijd heel veel dode dwergvleermuizen in de Haarlemse St.-Bavokerk. Hoe kan dat? De kerk wordt al generaties lang door vleermuizen gebruikt.

De Grote of St.-Bavokerk aan de Grote Markt in Haarlem. De bouw ervan is in 1520 gereedgekomen.
De Grote of St.-Bavokerk aan de Grote Markt in Haarlem. De bouw ervan is in 1520 gereedgekomen. Foto Michel van Bergen

Grijze wolken pakken zich samen boven de Grote of St.-Bavokerk op de Grote Markt in Haarlem. Regen striemt tegen de glas-in-loodramen – het decor zou niet misstaan in een gothic novel.

Bij binnenkomst valt direct het hoge, gewelfde plafond op, en het indrukwekkende Müller-orgel uit 1738. Minder opvallend is het zwarte vlekje boven de noordingang, op de witte muur, vlak bij de pilaar. Toch is juist die vlek tekenend voor het mysterie van de Bavo, zoals de kerk in de volksmond heet. Al decennialang doen kosters melding van grote aantallen dode dwergvleermuizen in de kerk, vooral in de zomermaanden. Vleermuiskenners staan voor een raadsel: de dieren lijken te zijn omgekomen door honger en dorst, alsof ze de weg naar buiten niet meer kunnen vinden.

Ook de vlek in kwestie is zo’n dood exemplaar: de vleermuis heeft zich voor hij stierf met scherpe nageltjes zó stevig vastgezet in de muur dat hij zichzelf vereeuwigd heeft als crucifix.

„Die ene hangt er al jaren”, zegt Bas van Vlijmen, terwijl hij behoedzaam de vloer van grafstenen afspeurt. „Maar hier op de grond hebben we recent weer verse vleermuizen gevonden.”

Een vleermuis heeft zich voor hij stierf met zijn nagels stevig vastgezet in de muur van de kerk.

Van Vlijmen heeft een achtergrond in de informatica, maar doet ook ecologisch veldonderzoek. Aan het project in de Bavo is hij verbonden als vrijwilliger: vorig jaar april hoorde hij via-via over de raadselachtige sterfte, en schakelde hij de hulp in van Richard Witte van ecologisch adviesbureau Endemica. De twee startten, met hulp van anderen, een onderzoek om te achterhalen waarom zoveel vleermuizen het loodje leggen in de Bavo.

De gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) doet zijn naam eer aan. Hij past in een luciferdoosje, én is een van de meest voorkomende vleermuissoorten in Nederland. Net als twee andere algemene vleermuizen (de laatvlieger en in mindere mate de ruige dwergvleermuis) verblijft hij het liefst in gebouwen. „Natuurlijk is het niet gek dat je van een soort die dicht bij de mens leeft af en toe een dood exemplaar aantreft”, zegt Witte. „Maar de aantallen die de kosters in het verleden hebben gemeld – zestig tot tweehonderd dode dieren per zomer – zijn uitzonderlijk hoog.” Dit jaar wordt systematisch naar vleermuizen gezocht.

Ik voer ze een papje van kattenvoer en Olvarit appel-banaanbabyvoeding

Bas van Vlijmen vrijwilliger

Tot nu toe zijn er 160 recent gestorven of verzwakte exemplaren gevonden, en nog zo’n 30 exemplaren van vóór 2020. Normaal gesproken worden gewone dwergvleermuizen rond de 4,5 jaar oud, maar de gevonden dieren zijn vaak jong; de leeftijd is onder andere af te lezen aan de scherpte van de tanden. Van Vlijmen haalt een recent gevonden exemplaar uit de vriezer: „Kijk, een mannetje, je kunt de genitaliën duidelijk zien. Opvallend is dat we eerst overwegend mannetjes vonden, maar vanaf eind juli nam het percentage vrouwtjes gestaag toe” Het Dutch Wildlife Health Centre heeft aangeboden om enkele kadavers te onderzoeken op de doodsoorzaak. Witte: „De eerste had een lichte bacteriële longontsteking, maar de doodsoorzaak lijkt toch steeds verhongering te zijn.” Van Vlijmen: „De levende, verzwakte exemplaren neem ik in een tupperwaredoos mee naar huis. Eerst krijgen ze water. Met een injectiespuitje voer ik ze daarna een papje van kattenvoer en Olvarit appel-banaan-babyvoeding. Als ze wat zijn aangesterkt of als ze dat liever hebben, krijgen ze meelwormen, en daarna laat ik ze snel weer vrij.”

Dat de dieren in de kerk ondervoed raken, zou ermee te maken kunnen hebben dat ze de uitgang van de kerk niet meer kunnen vinden, zegt hij. „De kerk is al ruim vijf eeuwen oud, en wordt al generaties lang door vleermuizen gebruikt. Maar waar het gebouw vroeger waarschijnlijk zo lek als een mandje was, zijn er door restauraties steeds minder in- en uitgangen voorhanden.”

We hebben vastgesteld dat veel vleermuizen er niet op uittrekken ’s nachts

Richard Witte adviseur

De sonar van een dwergvleermuis reikt bovendien niet verder dan enkele tientallen meters, waardoor ze het andere eind van de kerk (ruim honderd meter verderop) niet kunnen horen. „In zulke omstandigheden is het makkelijk verdwalen. En dat terwijl ze er juist ’s nachts op uit moeten trekken om insecten te zoeken.” Witte: „We hebben de afgelopen maanden met warmtecamera’s ook vastgesteld dat veel Bavo-vleermuizen er helemaal niet op uittrekken ’s nachts. Dat sterkt het vermoeden dat ze de uitgang niet weten te vinden.” Normaal gesproken vliegt een vleermuis ’s nachts tot wel vijf kilometer van zijn verblijfplaats om voedsel te zoeken. „Een vleermuis die in paniek is, kan angstkreten laten horen. Dan komen er andere vleermuizen naartoe, die vervolgens óók verdwalen.”

De reden van het verdwalen is nog niet helemaal helder. Wel is duidelijk dat de kerk door de vleermuizen als paarplek en als winterverblijf wordt gebruikt. De dieren die er in de voorzomer rondvliegen zijn vermoedelijk jonge vleermuizen die nog niet meedoen aan de paring.

Vleermuizen paren in augustus en september, maar omdat ze daarna al snel in winterslaap gaan, slaan de vrouwtjes het sperma een half jaar op. De daadwerkelijke bevruchting vindt pas in maart plaats. Rond de paartijd gaan de vleermuizen ook op zoek naar een geschikte overwinteringsplek, waar ze soms met z’n duizenden bij elkaar zitten.

Een klein ruitje stuk

Witte: „In grote groepen zie je ze dan rondzwermen, meestal rond middernacht. Met geluiden maken ze elkaar duidelijk: ‘Dit is een goed winterverblijf!’ Soms vliegen ze af en aan om hun soortgenoten de juiste aanvliegroute te tonen. We hebben hier het zwermen al heel mooi gezien. Er bleek een klein ruitje stuk, daar vliegen ze in elk geval in en uit.”

De keuze voor het verblijf kan per winter verschillen, maar een paar voorwaarden zijn er wel: een stabiele temperatuur, niet te droog, koel, maar voldoende beschut tegen échte vrieskou. „Flatgebouwen zijn vaak geliefd als overwinteringsplek, vanwege de dikke muren en de diepe spouwen”, zegt Witte. Gewone dwergvleermuizen houden van klein en knus: ze kruipen het liefst weg in een holte die hun rug én buik bedekt. „Van oorsprong zijn het rotsbewoners, die in spelonken en rotsspleten leven.”

Ook in de Bavo zijn voldoende spelonken. Van Vlijmen wijst op het houten, gewelfde plafond boven het orgel. „Dat zit vol nauwe spleten. Ideaal voor de vleermuizen om te verblijven.” Een aanvliegroute die pal naast het Müller-orgel ligt, dat baart ándere vrijwilligers zorgen. Vereniging Vrienden van de Grote of St.-Bavokerk ontfermt zich over de cultuurhistorische erfenis van de kerk, en treft regelmatig vleermuiskeutels en urine aan op en rond de orgelpijpen, vertelt voorzitter Jean Laurey, terwijl hij ons voorgaat op een wenteltrap aan de achterkant van het orgel. „Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zouden we liever hebben dat ze een andere verblijfplaats zoeken.” In de orgelpijpen zelf zitten ze niet: die hebben een te grote diameter en zijn te glad.

Via de wenteltrap komen we uit op een hoge, houten zolder. Buiten giert de wind. Van Vlijmen: „Hun winterverblijf is hier pal onder, in de nauwe open ruimte tussen het houten gewelf en de kerkmuur. We hebben een twee meter lange endoscoop aangeschaft waarmee we ze hopelijk komende winter kunnen zien zitten.” De houten planken zijn bezaaid met donkere hagelslagjes: vleermuispoep.

Witte haalt een temperatuurlogger tevoorschijn. „Als we weten in wat voor situatie ze graag verblijven, kunnen we binnen de kerk op zoek gaan naar een alternatieve verblijfplaats voor ze.”

Vleermuissluisjes

Een potentieel nieuw winterverblijf is er al: de zolder van de zuidelijke ‘dwarsbeuk’. Die heeft een gemetseld in plaats van een houten gewelf, waardoor de vleermuizen niet makkelijk meer in de kerk geraken en daar het orgel bevuilen. Er kunnen hier aanvullend vleermuiskasten geplaatst worden. ’s Winters kunnen er dan honderden dwergvleermuizen in één kast verblijven. Van Vlijmen: „In de ramen van die loze ruimte en de zolder erboven zitten ventilatieroosters die kunnen dienen als vleermuissluis: de vleermuizen kunnen wel in en uit vliegen maar de vogels niet.” In dat mogelijke nieuwe verblijf brengt Witte ook een logger aan, om te zien of de temperatuur overeenkomt met die van de zolder. „En we moeten kijken of die locatie gifvrij is.”

Uit andere kerken is bekend dat ook gif een mogelijke oorzaak van vleermuissterfte is, zegt Witte. „Daar worden houten balken behandeld met chemische middelen tegen boktorren of andere kevers. Dat zijn geen insecten die door de dwergvleermuizen worden gegeten, maar het gif uit de ampullen kan wél de vleermuishuid binnendringen. En als de vrouwtjes vervolgens hun jongen zogen, dan raken die ook vergiftigd.” In de Bavo lijkt van vergiftiging geen sprake.

De hamvraag is: hoe krijg je de vleermuizen naar een nieuwe plek? Van Vlijmen: „Vleermuizen hebben een beschermde status in Nederland, dus je mag hun verblijfplek niet zomaar op slot gooien door de toegangen af te sluiten. Natuurlijk is het in dit geval wel in het belang van de vleermuizen zelf, en bovendien is de kerk een monument, daarom is er een extra basis om een ontheffing aan te vragen om de vleermuizen te verplaatsen. Maar dan moet je wel met een goed voorstel komen op basis van gedegen onderzoek. We zitten nu te kijken of we ze naar de andere plek kunnen lokken met een batlure – een speciale geluidsbox die de sociale roep op een voor vleermuizen hoorbare frequentie kan afspelen.”